Hoe Zacharia het volhield met mij op zijn rug, ik heb geen idee. Ergens ben ik in slaap gevallen. Ik werd in ieder geval wakker op een laken op de grond van een of ander houten huisje. Het was erg koud, maar wel nog uit te houden. Ik wreef mijn ogen uit en op dat moment kwam Zacharia binnen. "Hé, kijk wie daar wakker is." Hij had een stapel hout in zijn armen. Die legde hij naast een vuurtje. De warmte die daaruit kwam was gewoon heerlijk en ik kroop er dichter naartoe. Zacharia lachte. "Is het echt zo koud?" Ik knikte. Hij kwam naast me zitten, niet te dichtbij. Ik keek naar hem. "Mag ik me nu terug veranderen?" Daar moest hij even over nadenken. "Nee, doe maar niet." Ik besloot er niet op in te gaan en staarde naar de vlammen. Het voelde een beetje ongemakkelijk en natuurlijk kon ik mijn mond niet lang houden. "Maar waarom heb je me nu meegenomen? Dat snap ik nog steeds niet." Weer wachtte Zacharia even met antwoorden. "Ik weet wat ze gaan doen. En ik weet ook dat het geen pretje gaat worden." Even wachtte ik maar hij zei verder niets. "En waarom doe je er dan wat aan?" Daar haalde hij zijn schouders voor op. "Dat hoort bij mijn gave. Ik weet niet hoe het precies werkt, maar ik heb een soort intuïtie, die zo sterk is dat ik hem niet kan negeren. Tja, en dat brengt me wel eens in de problemen." Hij stond weer op. "Ik hoop gewoon dat ze mijn gave en de waarschuwing die het geeft serieus nemen." Ik keek naar hem terwijl hij door de kamer liep. Het was een snel maar volgbaar tempo voor mijn ogen. Opeens stond Zacharia stil. "Heb je honger?" Toen ik knikte liep hij naar een kast en daar haalde hij crackers uit. "Nou, we hebben geluk. Ze zijn nog goed. Normaal is alles hier beschimmeld." Hij gaf me het doosje aan. Ik hoorde mijn maag knorren en beseft dat ik wel al erg lang niet meer gegeten had. Maar ik was nog steeds vampier en die hoeven zich niet zo vaak te voeden als mensen. Dat zal het wel zijn.
Ik bewaarde wat crackers voor later, maar de andere waren erg snel op. Ik likte mijn lippen af. Zacharia, die gefascineerd had staan kijken, begon te praten. "Als ik goed reken, zijn Demetri en zijn gevolg over een dag of drie hier." Hij ging weer zitten. "Dus is het wachten tot dan."
Zacharia liet me nooit alleen in het huisje of hij zorgde ervoor dat hij het huis altijd in het zicht hield. Dus zat ik de eerste dag in het huisje, te kijken naar de muren, patronen in de houtnerven te vinden, maar na een paar uur had ik zo ongeveer elke houtnerf gehad en verveelde ik me. "Mag ik niet buiten tegen de muur gaan zitten?" Zacharia keek op van zijn iPod die hij, tot zijn eigen vreugde, in zijn broekzak had zitten. "En dan wegrennen zeker." Ik schudde mijn hoofd. "Hoe wil ik dat doen? Dan moet ik me eerst veranderen, anders heb je me zo ingehaald, en dat heb jij waarschijnlijk vreselijk snel door." Dat leek hem te overtuigen. "Daar heb je wel gelijk in." En hij keek weer terug naar zijn iPod. Dus liep ik naar buiten en ging daar tegen het hout zitten. Het was lekker zonnig en ik liet de zon mijn huid verwarmen, iets wat ik al erg lang niet meer had kunnen doen zonder in een discobol te veranderen. Ik zat een beetje te knikkebollen toen Zacharia ook naar buiten kwam. "Je bent toch niet van plan om nu weer te gaan slapen, hè? Nog geen vijftien uur geleden heb je ook al lang geslapen." Ik probeerde hem aan te kijken maar hij glinsterde zo erg dat dat erg moeilijk was. "Maar in de weken daarvoor heb ik helemaal niet geslapen, dus ik heb nog wel wat in te halen." Ik hoorde geritsel en keek op. "Ben maar niet bang, het is maar een konijntje." En terwijl hij dat zei, kwam het naar me toe gehuppeld, in een grote boog zodat hij niet binnen een straal van één meter in de buurt van Zacharia kwam. Ik pakte het op en zette het op mijn schoot. Die avond, want dat was het ondertussen, heb ik de hele tijd met het konijn op mijn schoot gezeten. Toen vond het beestje het goed geweest en hupte weer weg. Zonder dat ik het gemerkt had was het schemerig geworden en afgekoeld. Ik liep naar binnen. Zacharia zat nog steeds met zijn iPod in zijn hand. Moest dat ding onderhand niet leeg zijn? Nu het buiten zo donker was, leek het binnen vele malen gezelliger. Vraag me niet waarom. Ik ging weer op mijn plekje tegen de muur zitten en viel in slaap.
De tweede dag was niet erg veel beter. Ik ging weer buiten zitten en staarde in de verte. Mijn ogen speurden de omgeving af en ik begon vluchtroutes uit te stippelen, gewoon om de tijd te doden. Toen ik één zijde van het huisje helemaal afgespeurd had, ging ik aan de achterkant van het huisje zitten. Meteen kwam Zacharia naar buiten. Hij glinsterde niet; de zo had zich net verstopt achter de wolken. Vragend keek hij me aan. "De andere kant heb ik al helemaal gezien." Hij knikte en ging weer naar binnen. Het was me opgevallen dat zijn ogen erg donker waren. Ik vroeg me af wanneer hij voor het laatst gedronken zou hebben. En wanneer had ik voor het laatst gedronken? Mijn gedachten waren erg sloom, ik kon het me eigenlijk niet herinneren. Het maakte me ook niet erg veel uit. Opnieuw begon ik de omgeving te bekijken. Aan deze kant was niet erg veel te zien. Een stel bomen en een paar rotsen. Waar waren we eigenlijk? Dit leek op geen van de plaatsen waar ik ooit geweest was. De zon was weer verschenen en hij stond schuin boven het huisje. Ondertussen wierp ze lange schaduwen, ik had de hele dag zitten denken en naar de omgeving zitten kijken. Het koelde snel af maar ik bleef toch buiten zitten totdat ik bijna begon te klappertanden. Zacharia had het vuurtje weer aangemaakt en het was in het hutje dus lekker warm. We zaten een tijdje zwijgend voor de vlammen. Ik schrok op uit mijn gedachten toen Zacharia me wat vroeg. "Weet je nog veel van je moeder?" Huh? Mijn moeder? Hoe wist hij daarvan? "Nee, niet echt. Ik kan me wel nog de dag herinneren dat ze verdween, maar dat is bijna alles." Hij knikte. "En je mist haar natuurlijk erg." Ik knikte maar. Ik had het gevoel dat mijn stem zou overslaan als ik iets zei, met die brok in mijn keel. Zacharia bleef naar me kijken en uiteindelijk kreeg ik mijn stem zover dat ik weer iets zeggen kon. "Het ergste is gewoon dat we niet weten wat er precies gebeurt is. Is ze gewoon weggegaan? Of is ze ontvoert?" Ik zuchtte en er liep een traan over mijn wang. Waarom werd ik altijd zo vreselijk emotioneel als het over mijn moeder ging. Normaal was ik niet zo, in ieder geval liet ik het niet merken. Zacharia staarde me nog steeds aan. Ik keek weg, het vuur in. "Tja," sprak hij langzaam, "ik denk dat je het echt liever niet zou willen weten." Dat liet me opkijken. "Hoezo? Weet je iets dan? Als dat zo is, alsjeblieft vertel het me." Maar Zacharia schudde zijn hoofd. "Ik weet het nog niet eens zeker. En daarbij, als ik het zou vertellen zouden Aro, Marcus en Caius me meteen vermoorden. Nee, liever niet." Nu bleef ik hem aankijken. Hij vond dat erg ongemakkelijk; eerst schoof hij wat heen en weer en daarna stond hij op. "Is het onderhand niet tijd dat je slapen gaat?" Ik zuchtte en ging tegen de muur liggen. Maar mijn gedachten draaiden op volle toeren en waren niet erg gemakkelijk te stoppen. En de loerende ogen van Zacharia hielpen ook niet mee. Na een anderhalf uur viel ik pas in slaap.
