Een terugblik op het stukje waarin Ron wegloopt, vanuit zijn POV
Hoofdstuk 75:
Ron Wemel
Ron Verschijnselde naar het plaatsje waar zijn oom Virus vroeger gewoond had. Het was ergens in het noorden, dus het was vrij koud. Meteen toen hij zijn ogen openden besefte hij dat hij weer terugwilde naar Harry en Hermelien.
Waarom was hij vertrokken? Was het echt het Gruzielement wat hem zo kwaad had gemaakt of was het zijn eigen koppigheid? Hij moest even denken. Hij rende een café in wat er wel uitnodigend uitzag, alles zag er uitnodigend uit op een lege maag. Het was een Dreuzelcafé, dat kon hij wel zien.
"Biertje?" vroeg de barman.
Ron knikte. Zijn gezicht vertrok even toen hij de bittere vloeistof opdronk, maar zijn hoofd werd iets lichter en dat voelde prettig. Wat een biertje ook was, nu was het wel even lekker. De barman ging een andere klant helpen en Ron nam een tafeltje in de hoek.
Niemand keek en hij stak het kaarsje aan met een lichtblauw vlammetje vanuit zijn toverstok, als die vlammetjes die Hermelien altijd maakte. Hij voelde zich best schuldig over hoe hij zich tegenover haar gedragen had. Zij deed haar best en het enige wat hij deed was zeuren dat hij honger had. "Hé, jij daar!"
Ron draaide zich om. Een groepje van vijf mannen kwam op hem af. Ze zagen er ruig en slonzig uit, en Ron zag een toverstok uit de broekzak van een van hen steken. Bloedhonden. Hulpjes van Voldemort die werkten voor geld. Ze hebben al heel veel Dreuzeltelgen opgepakt.
Ron legde zijn hand op zijn toverstok. "Wat?" zei hij terug.
"Ben jij niet die Wemel die smetbroei hoort te hebben?" vroegen ze.
"Nee. Ik ben Zacharias Smid, Halfbloed," zei Ron kalm.
"Jij hebt rood haar, jij bent een Wemel," zei eentje en hij klonk nogal dom.
Ron vermoedde dat hij trollenbloed in zich af. De barman was naar achteren gegaan om iets te halen. "Paralitis!" zei de half-trol maar Ron lukte het om een non-verbale schildspreuk te doen.
De trol viel neer. Hij Verlamde de anderen ook en Ontwapende er eentje, waarna hij zijn stok afpakte. Ron vluchtte snel naar buiten. Ergens in een verlaten kerkje ging hij op een van de banken zitten. Hij klikte wat met zijn Uitsteker. "Ron… Ron…" hoorde hij vanuit het apparaat komen.
het klonk als Hermelien. Hij wilde zo graag terug, maar hij wist toen hij vertrok de beveiligende spreuken verbroken werden en Harry en zij moesten verplaatsen. Hij wenste vurig dat hij ook zo'n giftand had als Erin. Dat is het enige nuttige waar Perkamentus ons mee heeft achtergelaten.
Haar aanwezigheid vrolijkte Harry enorm op en ze waren wat dingen te weten gekomen door haar.
Toen verscheen er een lichtbolletjes. Het vloog langzaam in zijn borstkas op de plek waar zijn hart zat. Opeens wist hij waar hij heen moest en hij Verdwijnselde.
Hij had daarna uren rondgelopen in het bos om te zoeken. Hij zocht nu gewoon naar een mooie boom om vannacht tegen te slapen. Ineens zag hij het. De zilverwitte hinde die door het bos liep. En Harry liep hem achterna.
Ron wist niet of hij nou iets moest zeggen of niet, want Harry liep gehypnotiseerd bijna achter de hinde aan. Toen maakte de donkerharige jongen een gat in het ijs en sprong er in. Ron rende. Als Harry het Gruzielement nog omhad…
Hij sprong hem achterna en zag Harry stikken. Een met robijnen gevest zwaard blonk op de bodem. Het zwaard van Griffoendor, dat had Harry willen pakken. Ron viste het zwaard van de bodem en sneed het kettinkje waar het medaillon aanhing door.
Hij trok het Gruzielement van zijn vriend af en hielp Harry naar boven. Zijn vriend kwam kuchend weer bij bewustzijn. "Ben je geschift?" vroeg hij en het was alsof Harry hem toen pas zag.
"Was jij het? Heb jij die hinde laten verschijnen?" vroeg Harry.
Ron schudde zijn hoofd. "Ik dacht dat jij dat was," zei Ron.
"Mijn Patronus is een hert," legde Harry uit. "Een gewei, weet je wel?"
Ron knikte. "Aha. Die van Erin dan?"
"Ook een hert. Wat doe je hier eigenlijk?"
Ron had gehoopt dat het onvermijdelijke punt nooit ter sprake zou komen. "Ik ben er. Als je me nog hebben wilt," zei hij verlegen.
Harry gaf hem een simpele knuffel. Ja. Ze wilden hem nog hebben. "O ja, ik heb dit opgevist," grijnsde hij, en hij hield het Gruzielement en het zwaard in handen.
Ron bood hem de twee dingen aan. "Jij moet het doen," zei Harry.
Ron wilde protesteren maar slikte. Hij zou het doen. "Ik maak het open met Sisselspraak en jij steekt het dood. Kijk uit, het zal zichzelf proberen te verdedigen," legde Harry uit.
En zo geschiedde. Er kwam een verstikkende zwarte rook uit het medaillon, en het begon tegen hem te praten.
"Ik ken je dromen, Ronald Wemel. En ook je angsten. Ik ken je hart, en het behoort aan mij. Altijd tweede keus, nooit gewild. Niet door een moeder die een dochter wilde, en niet door het meisje dat de voorkeur geeft aan je beste vriend," zei de stem van Vilijn.
Twee hoofden rezen op uit het medaillon, als twee bizarre ballonnen. Ze werden steeds langer, tot ze een eigen lichaam hadden. Het waren Harry en Hermelien. Hermelien was veel knapper, maar ook veel angstaanjagender dan de echte Hermelien. Ze begonnen elkaar innig te zoenen.
Er knapte iets in Ron. Uit pure woede voor het medaillon stak hij het neer. "Goed gedaan, Ron," zei Harry toen hij op zijn schouder klopte.
