Dit hoofdstuk is iets korter, sorry. Ik hoop dat jullie het als nog leuk vinden!
Hoofdstuk 88:
Harry Potter
Erin gaf hem wat ze in haar hand had. Hij herkende de Steen gelijk. Het maakte niet uit als hij hen liet terugkeren, dat had Erin ook begrepen. Want over een paar minuten zouden zij zich bij hen voegen.
Hij sloot zijn ogen en draaide de Steen drie keer in zijn hand. Het waren geen geesten, maar ook geen levende mensen. Iets er tussenin. Op ieder gezicht zag hij dezelfde, liefhebbende glimlach.
James was bijna even groot als Harry. Zijn haar was piekerig en verward en zijn bril stond een beetje scheef.
Sirius was lang en knap en jonger dan Harry hem ooit gezien had.
Lupos was ook jonger. Zijn haar was dikker en donkerder. Zo te zien was hij blij terug te zijn in de omgeving waar hij in zijn jeugd zoveel had meegemaakt.
Lily's glimlach was het stralendst van allemaal. "Je bent zo vreselijk dapper geweest," zei ze.
Harry kon geen woord uitbrengen. Hij genoot intens van het moment. "Je bent er bijna," zei James. "Nog heel even. We zijn allemaal zo trots op je."
"Doet het pijn?"
Harry flapte de kinderlijke vraag eruit voor hij kon nadenken. "Doodgaan? Welnee," zei Sirius. "Eitje. Net als in slaap vallen."
"Ik wilde niet dat er iemand zou sterven," zei Harry.
Hij moest veel moeite doen om de woorden te zeggen met zijn dichtgeknepen keel. "En het spijt me van je zoon, Remus…"
"Het spijt mij ook," zei Lupos.
"Het spijt me dat ik hem nooit zal kennen. Maar hopelijk begrijpt hij ooit dat zijn ouders gestorven zijn in een poging een betere wereld te creëren."
"Blijven jullie bij me?" vroeg Harry.
"Net als Erin. Altijd," zei James.
"Zullen ze jullie niet zien?" vroeg Harry.
"Wij zijn een deel van jou," zei Sirius.
Harry keek naar zijn moeder. "Blijf bij me," zei hij zacht.
Hij liet de Steen bewust uit zijn handen glippen, waar niemand hem ooit meer kon vinden. Hij dacht aan Ron, Hermelien en Ginny, en ook aan Erin die nu zijn hand vasthield.
Harry en Erin liepen zwijgend naar de plek waar Voldemort zich bevond, maar ze voelden zich meer een dan in hun langste gesprek. Woorden schieten toch te kort op dit moment, dacht Harry.
"Potter heeft zijn uurtje gehad," hoorde hij Jeegers in de verte zeggen. "Hij komt niet."
Harry en Erin volgden de Dooddoener stilletjes. Voldemort speelde met de Zegevlier tussen zijn lange, witte vingers en Harry moest absurd genoeg denken aan verstoppertje. Voldemort en zijn Dooddoeners zagen hem er Erin niet, ze hadden de Onzichtbaarheidsmantel nog om.
"Hij is nergens te bekennen, Heer," zei Jeegers.
"Ik dacht dat hij zou komen," zei Voldemort. "Blijkbaar heb ik me vergist…"
"NEE!" schreeuwde Harry zo hard mogelijk.
Hij wilde niet angstig klinken toen hij de mantel van hen afgooide. "Dus, toch?" zei Voldemort. "En mijn dochter komt zich bij me voegen?"
"Je hebt mij nooit zozeer bij je gewild, Voldemort," zei Erin.
"Ik heb je gemaakt als wapen, dus als wapen zal je dienen," zei haar vader.
"Lieg niet! Ik weet de waarheid nu!" zei Erin fel. "Je hield van Maria!"
"Ik ben niet zo zwak als anderen. Daarom ben ik machtig, ik heb geen zwaktes zoals l…"
"Liefde is geen zwakte! Je bent gewoon bang! Bang dat je misschien goed aan het worden was! Bang voor het feit dat je misschien menselijk was! En dat ben je! Je bent geen god, zoals je Dooddoeners denken! Zelfs geen duivel!
Je bent gewoon een mens en je bent bang. Je bent altijd al bang geweest, overal voor op de vlucht. Probeer het niet te ontkennen, je hebt jezelf die naam gegeven! Voldemort, vlucht van dood. Daarom zal je nooit zo goed als Harry, Albus of Severus kunnen worden.
Zij accepteerden moedig hun eigen dood. Jij bent geen moedig man, Voldemort."
Voldemort negeerde Erin haar uitbarsting.
"Harry Potter," zei Voldemort zacht. "De Jongen Die Bleef Leven is gekomen om te sterven."
Bij het horen van die woorden werd het Erin blijkbaar te veel en ze kuste Harry zo vurig als ze nog nooit gedaan had. Harry draaide instinctief zijn rug naar Voldemort en hij hoorde alleen hoe de slangachtige stem siste en hij zag een groene flits in de reflectie van Erin haar blauwe ogen.
Toen was alles verdwenen.
