xxMarith:
DISCLAIMER: Als herhaling de kracht van het leren is, volgens dat oude Latijnse gezegde, dan is dit verhaal hard op weg om almachtig te worden –
nogmaals, dit verhaal is niet van mij, het is geschreven door de geweldige Kindle-the-Stars en ik heb het alleen maar vertaald!


"Come on, my friends, let's make for the hills. They say there's gold but I'm looking for thrills.

You can get your hands on whatever we find, because I'm only coming along for the ride…

All I want to tell you, all I want to say is count me in on the journey, don't expect me to stay."

Pink Floyd, 'The gold, it's in the…'


Thorin liep vlug weg bij de rivier, zijn wenkbrauwen diep gefronst tijdens de terugtocht naar de kleine grot waar het gezelschap gestopt was. De oorzaak van zijn piekerende gedachten was hetzelfde als tijdens hun afdaling van de Carrock: wederom had Elizabeth Darrow het voor elkaar gekregen om hem van zijn stuk te brengen. Hij was bijzonder verrast geweest toen zij bij de rivier gearriveerd was terwijl hij zich aan het wassen was, maar hij had het gevoel dat hij het goed had weten te verbergen, ook al was hij ietwat ontdaan geweest door zijn half ontblote staat.

Zijn verbazing was ook vermengd geweest met een zweem van ergernis: hij had het gezelschap verlaten zodat hij zijn verwondingen kon behandelen zonder bemoeizuchtige blikken, maar nu moest hij haar aanwezigheid verdragen. Hij wist niet goed hoe het mogelijk was, maar ze maakte nog meer gedoe van verwondingen dan Oin. Een indrukwekkende prestatie, dacht hij.

Zijn gedrag had het meer dan duidelijk gemaakt dat hij had gewild dat ze weg zou gaan en dit had ze ook gedaan. Het had er echter op geleken dat ze zeker van plan was om terug te komen en daarom had hij zijn bad beëindigd zonder zijn wonden goed te behandelen. En inderdaad, ze was al gauw teruggekeerd met wat hij herkend had als haar doosje met buitenwereldse medicijnen en had hem meteen laten zien hoe koppig ze kon zijn als ze iets in haar hoofd had.

Uiteindelijk was het gemakkelijker geweest om het gewoon op te geven en zich door haar te laten behandelen; hij had geredeneerd dat hij de hulp bij de verwondingen op zijn rug zeker kon gebruiken.

Hij was verrast geweest door haar bezorgdheid nadat hij een paar uur geleden nog tegen haar geschreeuwd had. Terwijl ze zijn wonden bekeek had hij zich herinnerd hoe ze gehuild had en hij had een steek van schuld gevoeld over zijn handelingen – een steek die al vlug was omgeslagen in een verscheurende pijn toen ze had besloten dat het een goed idee was om vrolijk met haar hand op zijn gewonde ribben te drukken.

Overvallen door pijn had hij haar afgesnauwd en vervolgens een bewuste poging gedaan om zichzelf te kalmeren. Na hun gesprek op de Carrock waren ze tot een voorzichtige wapenstilstand gekomen en het zou niet verstandig zijn om voor de tweede keer die dag tegen haar te schreeuwen.

Het had er echter op geleken dat ze zijn voorstel om meer vertrouwen tussen hen te scheppen met beide handen had aangegrepen en er direct mee wilde beginnen. Toen het duidelijk werd dat ze wilde dat hij verhalen over zijn verleden met haar zou delen, was hij zich begonnen af te vragen of hij geen fout gemaakt had met zijn poging om een soort vriendschap met haar te beginnen. Het was echter beter dan de tranen die hij haar die ochtend bezorgd had, waar hij zich heel goed van bewust was.

Desalniettemin had hij zich niet helemaal op zijn gemak gevoeld bij het delen van zulke verhalen. Het was iets wat hij niet vaak deed, zelfs niet met de personen die hij als vrienden beschouwde. Hij had zulke verhalen in ieder geval nog nooit met een vrouw gedeeld, en al helemaal niet wanneer hij slechts half aangekleed was.

Thorin naderde de grot en zag dat het gezelschap ontspannen op de grond zat terwijl de zon hun kleren droogde. Sommigen deden een dutje nu ze de kans hadden en anderen verzorgden hun wapenuitrusting en wapens na de strijd. Er was een rust op hen neergedaald en Thorin was blij dat ze uiteindelijk toch gestopt waren. Ze hadden deze vredigheid nodig na de gebeurtenissen van gisteren.

'Maar wat maakt het uit dat ze geen Dwerg is?' hoorde hij Kili klagend vragen. Hij zat naast Balin met zijn rug tegen de rotswand en controleerde de veren van zijn pijlen na het gevecht. 'Ze is nog steeds een lid van het gezelschap, ze is nog steeds Lizzy.'

'Je weet dat onze cultuur buitengewoon besloten is, onze soort is langzaam aan het verdwijnen en we worden beschermd door onze scheiding van de rest van de wereld,' antwoordde Balin streng, die Thorin niet had zien aankomen. Kili deed zijn mond open om te reageren, maar werd overstemd door de oudere Dwerg. 'Ben je je lessen vergeten, jongen? Lang geleden werd Eöl verwelkomd in de Dwergenhallen en wij leerden hem ons vak, maar die vriendschap leidde tot de ondergang van Norgrod en de diefstal van Nauglamir.'

'Dat gebeurde allemaal meer dan een eeuw geleden,' wierp Kili tegen. 'En Lizzy is geen Elf zoals Eöl, ze is net als wij.' Kili prutste aan zijn pijlen en mompelde toen: 'Ik denk dat je gewoon geërgerd bent doordat ze ons niets heeft verteld over de Goblins.'

'Hoewel ik niet geloof dat dat een wijze beslissing van haar was, ben ik me ervan bewust dat juffrouw Lizzy een goede meid is en dat we haar allemaal graag mogen,' zei Balin sussend. 'Maar het feit dat ze geen Dwerg is blijft staan en zo zou ze ook niet behandeld moeten worden.'

Nadat hij deze woorden had uitgesproken merkte Balin dat Thorin mee luisterde en hij viel onmiddellijk stil, ongetwijfeld terugdenkend aan het bevel van zijn koning om haar adoptie te accepteren. Thorin besloot niet op Balins woorden te reageren en liep langs hen heen hun geïmproviseerde kamp binnen.

Terwijl hij dit deed zag hij iets aan de kleine stapel met bezittingen die ze hadden weten te redden – of beter gezegd, hij zag dat er iets ontbrak.

'Waar is mijn schild?' vroeg hij met luide stem aan het hele gezelschap.

Toen zijn vraag beantwoord werd met een beschaamde stilte en neergeslagen blikken werd hij overspoeld door het besef dat het schild weg was. Hij dacht terug en kon zich herinneren dat hij het in zijn hand had gehad toen hij op Azog afstormde en besefte dat hij het tijdens de strijd moest hebben laten vallen. Hij wreef met een hand over zijn mond en staarde naar hun bagage; het gevoel van verlies was net zo pijnlijk als het verliezen van een ledemaat. Hij had het schild al meer dan een eeuw in zijn bezit gehad. Het was een deel van hem, een deel van zijn identiteit – het was zelfs een deel geworden van zijn naam.

Hij herinnerde zich de dag dat hij het schild had verkregen, meer dan een eeuw geleden; hij herinnerde zich dat hij het opraapte in de strijd en hij herinnerde zich nog haarscherp dat hij de tak meenam van het slagveld, het nieuwe gewicht van het koningschap zwaar op zijn schouders. Hij was overweldigd geweest door verdriet en had na de slag een hele dag in de smederij doorgebracht, waar hij keer op keer op metaal had gehamerd, de versplinterde uiteinden van het schild bedekt had met ijzer en een uitsteeksel in de binnenste ronding van de tak had gecreëerd om als handvat te gebruiken.

Zijn hele identiteit was die dag veranderd: hij was niet langer een jonge prins, maar Thorin Oakenshield, koning van zijn volk.

'Hij viel van je arm toen de adelaar je meenam, er was geen tijd om…' zei Kili en hij stopte langzaam, duidelijk bang dat hij boos zou worden.

'Het is niet belangrijk,' zei hij korzelig, zich wegdraaiend van de stapel. Echt, hij zou liever het schild verliezen dan dat iemand uit het gezelschap zijn leven waagde om het terug te halen, maar hij kon niet ontkennen dat hij een hol gevoel kreeg bij het idee dat zijn schild tijdens het reizen niet om zijn arm zou hangen of vastgebonden zou zijn op zijn rugzak.

Het hele gezelschap bleef angstvallig stil terwijl hij ging zitten en zijn zwaard en wapenuitrusting zo goed als hij kon begon schoon te maken. Na een paar minuten werd het hen duidelijk dat hij daadwerkelijk niet boos was om het verlies van zijn schild en de spanning ebde langzaam weg. Er werden zachtjes weer enkele gesprekken gevoerd en Bombur begon het kleine beetje eten uit te delen wat nog van hun voorraad over was. Ze hadden een ernstig gebrek aan proviand en Thorin hoopte dat de persoon waar Gandalf hen naartoe leidde hen inderdaad zou kunnen helpen.

Hij was al weer bijna een uur terug in het kamp toen juffrouw Darrow terugkwam – Lizzy, herinnerde hij zichzelf, zoals ze hem had gevraagd haar te noemen.

Hij probeerde de naam uit in zijn hoofd en vond hem vreemd en onsmakelijk. Haar naam was ongetwijfeld uniek in heel Middle Earth en was een herinnering aan het feit dat ze niet uit deze wereld kwam. Hij paste niet zo goed bij haar en Thorin vond hem grof en onvrouwelijk klinken. De letters waren onaangenaam hard, maar bevatten tegelijkertijd een passende speelsheid.

Hij was zich er ook van bewust dat het een verkorte versie van haar naam was. Hoewel ze duidelijk had laten merken dat ze de voorkeur gaf aan deze naam, voelde het toch als iets te intiem, iets waarvan hij niet zeker wist of hij zich er wel prettig bij voelde. In de Dwergencultuur werd er voortdurend gelet op eer en respect en hoewel het grootste gedeelte van het gezelschap (alleen hij niet) haar wel aansprak met haar verkozen afgekorte naam, hadden ze dit pas gedaan nadat zij hen daar heel lang toe aangespoord had.

Toen ze tussen de bomen vandaan kwam viel hem op dat ze er een stuk frisser uitzag dan daarvoor. Het bloed en vuil was van haar gezicht gewassen en de sneden in haar lip en voorhoofd en de paar scheuren in haar kleren waren het enige overgebleven zichtbare bewijs van hun avontuur onder de berg. Haar gouden haar was niet langer warrig en dof door het bloed, maar donker door het water en het viel nat en gekamd over haar rug.

Ze passeerde hem toen ze naar haar rugzak liep en hij rook een exotische fruitgeur om haar heen terwijl ze haar medicijndoosje, kam en de fles met vloeibare zeep uit haar wereld (kennelijk de bron van de citrusgeur) in haar tas stopte. Hij had eerder al gemerkt dat er altijd zo'n geur in de lucht hing als ze terugkwam van een bad en hij wist nu voor het eerst te bedenken waarom het hem zo bekend voorkwam: de geur deed hem een beetje denken aan de limoencakejes die zijn zus zo graag maakte; vertrouwd, maar tegelijkertijd vreemd en exotisch.

Het gezelschap vertrok niet lang na haar terugkeer en iedereen voelde zich veel schoner en uitgeruster dan ze in dagen gedaan hadden. Ze moesten de rivier oversteken om van het eilandje af te komen waar de Carrock opstond, waarbij een beschaamde meneer Baggins gedragen werd door een mopperende Dwalin. Ze trokken allemaal hun schoenen uit en hielden ze hoog boven hun hoofd tijdens het waden, zodat ze ze aan de andere kant van de rivier droog weer aan konden trekken.

Ze liepen een paar uur lang door en ploeterden over heuvels en door dalen totdat Bilbo begon te mopperen dat hij zeker weten in zou storten als hij niet snel iets zou eten. Hij werd grotendeels genegeerd, maar naarmate de middag vorderde vertoonden de tekenen van honger zich onder het hele gezelschap.

Aangezien het augustus was ging de zon pas laat onder. Het was al veel later dan wat door fatsoenlijke mensen als etenstijd werd beschouwd toen ze Gandalf met Bilbo hoorden praten over de man die ze zouden ontmoeten. De Dwergen mengden zich in het gesprek en stelden vragen, verzochten hem om het duidelijker uit te leggen, zodat Gandalf hen uiteindelijk met luide stem moest overstemmen om gehoord te worden.

'Ik was bezig het duidelijk uit te leggen, als jullie daadwerkelijk geluisterd hadden,' reageerde hij op een toon die vervuld was van ergernis. 'Als jullie het dan met alle geweld moeten weten, de man heet Beorn en hij is een huidenwisselaar.'

'Wat, een bontwerker? Hij verandert eekhoornhuiden in konijnen voordat hij ze verkoopt, dat soort dingen?' vroeg Bilbo, die de legendarische huidenwisselaars duidelijk verwarde met jagers en stropers die op de markt stonden om hun goederen te verkopen.

'Bij de Valar, nee, meneer Baggins,' reageerde Gandalf vol afgrijzen, en toen werd zijn stem plotseling streng. 'Als je dan per se een idioot wilt zijn, wees dan op zijn minst een stille idioot, en praat niet meer van het woord bontwerker zolang je binnen honderd kilometer van zijn huis bent, noch van andere ongelukkige woorden die te maken hebben met het vellen van dieren.'

Bilbo keek naar beneden, grondig terechtgesteld.

'Beorn verandert letterlijk van huid, soms is hij een man en soms een grote zwarte beer,' legde Gandalf uit. 'Sommigen zeggen dat hij een beer is die afstamt van de grote, eeuwenoude beren uit de bergen. Anderen zeggen dat hij een man is die afstamt van de eerste mensen die hier leefden voordat Smaug of de andere draken zich in dit deel van de wereld vestigden. Ik kan het niet met zekerheid zeggen, maar ik denk dat het laatste verhaal waar is, hoewel hij in geen geval onder een of andere betovering staat.'

'Hij klinkt niet bijzonder veilig, is er niemand anders die ons kan helpen?' vroeg Thorin, die zich niet zo prettig voelde bij het idee van een man die bij vlagen in een beer veranderde. Ze hadden de afgelopen jaren genoeg problemen gehad met beren in de Blue Mountains om ervoor te zorgen dat hij niet zo gesteld was op die dieren.

'Nee, er is niemand anders,' antwoordde Gandalf zuur. 'En als je het niet eens bent met het idee, dan zal ik je gezelschap nu meteen verlaten en mijn geluk met Beorn alleen proberen, en dan kunnen jullie zelf uitzoeken hoe jullie je toestand van voedsel- en bagagegebrek op gaan lossen.'

Thorin klapte zijn mond dicht en zweeg. Het gezelschap liep verder en stelde Gandalf geen vragen meer uit angst zijn toorn op te wekken.

Ze waren nog niet zo lang weer op pad toen Thorin bloemen en klavertjes in het gras begon op te merken, dezelfde soorten allemaal in groepjes bij elkaar, alsof ze daar geplant waren. Er zoemden grote bijen om hen heen, hun lichamen waren ongeveer zo groot als zijn halve duim en hun gele strepen glommen als goud dat pas uit de mijnen gewonnen was.

'We zijn er bijna, we zijn nu aan de rand van zijn bijenvelden,' legde Gandalf uit terwijl het gezoem van de bijen steeg tot een vreselijk lawaai. 'Hij heeft grote bijenkorven en leeft vooral van room en honing.'

Het gezelschap liep om de rand van de velden heen en lette erop dat ze niet op bijen gingen staan, vooral Bilbo met zijn blote Hobbitvoeten. De bijen trokken zich niets aan van hun aanwezigheid en zoemden vrolijk om de bloemen heen zonder aandacht te schenken aan de vreemdelingen op hun land. Nog een paar minuten later kwamen ze bij een rij grote, oude eikenbomen, met daarachter een grote heg die te dik was om doorheen te kijken.

Gandalf liet het gezelschap halt houden.

'Dit is ver genoeg, denk ik. Het zou niet verstandig zijn om Beorn lastig te vallen met de hele groep in één keer, dus jullie kunnen maar beter wachten totdat ik roep of fluit, en dan in kleine groepjes achter mij aan komen,' zei hij tegen het gezelschap op een erg gebiedende toon. 'Ik zal als eerste gaan samen met meneer Baggins, die met gemak het minst bedreigend is van jullie allemaal.'

Bilbo's ogen werden groot bij deze aankondiging.

'En ik stel voor dat jij na mij komt, Thorin, als leider van het gezelschap. En neem juffrouw Elizabeth mee,' vervolgde Gandalf. 'Het idee van een gewonde vrouw die op zijn drempel moet staan wachten zou Beorn geen goed doen. Daarna kunnen jullie zelf een volgorde uitzoeken.'

Thorin knikte ten teken dat hij het begreep en de Tovenaar gebaarde dat de Hobbit zich bij hem moest voegen, die belachelijk zenuwachtig leek na zijn indrukwekkende vertoning van dapperheid tegen de Orks. 'Kom op, meneer Baggins, ik geloof dat hier ergens een hek is,' zei hij en ze verdwenen met zijn tweeën om de heg heen.


Zodra de Tovenaar en de Hobbit buiten gehoorafstand waren draaide Thorin zich om naar Lizzy. 'Wat weet je van deze man?' wilde hij weten en de andere Dwergen keken haar geïnteresseerd aan om te zien hoe ze zou reageren.

Lizzy haalde haar schouders op en de beweging trok aan haar verbonden wonden. 'Niet veel naast wat Gandalf al gezegd heeft,' zei ze. 'Hij zal eerst achterdochtig zijn, maar zal beter gehumeurd zijn als hij erachter komt dat ons verhaal waar is. We zullen hier veilig zijn,' verzekerde ze hem.

'Verder nog iets?' vroeg Thorin, die duidelijk gehoopt had op meer informatie.

Ze tuitte haar lippen en dacht diep na, zich proberend te herinneren wat het boek over Beorn vertelde behalve dat ze in zijn huis verbleven en dat hij aanwezig was in de Slag van de Vijf Legers. 'Hij eet blijkbaar geen vlees,' voegde ze er aan toe zodra het in haar op kwam; ze wist nog hoe vreemd ze het in het boek gevonden had dat Beorn zelfs als beer geen wilde dieren at, ook al waren ze in die vorm zijn natuurlijke voedselbron.

De Dwergen kreunden allemaal bij die verkondiging en de felle en afkeurende frons die Dwalin haar het grootste gedeelte van de dag had toegeworpen werd nog dieper toen hij gromde: 'Geen vlees?'

'Geen vlees,' bevestigde ze, ietwat nerveus door de boze blik van de grote Dwerg.

'Waarom eindigen we altijd bij mensen die geen vlees eten?' vroeg Fili met een diepe zucht, ongetwijfeld terugdenkend aan hun onbevredigende maaltijd in Rivendell. 'Wat ik nu wel niet zou geven voor een steak, kort doorbakken en opgediend met bergen geroosterde groenten en jus.'

'Of een bord spareribs,' stelde Kili voor, een licht dromerige uitdrukking op zijn gezicht.

Bombur kreunde en drukte met zijn handen op zijn grote buik. 'Niet over eten praten jongens, ik geloof niet dat ik het aankan.'

Lizzy glimlachte naar haar grote, nieuwe familielid. 'We zullen gauw genoeg te eten krijgen, Bombur. We krijgen dingen als room en honing en brood – en als ik het me goed herinner wordt het ons allemaal opgediend door dieren.'

Haar glimlach en stem waren echter flauw: hun gesprek bij de heg voelde gekunsteld en geforceerd, aangezien slechts een paar leden van het gezelschap bereid waren met haar te praten en de anderen er zwijgend naast stonden. Het gesprek liep dood nadat ze hen verteld had wat voor eten ze konden verwachten en de stilte werd razendsnel ongemakkelijk. Ze was ontzettend opgelucht toen de lucht in de verte verscheurd werd door een schel fluitje.

'Zullen we?' zei ze tegen Thorin met een glimlach die misschien iets te vrolijk was.

Ze liepen naast elkaar om de heg heen, achter Gandalf en Bilbo aan. Ze kamen al gauw bij een hoog, breed houten hek, waarvan de scharnieren luid knarsten toen Thorin het open duwde. Achter zich zagen ze tuinen en verscheidene lage, houten gebouwen die gemaakt waren van onbewerkte boomstammen, met een dak van stro. De meeste leken stallen en schuurtjes te zijn, ongetwijfeld voor Beorns dieren, maar het grootste gebouw was een lang, houten huis met twee grote vleugels die een binnenplaats creëerden. Aan de ene kant van het huis stonden tientallen bijenkorven, waar talloze bijen in en uit vlogen.

'Ik wil je iets vragen,' zei Lizzy plotseling tijdens het lopen.

Thorin zweeg en ze zag dit als een uitnodiging om te blijven praten.

'Waarom hebben een aantal leden van het gezelschap me al boos aangekeken sinds we de Carrock verlaten hebben?' vroeg ze nieuwsgierig. 'Is het omdat ik ze niets verteld heb over de Goblins?'

'Deels,' antwoordde hij met een grom.

'Mm-hmm,' zei Lizzy langzaam. 'En… wat is het andere deel?'

Thorin hief zijn hand om tijdens het lopen nogmaals tegen haar nieuwe haarvlechtje te tikken, zodat het tegen haar wang zwaaide.

'Dus de gebroeders Ur zien mij als familie, wat is het probleem?' wilde ze weten, niet begrijpend wat hier mis mee was.

Hij zuchtte. 'Dat dacht ik al, je begrijpt het gewicht van hun aanbod en jouw acceptatie niet,' zei hij. Het klonk alsof hij zich ergens bij neerlegde en hij liep met één hand op de knop van zijn zwaard en stak met zijn andere zijn duim in zijn riem. 'We hebben in het verleden een aantal keer onze hallen opengesteld voor buitenstaanders en hen ons vak geleerd, maar in de hele geschiedenis van onze soort hebben we nog nooit iemand die geen Dwerg was in een van onze stammen geadopteerd… tot vandaag.'

Lizzy's mond hing half open. Ze had daadwerkelijk niet precies begrepen wat Bifur haar had aangeboden en het klonk uiterst belangrijk. 'Maar… als het zo belangrijk is, mocht Bifur mij dat aanbod dan wel doen?'

'De stammen zijn van iedereen, ze zijn families, geen politiek systeem,' legde Thorin uit, die haar een blik toewierp terwijl hij praatte. 'Adoptie in een stam is niet ongebruikelijk, onze stammen zijn verspreid over de overgebleven Dwerggebieden en sommige Dwergen horen dan ook bij twee of drie verschillende stammen. Elk lid is vrij om te doen wat hij of zij wil, maar bepaalde dingen, zoals huwelijken of adopties, moeten eerst goedgekeurd worden door een stamoudere om officieel te zijn. Het probleem is dat jij een mens bent.'

'Wat… xenofobisch van je,' zei ze langzaam, haar wenkbrauwen fronsend.

Thorin keek haar scherp aan. 'Je vindt het xenofobisch om je volk te beschermen voor buitenstaanders?'

'In dit geval, ja,' reageerde ze met zekerheid, het niet eens met de discriminatie die ze ondervond vanwege haar soort. Ze had altijd al erg liberale meningen gehad als het ging om nationaliteiten, geslachten en seksualiteit. 'Het is niet alsof ik erop uit ben om de Dwergen te vernietigen.'

'Behalve dat je ons Goblinstad in hebt geleid,' zei Thorin op een bedrieglijk neutrale toon.

Lizzy bleef staan en staarde naar zijn rug. Hij had zijn wapenuitrusting en jas weer aangetrokken, merkte ze. 'Was dat sarcasme?'

'Onze soort heeft geen gemakkelijk verleden gehad,' ging hij verder, geen aandacht schenkend aan het feit dat ze stilstond. Hij bleef doorlopen tijdens het praten en zijn tempo dwong haar om een stukje te joggen om zich weer bij hem te voegen. 'Het verleden heeft ons geleerd om voorzichtig te zijn als het om buitenstaanders gaat.'

Ze dacht hier even over na en haalde toen een schouder op terwijl ze verder liep. 'Ik denk dat je je om mij echter niet zoveel zorgen hoeft te maken. Ik bedoel, zodra jullie Erebor terughebben ben ik weer terug naar huis, naar mijn wereld.'

Het was Thorin beurt om te stoppen. Lizzy deed nog een paar stappen voordat ze besefte dat hij niet meer naast haar liep en stopte toen zelf ook, waarna ze zich vragend naar hem omdraaide. Hij staarde haar aan met een halfverraste blik die plotseling onleesbaar werd. 'Uiteraard.'

Hij kwam weer in beweging en er viel een stilte terwijl ze richting de binnenplaats liepen. Het viel Lizzy op dat er ingewikkelde patronen in de zonneschermen van het huis gekerfd waren en veel daarvan bevatten beren en andere dieren. Ze sloegen bij een van de vleugels de hoek om en liepen de binnenplaats op, waar ze Gandalf en Bilbo op een bank zagen zitten, in gesprek met een reusachtige man. Hij was groot en breed en droeg geen shirt, waardoor ze een buitengewoon harige rug en borst zagen, half bedekt door een lange, zwarte baard. Hij draaide zich om toen zij eraan kwamen, doorboorde hen met zijn erg donkere ogen en bestudeerde hen nauwgezet.

'Ah, hier zijn ze,' zei Gandalf tevreden toen Lizzy en Thorin vlak voor het drietal bleven staan.

'Thorin Oakenshield… tot uw dienst,' zei de Dwergenkoning met een minuscule buiging, zijn ogen strak gericht op de man die voor hen stond.

Lizzy wilde zich ook voorstellen, maar werd overstemd door een luide grom van Beorn. 'Ik heb je diensten niet nodig, bedankt, maar ik vermoed dat jij die van mij misschien wel nodig hebt,' zei hij, totaal niet van hen onder de indruk. 'Ik heb over je gehoord, Thorin, zoon van Thrain. Ik ben niet gesteld op Dwergen, maar als jullie vijanden zijn van de Goblins zal ik luisteren naar jullie verhaal.' Toen gebaarde hij met zijn kin naar Lizzy. 'Wie is je vrouwe?'

'Elizabeth Darrow, aangenaam je te ontmoeten,' zei ze, bewust niets zeggend over diensten.

De ogen van Beorn zoomden in op de sneden in haar onderlip en voorhoofd. 'Je bent gewond,' merkte hij op.

'Ja, juffrouw Elizabeth raakte gewond tijdens onze aanvaring met de Goblins,' legde Gandalf uit.

Beorn snoof. 'Ik heb gehoord dat Dwergen goed voor hun vrouwen zorgen, maar misschien ben ik verkeerd geïnformeerd,' zei hij, terwijl hij Thorin een harde blik toewierp, die bijna onmerkbaar verstijfde bij de implicatie. Zijn ogen gleden weer naar Lizzy. 'Maar jij bent helemaal geen Dwerg. Een Tovenaar, een Hobbit, een Dwerg en een vrouw die samen reizen… dit verhaal wordt vreemder en vreemder.' Hij sloeg op zijn massieve dijbeen en keek Gandalf aan. 'Wat doen jullie op mijn land?'

'Thorin is onderweg om het land van zijn voorvaderen te bezoeken, ten oosten van Mirkwood,' legde de Tovenaar uit. 'Het is volkomen toevallig dat we ons op uw land bevinden, we namen de Hoge Pas, met de bedoeling om de weg ten zuiden van uw land te nemen, toen we aangevallen werden door de Goblins waar ik u over vertelde.'

'Vertel dan verder!' beval Beorn, die achterover leunde in zijn stoel om te luisteren. Lizzy en Thorin namen ongemakkelijk plaats op de bank waar Gandalf en Bilbo op zaten.

'Er was een vreselijke storm en de Steenreuzen gooiden met rotsen, dus hebben we aan het begin van de pas geschuild in een grot. Ik was op dat moment niet aanwezig, aangezien ik van plan was ze in de bergen terug te zien, maar de Hobbit en verscheidene van zijn metgezellen – '

'Je noemt twee verscheidene?' onderbrak Beorn met een knikje naar de twee nieuwe toevoegingen.

'Er zijn er nog een paar, maar het lijkt erop dat ze niet gekomen zijn toen ik ze riep,' zei Gandalf listig. 'Verlegen, vermoed ik. Om eerlijk te zijn dachten we dat we misschien met teveel zouden zijn om een beroep op uw gastvrijheid te doen.'

De enorme man fronste zijn wenkbrauwen diep. 'Nou, toe dan, roep nog eens, het ziet ernaar uit dat ik gasten krijg, en één of twee meer zullen niet veel verschil maken.'

Gandalf floot nogmaals, luid en schel, en nog voordat hij klaar was kwamen Fili en Kili de hoek om lopen, die het bevel van de Tovenaar hadden opgevolgd om om de paar minuten in tweetallen te komen.

Ze naderden de groep met stralende glimlachen en hun gebruikelijke aangename vriendelijkheid.

'Fili.'

'En Kili.'

'Tot uw di-' begonnen ze samen met een diepe buiging te zeggen, maar ze werden onderbroken door Beorn voordat ze hun zin af konden maken.

'Ja, prima, ik heb jullie diensten niet nodig,' snauwde hij, waardoor de twee jongere Dwergen verbaasd opkeken vanuit hun nederige posities. Hij gebaarde dat ze moesten gaan zitten en aangezien de bank nu vol was waren ze gedwongen om als kinderen op de vloer te gaan zitten, en ze probeerden onhandig een houding te vinden met hun vele wapens. 'Schiet maar op met dit verhaal, anders is het donker tegen de tijd dat je klaar bent.'

'Juist, nou…' begon Gandalf, die het verhaal hervatte. 'Terwijl ze sliepen opende er een spleet in de vloer van de grot, en de hele bende werd – '

'Bende?' onderbrak Beorn, een wantrouwige ondertoon in zijn zware stem.

Gandalf hoefde echter geen antwoord te geven aangezien Balin en Dwalin arriveerden. Beorn kneep zijn donkere ogen tot spleetjes en keek hen aan terwijl ze dichterbij kwamen, bijzonder misnoegd. 'Inderdaad een bende.'

'Dwalin.'

'En Balin – '

'Alleen jullie namen, als ik jullie diensten wil, zal ik er wel om vragen,' zei hij, om hun onvermijdelijke buigingen voor te zijn, en zodra zij ook plaats hadden genomen op de grond richtte hij zich weer tot de Tovenaar. 'Ga verder.'

'In ieder geval, ze werden allemaal gevangen genomen, behalve ik zelf, aangezien ik me nog bij het gezelschap moest voegen,' vervolgde hij opnieuw. 'Maar ik besefte al vlug wat er gebeurd was en daalde af naar Goblinstad, waar ik verscheidene bewakers doodde.'

'Goed,' gromde Beorn goedkeurend en dat was de eerste keer sinds haar aankomst dat Lizzy goedkeuring van hem gezien had. 'Het lijkt erop dat het toch nog nuttig is om een Tovenaar te zijn.'

'Inderdaad, maar op dit moment was het gezelschap al naar de Grote Goblin gebracht en ze waren omringd door talloze Goblins in de grote zaal. Het spijt me te moeten zeggen dat de Goblins bijzonder geïnteresseerd waren in juffrouw Elizabeth en haar bedreigden met martelingen, en hierdoor is ze dan ook aan haar verwondingen gekomen,' vertelde de Tovenaar, waardoor Beorns ogen opnieuw naar haar schoten met een ringschattende blik. 'Ik dacht bij mezelf: wat kan een dozijn doen tegen zovelen?'

'Dit is de eerste keer dat ik acht een dozijn heb horen noemen,' zei de man, een waarschuwende ondertoon in zijn stem – hij begon het plan van de Tovenaar duidelijk door te krijgen.

Op dat moment kwamen Oin en Gloin de hoek van het huis om. Beorn keek niet eens in hun richting, maar wees streng naar de vloer. 'Ga zitten en wees stil,' beval hij met een grauw. Oin en Gloin waren te verbaasd om iets anders te doen en ze slikten hun woorden van introductie en diensten weer in.

'Staan er nog meer duveltjes-in-een-doosje-Dwergen te wachten om me te verrassen?' gromde Beorn tegen de Tovenaar.

'Nou…'

Met een plotselinge beweging die hen allemaal op deed schrikken, stond Beorn op en beende vlug naar de rand van het huis. 'Als er nog meer Dwergen staan te wachten, stop dan nu met treuzelen en kom hier!' bulderde hij in de richting van het hek, waarna hij met een dreigende blik bleef staan terwijl hij toekeek hoe de rest van het gezelschap eraan kwam lopen.

'En ik dacht dat jij soms slechtgehumeurd was,' mompelde Lizzy tegen Thorin, hoewel het niet echt de bedoeling was dat hij haar hoorde. Hij draaide zich echter om en keek haar aan, zijn wenkbrauwen gefronst.

Een schaapachtige groep Dwergen kwam de binnenplaats oplopen, hun blikken neergeslagen tegen de kracht van Beorns blik. Ze zagen dat de rest van het gezelschap om de Tovenaar heen zat, ploften op de vloer en zwegen.

'Is dit je hele gezelschap?' vroeg Beorn, die terugkeerde naar zijn stoel vlak voor Gandalf.

'Ja.'

'Nou, jullie hebben je ontmoeting met de Goblins duidelijk allemaal overleefd en het meisje ziet er niet al te slecht uit,' zei hij met een knikje richting Lizzy. 'Wat ik nu graag zou willen weten is hoe. Maak je verhaal af en hou het kort, mijn geduld raakt op.'

En dat deed Gandalf: hij vertelde wat er gebeurd was tijdens hun vlucht van Goblinstad en ontsnapping van de berg, hoewel hij Bilbo's tijdelijke afwezigheid erbuiten liet en direct overschakelde naar hun aanvaring met de wargs, en vertelde over het bomen klimmen en de aankomst van Azog.

De boze blik van Beorn werd nog feller bij de naam van de Bleke Ork. 'De Vervuiler.'

'Ja.'

'Ik ken hem van lang geleden, er werd mij verteld dat hij dood was.' Hij keek Thorin nadrukkelijk aan.

'Dat geloofden wij ook,' antwoordde Thorin strak. Dit was de eerste keer dat hij sprak sinds zijn introductie.

'Van wat ik heb gehoord zijn er niet velen die een aanvaring met de Vervuiler overleven, laat staan een tweede aanvaring,' zei hij, Thorin nog steeds nauwgezet bestuderend. Toen richtte hij zijn blik weer op Gandalf. 'Dus wat gebeurde er toen jullie eenmaal in de bomen zaten?'

Het was duidelijk dat het verhaal hem begon te intrigeren, ondanks zijn pogingen om ongeïnteresseerd te lijken.

Gandalf vertelde hem over de vallende bomen en het gooien van brandende dennenappels. Beorn leek aangespoord te worden door zijn woorden; hij stond op om een paar stappen over de binnenplaats te ijsberen en zijn vuisten balden en ontspanden zich tijdens het lopen. 'Ik wou dat ik erbij geweest was, ik zou ze meer gegeven hebben dan vuurwerk,' gromde hij alsof hij het tegen zichzelf had. 'Kom op, maak het verhaal af.'

De Tovenaar vertelde vlug over Thorins gevecht met de Vervuiler en over hun ontsnapping met de adelaars, en eindigde het verhaal met hun aankomst op de Carrock en het besluit om hem om hulp te vragen.

Aan het einde stopte Beorn met ijsberen en ging zwijgend zitten, waarbij zijn ellebogen op zijn gespierde knieën steunden. De stilte hield meer dan een minuut aan en het gezelschap begon onrustig te worden terwijl er over hun doem werd besloten.

Uiteindelijk sloeg Beorn met zijn handen op zijn dijen. 'Een bijzonder goed verhaal, als alle bedelaars dit zouden kunnen doen, zouden ze mij misschien vriendelijker vinden. Het kan natuurlijk zijn dat jullie liegen, maar ik denk dat jullie op zijn minst avondeten hebben verdiend door me te vermaken.' Hij gebaarde naar het huis en ze slaakten een zucht van opluchting. 'Kom, laten we naar binnen gaan.'

De Dwergen stonden op met een koor aan dankuwels en hoogst vereerd en nog een paar tot uw diensten van degenen die later waren gekomen. Beorn richtte zich op tot zijn volle en uiterst intimiderende lengte en wachtte tot ze stil zouden zijn, wat niet lang duurde onder zijn blik.

'Jullie dankbaarheid zal ik accepteren,' zei hij op een erg gewichtige en strenge toon. 'Maar nog één woord over diensten en jullie staan buiten op de drempel met niets meer dan een hard korstje brood als avondeten.'

Het gezelschap hield zich wijselijk stil terwijl ze over de drempel van Beorns huis stapten.


Kindle-the-Stars:
Reacties zijn altijd welkom – wat de vraag van deze week betreft, wie is op dit moment jouw OTP?

Daarnaast kunnen jullie alle updates en sneak peeks volgen en vragen over het verhaal of de personages stellen op mijn tumblr ~kindle-the-stars


xxMarith:
En hier is hoofdstuk 20! Even een mededeling over volgende week, mijn examens beginnen morgen (mehehehhe I'm scared) en hoewel ik natuurlijk heel erg mijn best ga doen om voor zondag gewoon weer een hoofdstuk klaar te hebben, kan ik het niet met 100% zekerheid zeggen. Ik beloof echter wel dat de update zo snel mogelijk zal volgen!