xxMarith:
DISCLAIMER: Dit zal na de afgelopen 25 hoofdstukken als een grote schok komen, maar dit verhaal is niet van mij en alle eer en complimenten gaan naar Kindle-the-Stars!


"The difference between a lady and a flower girl is not how she behaves, but how she's treated."

George Bernard Shaw, Pygmalion


Inderdaad, vroeg in hun tocht naar het noorden barstte de verwachte storm los en zorgde ervoor dat het hele gezelschap ondanks hun mantels en gelaagde kleding tot op het bot doorweekt raakte. Het ongenoegen over hun vochtigheid was zo groot dat verscheidene Dwergen die daarvoor verheugd waren geweest bij het idee een bezoek te kunnen brengen aan Ered Mithrin, nu halfhartig treurden om de weinige beschutting die de bomen in Mirkwood hen hadden kunnen bieden en om het feit dat ze in dit natte weer geen vuur konden maken voor warm eten. Na de aanvankelijke stortregen daalde er een nevelige motregen neer over de vlakten, waardoor ze nooit helemaal droog werden en hun omgeving veranderde in een grijze waas.

Hierdoor was hun tocht naar het noorden zompig en eentonig, hoewel Thorin op zijn minst blij was dat de regen hen zou helpen door hun spoor uit te wissen. Ondanks het feit dat de adelaars hen een flink stuk hadden gedragen en hun verblijf bij Beorn, was hij bang dat Azog hun geur op zou pikken en ze weerloos zouden zijn, zo blootgesteld op de vlakten.

Een paar lange, natte dagen nadat ze het bospad verlaten hadden, merkte hij dat het weer om begon te slaan. De wazige mist klaarde wat op en onthulde een welkom tafereel voor hen. Hij vertraagde zijn tempo iets zodat Elizabeth, die een stukje achter hem liep, naast hem kon gaan lopen.

'Kijk daar,' zei hij, wijzend in de verte toen ze zich bij hem voegde.

Ze volgde zijn blik en fronste haar wenkbrauwen. 'Waar?'

Hij knikte naar voren en keek toe hoe haar ogen over de horizon gleden. Haar wenkbrauwen waren gefronst van verwarring en haar haar viel in vochtige slierten vanonder haar felpaarse capuchon in haar gezicht. 'Ik zie niets, wat moet ik dan zien volgens… oh…' zei ze en haar ogen werden plotseling heel groot.

Een koel briesje blies de mist weg en de bergen werden langzaam zichtbaar. Toen ze de ingang van het bos verlieten waren ze slechts een verre veeg aan de horizon geweest, maar nu torenden ze hoog boven hen uit, verscheidene mijlen voor hen. 'Is dat Ered Mithrin?' vroeg ze, haar blik wegscheurend van de bergen om hem aan te kijken.

'Technisch gezien is Ered Mithrin de bergenreeks achter deze, die je over niet al te lange tijd zelf zult zien. Ook al ligt het fort in deze bergen, die erg rijk zijn in mineralen en ertsen, zijn naam komt van de andere bergenreeks, omdat het een strategisch punt is van waaruit je de gehele bergregio en Mount Gundabad kunt bereiken,' legde hij uit, zijn ogen samenknijpend naar de verre bergtoppen.

'Gundabad?' herhaalde ze verward. 'Is dat niet waar Azog vandaan komt?'

Thorin was een lang moment stil.

'Het is niet altijd een Orkse vesting geweest,' zei hij uiteindelijk langzaam. 'De berg van Gundabad is volgens legendes de plek waar Durin wakker werd uit de slaap waar de Valar de Dwergse voorvaderen in hadden laten rusten bij het scheppen van de wereld.'

'Dus het was de eerste hal der Dwergen,' gokte ze, een ondertoon van droevigheid in haar stem omdat ze wist dat het er nu zo'n beetje krioelde van allerlei vuile schepsels.

'Nee, Durin werd daar helemaal alleen wakker en trok naar het zuiden totdat hij bij Khazad-dum kwam, waar hij het eerste Dwergenkoninkrijk stichtte,' vertelde hij haar. Deze verhalen maakten deel uit van haar nieuwe, geadopteerde cultuur en ze had het volste recht om ze te horen. 'Gundabad werd door de Dwergen altijd als een heilige plaats gezien. Er zijn uiteindelijk hallen in gemaakt ter ere van Durin, maar het werd gebruikt als afvaardigingpunt tussen koninkrijken.' Het was even stil. 'Het werd in de Tweede Era op het bevel van Sauron door Orks geplunderd.'

'Oh… Het spijt me,' mompelde ze, haar ogen terneergeslagen.

Hij zond haar een blik, terugdenkend aan hoe ze zich een paar lange weken geleden had verontschuldigd voor het verlies van zijn familie na de Slag van Azanulbizar, toen ze voor Rivendell in de wildernis hadden gereisd. 'Wederom verontschuldig je je voor zaken waar je geen deel van uitmaakte,' herinnerde hij haar eraan.

Ze schonk hem een flauwe, zijwaartse glimlach. 'Zie het als een buitenwerelds trekje,' zei ze wrang.

Ze liepen een paar minuten in stilte, waarbij het enige geluid het gespet van hun laarzen in het modderige gras was en het zachte gegons van de gesprekken van het gezelschap achter hen, en toen sprak ze weer. 'Weet je, ik ben een beetje zenuwachtig hiervoor.'

Hij keek haar vragend aan.

'Ered Mithrin,' legde ze uit. 'De helft van het gezelschap heeft dagenlang niet tegen me gepraat na mijn adoptie, hoewel het erop lijkt dat ze zich er nu bij neer hebben gelegd. En zij kennen me, maar deze Dwergen…' Ze stopte en haalde ongemakkelijk haar schouders op. 'Nou ja, ik ben bang dat ik misschien niet het warmste welkom zal krijgen.'

Dit was erg waarschijnlijk en hij wist dat de situatie tactvol en diplomatiek behandeld moest worden, hopelijk iets waar ze erg ervaren in was. 'Je hebt vast wel eerder met tegenstand te maken gehad als politiek adviseur in jouw wereld,' zei hij logisch.

'Wat?' zei ze. Ze keek hem met een verbijsterde glimlach aan. 'Ik was geen politiek adviseur.'

Hij knipperde met zijn ogen en fronste zijn wenkbrauwen. 'Ik was in de veronderstelling dat je vroeger tijd had doorgebracht met het studeren van politiek. En toen je de werking van jouw… parlement beschreef,' zei hij, aarzelend zoekend naar het woord uit hun debat van al die weken geleden, 'toen nam ik aan…'

'Nee,' lachte ze. 'Neeee, ik heb politiek gestudeerd omdat ik het interessant vond, zeker niet uit verlangen om een politicus te worden,' zei ze met een brede grijns. 'Mijn studie was meer een studie van… de wereld,' vertelde ze. 'Om te zien hoe andere landen werken, wat voor invloed cultuur en religie hebben op de wet, dat soort dingen.'

'Dus je werkt niet als adviseur voor de regering?' vroeg hij met een gevoel van ontzetting, hoewel hij dat probeerde te verbergen door zijn gezicht uitdrukkingloos te houden. Dit was een veronderstelling die hij bijna na hun eerste ontmoeting al gemaakt had, ondanks haar jeugdigheid.

'Nope,' zei ze, waarbij ze de "p" popte op haar gewoonlijke, vreemde manier van spreken. 'Ik heb afgelopen zomer in een kleine boekwinkel gewerkt,' voegde ze er terloops aan toe.

Dit verbijsterde hem – hij had haar altijd gezien als een of ander belangrijk persoon in haar samenleving. Alle tekenen van het tegenovergestelde, zoals het feit dat ze af en toe graag vloekwoorden uitte en haar soms ondamesachtige gedrag, had hij afgewimpeld als simpele cultuurverschillen tussen hun werelden. De onthulling dat ze een gewone burger was was nogal verrassend, hoewel het wel de genegenheid verklaarde die ze al vlug ontwikkeld had voor de Gebroeders Ur. Nu voelde hij zich een tikje dwaas, zowel omdat hij het idee van haar verhoogde status geloofd had als omdat hij al het bewijs had genegeerd dat deze status had tegengesproken.

'Je lijkt verbaasd,' merkte ze op, nog steeds glimlachend toen ze zijn gedachten van zijn gezicht af wist te lezen.

'Ja,' gaf hij openlijk toe. 'Je had absoluut geen moeite met het geven van je mening en het onderhandelen van je contract toen we elkaar voor het eerst ontmoetten, zelfs zozeer dat het bijna disrespectvol was. Het gaf me de indruk dat je een belangrijk persoon was in jouw wereld.'

Ze sputterde iets. 'Nou, dank u wel, uwe majesteit,' zei ze sarcastisch.

Hij fronste zijn wenkbrauwen. 'Dat was niet beledigend bedoeld.'

'Ik kan u ervan verzekeren dat ik het ook niet zo opvatte, Sire,' zei ze, duidelijk geamuseerd en een grijns onderdrukkend. 'Ik ben vereerd dat iemand zo hoog en machtig als u zich zou verlagen om een gesprek te beginnen met een simpele burger.'

Hij perste zijn lippen op elkaar bij haar woorden, die veel te dicht in de buurt kwamen van eerdere beledigingen om geruststellend te zijn. Hij herinnerde zich de scherpe opmerkingen die lang geleden waren gemaakt toen hij in mensensteden gewerkt had. Men had geroepen dat hij zich zogenaamd zoveel beter had gevonden dan zij – een kroonloze koning die in zijn eentje een kroes bier dronk achterin een kroeg, betaald met de koperstukken die hij bij elkaar had weten te verzamelen na een dag in de smederij.

Haar ogen schitterden echter van onschuldig plezier en hij bespeurde geen kwaadwilligheid in haar woorden, noch een teken van spot in haar houding. Haar woorden waren duidelijk grappig bedoeld en hij kon de humor er wel van in zien. 'Je maakt me belachelijk, Elizabeth,' merkte hij op, terwijl zijn mondhoeken lichtjes omhoog trokken.

'Neee, een simpele burger als ik zou nooit een koning durven te plagen,' kaatste ze ondeugend terug, waarna ze het puntje van haar tong tussen haar tanden stak, toekijkend hoe hij zou reageren op haar geplaag. Hij zag dat de sneeën in haar lip en slaap na Goblinstad allebei goed genezen waren en bijna geen litteken hadden achtergelaten.

Hij haakte zijn handen tijdens het lopen in elkaar achter zijn rug en bleef naar voren kijken. 'En jij vraagt je af waarom ik vond dat je een gebrek aan respect vertoonde voor het koningschap,' zei hij op droge toon.

Ze grinnikte. 'Er is een groot verschil tussen vriendschappelijk gekibbel en een gebrek aan respect,' glimlachte ze. 'En ik heb toevallig heel veel respect voor jou.'

Thorin keek haar aan bij deze woorden en zag de pure openlijkheid en vrolijkheid op haar vochtige gezicht. Hij was blij dat hij door van het pad af te wijken de voorzichtige vriendschap die zich tussen hen was beginnen te vormen niet beschadigd had – want het was wel degelijk vriendschap, ondanks de nieuwigheid. Er waren erg weinig mensen in de wereld waar hij zo tegen zou praten. Hij wist dat ze heel goed woedend op hem had kunnen zijn voor zijn beslissing om met hen naar het noorden te trekken, maar alle woede van haar kant was verdwenen na hun gesprek nadat ze de bosrand verlaten hadden.

Daarnaast had ze hem een knuffel gegeven. Hij wist dat ze openlijk was in haar uitingen van genegenheid, aangezien hij haar anderen had zien omhelzen en haar zelfs had zien stoeien met Fili en Kili toen ze haar over wapens hadden proberen te leren, maar het had… ongebruikelijk gevoeld om zulke aandacht ook op hem gericht te hebben. Voordat hij Bilbo omhelsd had op de Carrock was zijn zus de laatste persoon geweest die hem een knuffel had gegeven, vlak voordat ze hem gewaarschuwd had dat ze hem ervan langs zou geven als er iets met haar dierbare jongens zou gebeuren op dit avontuur.

'Om terug te keren naar je aanvankelijke punt,' zei hij om het gesprek weer de goede kant op te sturen, aangezien ze ietwat afgedwaald waren. 'Het is erg waarschijnlijk dat je enige tegenstand kunt verwachten, maar ik heb er alle vertrouwen in dat je die met jouw gebruikelijke directheid en vastberadenheid onder ogen zult komen.'

'De Dwergen zullen niet weten wat ze overkomt,' zei ze en ze snoof geamuseerd.

'Je nieuwe familie zal je in ieder geval trouw verdedigen,' voegde hij eraan toe. Hij wierp een blik over zijn schouder op de Gebroeders Ur, die in het midden van het gezelschap liepen.

Ze glimlachte bij deze woorden en richtte haar blik toen weer op de bergregio voor hen. 'Hoe lang duurt het nog voor we er zijn?' vroeg ze.

Hij tuurde met samengeknepen ogen naar de berg en probeerde de afstand te schatten – wat een stuk gemakkelijker ging nu de bergen zichtbaar waren in de opklarende mist. Voordat de mist was opgetrokken had hij zich niet gerealiseerd hoe hoog hun tempo eigenlijk was, maar hij was tevreden met hun vlugge vordering naar het noorden. 'We zouden deze avond bij de bergen aan moeten komen en dan kunnen we morgen beginnen aan de beklimming.'

'Beklimming?' herhaalde ze. Ze trok een gezicht bij het idee dat ze moesten klimmen.

'We naderen het fort van achteren,' legde hij uit. 'De hoofddeuren bevinden zich naast een meer, aan het uiteinde van een bosrijke vallei die aan de bergen grenst, hoewel er ook zijvalleien zijn waarlangs je naar binnen zou kunnen komen,' zei hij, knikkend naar de bergregio die zich achter het kleine groepje bergen bevond waar ze naartoe liepen, die door de optrekkende wolken en mist nu langzaam aan de horizon verscheen. 'Wij zullen echter een verborgen trap gebruiken waardoor we eerst een van de bergen van het fort zullen beklimmen en daarna aan de andere kant afdalen, zodat we naast de deuren uitkomen. Het zou niet langer dan een dag moeten duren om er te komen.'

'Trappen, klinkt leuk,' zei ze, hoewel ze opvallend onenthousiast klonk bij het vooruitzicht. De vallei zou waarschijnlijk de gemakkelijkere route zijn, maar het was ook gemakkelijker om hun voetsporen te volgen in het zachte gras. De harde rotsen van de verborgen trap boden een beter alternatief.

Hij besefte dat ze waarschijnlijk wachtposten tegen zouden komen op de Trappen van Gamril en er schoot hem iets te binnen. 'Elizabeth,' zei hij om haar aandacht weer te trekken. 'Het zou waarschijnlijk een goed idee zijn om een kap te dragen tijdens onze tocht door de bergen.'

Haar blik schoot omhoog naar de kap die zich strak om haar hoofd spande en ze keek een tikje verbijsterd door zijn suggestie. 'Een kap die je gezicht ook bedekt,' verduidelijkte hij.

'Waarom?'

'Dwergenvrouwen reizen normaal gesproken verhuld als ze buiten hun eigen kolonie zijn,' zei hij. 'Een vrouw die zo openlijk reist zou gezien worden als… ongebruikelijk. Het zou ook een goed idee zijn om je vlechtje te verbergen tot we in het fort zijn.'

Ze dacht hier even over na en knikte toen dat ze het ermee eens was. 'Oké, maar ik hoop dat je beseft dat je me zojuist je eigen mantel aangeboden hebt,' zei ze. Ze schonk hem een ietwat speelse grijns en voegde zich toen weer bij de anderen achter hen.


Ze schoten een flink stuk op die dag, geholpen door de opklarende mist. Toen de avond viel hadden ze de bergen bereikt en klommen ze de vallei uit, een stukje de trap op. Ook al betekende dit dat ze lang na zonsondergang door hadden moeten lopen, het was een wijze, tactische beslissing, omdat ze moeilijker te volgen waren op de rotsen dan op de zachte grond van de vallei. Thorin had hen verboden een vuur te maken en hoewel Dwalin hier stilletjes ontevreden mee was, moest hij het er wel mee eens zijn; het zou dwaas zijn om mogelijke problemen aan te trekken alleen maar voor een warme maaltijd, al helemaal gezien het feit dat ze in korte tijd zouden genieten van het comfort van een Dwergenkolonie.

Zoals gewoonlijk was juffrouw Darrow haar zwaardbewegingen aan het oefenen, zo goed als ze kon in het schemerlicht. Dwalin keek met een schuin oog toe terwijl hij zijn portie at van het gedroogde brood en fruit dat ze van Beorn hadden gekregen. Ze oefende nu al enkele weken en was zeker beter geworden, zelfs zoveel dat ze binnenkort echt tegen hen zou kunnen oefenen. Terwijl hij haar bekeek en nadacht over wat hij zou moeten verbeteren, zag hij dat ze plotseling stopte, haar zwaard liet zakken en aandachtig naar de vallei staarde.

Toen draaide ze zich vlug om naar het kamp en keek hem met hele grote ogen aan.

'Dwalin!' siste ze toen ze hem zag kijken, gebarend naar de plek waar haar ogen net op gericht waren.

Dwalin besefte dat ze iets gezien had en stond in een flits naast haar. En inderdaad, beneden in de vallei bewogen kleine, flakkerende lichtjes. De lichtjes bevonden zich vlakbij de plaats waar ze een paar uur geleden hadden gestaan en waar ze gekampeerd zouden hebben als Thorin er niet op gestaan had dat ze een stukje de bergen introkken.

'Laag blijven,' gromde hij terwijl hij haar met een grote hand op haar schouder naar beneden drukte.

'Zouden het de Dwergen kunnen zijn?' vroeg ze, hoewel ze niet erg hoopvol klonk dat dit het geval was.

Hij schudde zijn hoofd. 'Orks, waarschijnlijk Azog,' antwoordde hij en zijn mond vertrok tot een sneer terwijl zijn ogen de vallei afspeurden. De toegang tot de trap was goed verscholen, maar Goblins zouden weten waar de deuren van het fort waren aangezien die niet verborgen waren zoals die van Moria. Ze zouden gemakkelijk ingesloten kunnen worden als ze niet snel in beweging kwamen.

'Waarom gebruiken ze fakkels?' vroeg ze zachtjes. 'Ze moeten toch weten dat ze daardoor zichtbaar zijn.'

Dat was een goede vraag en hij dacht even na over de opbouw van de vallei voordat hij antwoord gaf. 'Ze beseffen niet dat wij ons boven hen bevinden. Als we beneden in de vallei zouden zijn, zouden hun fakkels verdekt worden door rotsen en gebladerte,' zei hij bruusk. 'Ze moeten ons naar het noorden gevolgd zijn en zijn vast op zoek naar ons spoor. Ze zullen onderhand wel weten dat we op weg zijn naar het fort.'

Hij zag dat ze haar lippen op elkaar perste en haar wenkbrauwen diep fronste. 'Wat doen we nu?'

'We vertrekken, nu,' zei hij en zijn grommende toon verborg zijn onrust. 'Zeg het tegen Thorin, we zullen de trap vannacht moeten beklimmen en heel erg hopen dat de Orks stoppen om uit te rusten, anders zullen ze de toegang tot de deuren blokkeren.'


Lothi tuurde met samengeknepen ogen naar de naderende zonsopgang tijdens het eten van zijn ontbijt, dat bestond uit koud vlees en steeds droger wordend brood. Hij slikte de hap moeizaam door, nam een slok water uit de leren zak naast zich en veegde de kruimels uit de kastanjebruine vlechten van zijn baard. Nog maar twee dagen tot hij klaar was met zijn dienst als wachtpost op de Trappen van Gamril, dan mocht hij weer terug naar het fort. Hij glimlachte bij de gedachte aan de dikke vleesstoofpot die Ristil ongetwijfeld klaar zou maken voor zijn terugkomst en voelde een steek van heimwee naar zijn vrouw en Raes, hun zoontje.

Hij nam de laatste hap van zijn ontbijt en keerde terug naar zijn positie, hoog in de vallei om de Trappen te bewaken. Zoals gewoonlijk schonk hij niet veel aandacht aan de knikjes die de andere wachtposten hem gaven omdat hij als zoon van een heer een hoge rang had. De zon was net aan de horizon verschenen toen hij plotseling verstijfde en de anderen met een handgebaar liet weten dat er mogelijk gevaar dreigde.

En ja hoor, zijn instinct bleek te kloppen en hij hoorde mompelende stemmen op de Trappen onder zich. Het klonk niet zo ruw als de Orktaal, maar hij gebaarde toch naar de anderen dat ze hun wapens gereed moesten houden.

De stemmen werden luider naarmate het gezelschap dichterbij kwam. Hij herkende het platte accent van de Dwergen aan de verre westkant van de Misty Mountains en ontspande iets, maar in deze tijden kon het geen kwaad om voorzichtig te zijn. Hij ving zijn eerste glimp op van de naderende groep: er kwam een grote groep Dwergen de hoek om lopen.

Hij gebaarde nogmaals naar de andere wachtposten en ze sprongen plotseling uit hun verborgen posten het pad op. Het naderende gezelschap trok onmiddellijk haar wapens, duidelijk gereed voor de strijd.

'Maak uzelf bekend,' beval Lothi, zijn bijl in de aanslag.

De lange, zwartharige Dwerg aan het hoofd van het gezelschap liet het glimmende zwaard dat hij in zijn handen had heel iets zakken. 'Ik ben Thorin, zoon van Thrain, zoon van Thror,' zei hij met een diepe, zware stem en zijn blik was priemend. 'Mijn gezelschap bestaat uit vrienden en familie. We zijn op weg naar Ered Mithrin.'

De wachtposten naast hem begonnen zachtjes en vol ontzag te mompelen: de koning van hun volk was in hun midden. Thorin had gezegd dat zijn familieleden zich in zijn gezelschap bevonden en Lothi's ogen gleden naar twee van de jongere leden van de groep, waarvan één een pijl op hem gericht hield. Hij herkende het koninklijke teken op de onderarmbeschermers van de ander en besefte dat dit de twee jonge prinsen moesten zijn waar hij over gehoord had, misschien zo'n tien jaar jonger dan hij. Verder stond er in het gezelschap iemand met een lange mantel en grote kap die het gezicht bedekte en het koninklijke teken was ook duidelijk zichtbaar op de zilveren gesp waarmee de mantel bovenaan vastzat.

Lothi liet zijn bijl zakken en boog respectvol zijn hoofd naar Thorin. 'Uw bezoek hier komt onverwacht,' zei hij. 'Ik ben Lothi, zoon van Lothar, de bevelhebber van dit fort. Mag ik u vragen waarom u hierheen bent gekomen, heer?'

'Dat is slechts bestemd voor de oren van uw vader,' zei Thorin streng. Hij zag er heel indrukwekkend uit met zijn zwaard nog steeds half gereed in zijn hand. 'Ik geloof dat wij gevolgd worden door Orks die nu in de vallei zijn en ons de pas af willen snijden, dus de tijd dringt. Mogen we passeren?' Het was geformuleerd als vraag, maar Lothi herkende het als de eis van iemand die gewend was zijn zin te krijgen.

'Ja, heer,' antwoordde Lothi, plotseling vergenoegd dat hij eerder terug zou keren naar het fort dan gepland. En met zulk verheven gezelschap moest er wel een feest komen, dacht hij tevreden, hoewel het nieuws dat ze achtervolgd werden hem zorgen baarde. 'Ik zal u persoonlijk escorteren.'

Thorin boog zijn hoofd in erkenning van zijn woorden, maar op dat moment kwam er een windvlaag die de bladeren om hen heen deed ritselen en de kap van de verscholen persoon te pakken kreeg en hem afblies, zodat het gezicht zichtbaar werd – het gezicht van een mensenvrouw.

Lothi knipperde met zijn ogen en zijn hoofd tolde door de implicaties van het feit dat een mensenvrouw het koninklijke symbool van Durin droeg. 'U reist met een mens, heer?' vroeg hij voorzichtig, hopend dat hij hem niet beledigde met zijn vraag.

'Vrouwe Elizabeth Darrow,' zei Thorin bij wijze van introductie, zonder haar aanwezigheid te verklaren. Hij gebaarde vaag naar de vrouw, die ietwat ontstemd leek doordat haar kap afgeblazen was. Het was de eerste mensenvrouw die hij had gezien, aangezien hij alleen maar gesproken had met de mannen die voorraadboten via de Anduin naar hen toe brachten voor de handel die ze af en toe met hen dreven. Haar figuur ging grotendeels verborgen onder de mantel, maar haar gelaatstrekken waren vreemd: veel te fijn en dun en er was geen spoor van een baard te bekennen.

Hij boog zijn hoofd naar de vrouwe, niet zeker van haar status en daarmee het eerbied dat hij haar zou moeten tonen, vooral omdat ze het koninklijke teken droeg. Toen ontdekte hij in de groep ook een kleine man met krullend haar, die ook aanzienlijke hoeveelheden haar op zijn blote tenen had. 'En wat is dit voor wezen?'

'Meneer Bilbo Baggins, een Hobbit uit de Shire,' vervolgde de koning zijn introductie, hoewel hij misnoegd leek door zijn nieuwsgierigheid. 'De rest van mijn metgezellen stammen van de lijn van Durin en andere Dwergenstammen, en nu vraag ik je nogmaals, Lothi, zoon van Lothar… mogen we passeren?' herhaalde hij, een stalen ondertoon in zijn zware stem.

Hij had natuurlijk gehoord over halflingen, maar hij begreep de aanwezigheid van deze twee leden in het gezelschap van de koning niet en het bracht een probleem met zich mee, hoe graag hij het verzoek van de koning ook wilde verwittigen. 'Wij hebben nog nooit niet-Dwergen toegestaan in Ered Mithrin.'

'Wil je hen de toegang weigeren?' vroeg Thorin. De vraag bevatte een zweem van een dreigement.

'Nee,' zei Lothi vlug, die bang was dat hij de koning had beledigd, maar ook wist dat hij zich aan hun wetten moest houden. 'Maar… ze moeten geblinddoekt worden.'

Thorin kneep zijn ogen gevaarlijk samen. 'Mijn beide metgezellen zijn trouwe vrienden en vormen geen bedreiging voor de Dwergen,' begon hij, maar de vrouw deed een stap naar voren en onderbrak hem.

'Thorin, het is prima,' zei ze tegen hem, waardoor de koning zich omdraaide en haar aandachtig aankeek. Toen begon ze heel zachtjes tegen hem te praten en Lothi ving iets op over een goede indruk maken en hen niet tegenwerken. Hij kreeg niet het hele gefluisterde gesprek mee, maar het resultaat was dat Thorin zijn zwaard weer in zijn schede stak.

'Goed, doe wat jullie willen,' zei hij hooghartig tegen Lothi.

Hij knikte naar een van de andere wachtposten en twee van hen stapten behoedzaam op de twee leden van het gezelschap af. De vrouw liet zichzelf blinddoeken met de hoogmoed van een koningin, maar de Hobbit stond het mopperend en brommend toe.

Lothi gaf een paar vlugge bevelen aan de wachtposten die achter zouden blijven en vertelde hen dat hij versterking zou sturen om de lege plekken op te vullen zodra ze het fort bereikten. Binnen een paar seconden was het hele gezelschap klaar en hij ging voorop om ze verder de Trappen op en de berg over te leiden.


Fain, de commandant van de wacht in Ered Mithrin, zat vlak boven de hoofddeuren van het fort in de bewakingskamer te genieten van een stevig ontbijt toen een van de jongere wachters naar binnen kwam stormen, zijn wapenuitrusting kletterend van de opwinding.

'Dit kan maar beter belangrijk zijn,' bromde hij terwijl hij een oude doek gebruikte voor het opruimen van de koffie die hij gemorst had toen hij schrok.

'Meneer, er is een groep Orks en wargs op weg naar de poorten,' zei de jonge Dwerg, één hand op het heft van zijn zwaard.

Het fort was al maanden niet meer aangevallen, dus dit nieuws bracht een diepe frons op Fains gezicht. 'Hoeveel?'

'Volgen mij een stuk of twaalf, meneer. Ze kwamen uit het zuiden en drongen door een van de zijingangen de vallei binnen,' antwoordde de Dwerg.

Zo weinig. Het zou zelfs weinig zijn voor een strooptocht en deze groep had het op de hoofdpoort gemunt. Fain volgde de wacht de loopbrug op zodat hij het meer en de bossen erachter kon zien. En inderdaad, er snuffelden wargs aan de oevers van het meer en er scharrelden verscheidene Orks rond, hoewel het er niet op leek dat ze van plan waren om aan te vallen.

'Zal ik een troep bijeenroepen?'

Fain schudde zijn hoofd. 'Ze vormen geen bedreiging voor ons, ze kunnen met geen mogelijkheid de deuren doorbreken,'antwoordde hij logisch. 'Als ze dichtbij genoeg komen, schiet ze dan neer, maar verder is het zinloos om levens op het spel te zetten.'

'Ze zouden de wachtposten aan kunnen vallen,' merkte de wacht op.

Dat was waar; de groep Orks mocht dan wel klein zijn, ze waren waarschijnlijk met genoeg om de wachtposten in de pas te overvallen. 'Zolang ze niet naar de Trappen van Gamril trekken, komen we niet in actie,' zei hij gebiedend. 'Breng mijn ontbijt hiernaartoe en dan zal ik de wacht houden.'

De wacht knikte en verdween van de loopbrug. Fain wreef over zijn baard, leunde tegen de reling en keek naar de Orks en wargs. De wargs besnuffelden de grond, duidelijk op zoek naar een of ander spoor, maar schijnbaar tevergeefs. Het leek bijna alsof ze ergens op wachtten, maar hij kon niet zeggen wat.

Plotseling kwam er een angstaanjagend bekende, geestachtig witte gestalte uit de bomen te voorschijn en Fains bloed veranderde in ijs.


Zowel Lothi als de andere twee wachtposten die het gezelschap van de koning escorteerden hielden zich grotendeels stil tijdens de beklimming van de Trappen van Gamril, hoewel hij een interessante ochtend doorbracht met het bestuderen van de dynamiek van de groep. Hij had ontdekt dat drie van hen, de Gebroeders Ur, Vuurbaarden waren, net als hijzelf. Hij had een poging gedaan om een gesprek te beginnen met Bombur, de dikkere, maar toen hij gevraagd had waarom ze zover naar het oosten waren getrokken was de Dwerg erg stug geworden, dus hij was maar gestopt met vragen stellen. Ondertussen hielp zijn familie de mensenvrouw bij lopen met een blinddoek. Haar handen rustten op de schouders van de wat wilder uitziende Dwerg voor haar, degene die het restant van een bijl in zijn voorhoofd leek te hebben. De vrolijke Dwerg met de muts liep achter haar en stuurde haar af en toe met zachte duwtjes een bepaalde kant op. Ondertussen gaf hij haar telkens door hoe hoog de treden waren die voor haar lagen.

Wat hem echter het meest interesseerde was dat Thorin af en toe een blik over zijn schouder wierp om te kijken hoe het met haar ging.

Bovenaan de Trappen stopten ze even om uit te rusten en hij stond toe dat de twee niet-Dwergen hun blinddoeken even afdeden. Bij de tocht naar beneden werd de vrouw geleid door de twee jonge prinsen in plaats van de Gebroeders Ur. Af en toe steeg er gelach op in het trio, ondanks haar blinddoek en de dreiging van de Orks waarvoor Thorin hen gewaarschuwd had. Lothi luisterde mee en ontdekte dat ze hen een verhaal vertelde waarin hij misschien net tweederde herkende van de woorden die ze gebruikte. Ze vertelde dat ze een keer geblinddoekt mee had gedaan aan een hindernisbaan als onderdeel van haar ontgroening voor de zwemclub op haar universiteit, waarbij ze uiteindelijk kennelijk, in haar woorden, "plat op mijn kont viel vlak voor die dude."

Ze leken weinig moeite te hebben met zowel haar onbeschaafdheid als het begrijpen van de betekenissen van een paar van die uiterst vreemde woorden en hun gelach werd als ringelende belletjes weerkaatst door de rotswand aan hun rechterhand. Volkomen verbijsterd vroeg Lothi zich af uit welk deel van Middle Earth deze vreemde vrouwe precies vandaan kwam.

De ochtend was nauwelijks voor de helft verstreken tegen de tijd dat ze om de oevers van het meer liepen en naar de hoek liepen die het laatste, korte stukje trappen naar de deuren verborg. 'We zijn bij de laatste afdaling, ze kunnen hun blinddoeken afdoen, als ze dat willen,' verkondigde Lothi aan het gezelschap. Dit was de eerste keer dat hij sprak sinds hij de vrouw en de Hobbit na de rustpauze beleefd gevraagd had om hun blinddoeken weer voor te doen.

Thorin hielp de vrouw zelf met haar blinddoek. Zodra hij los was knipperde ze met haar ogen en hapte toen naar adem toen ze zag waar ze vlak voor stond. 'Jemig, je hebt niet gezegd dat we op de rand van een klif stonden,' zei ze met een geschrokken lachje, terwijl ze automatisch wegstapte van de afgrond die zich een meter links van haar bevond. De Trappen van Gamril waren in het berggesteente zelf gehakt, maar op dit moment waren ze niet erg hoog op de berg en ze stonden naast een afgrond van zo'n vijftien meter die eindigde in het diepe, koude water van het meer. 'Hoe diep is het water?' vroeg ze nieuwsgierig, toen ze zich genoeg hersteld had van haar verrassing om over de rand naar het heldere, sprankelend blauwe meer te kijken.

'Ongeveer drie vadem,' beantwoordde Lothi haar vraag. Hij had zelf nog nooit dieper in het meer gezwommen dan zijn eigen lengte, maar anderen hadden dit wel gedaan en gepocht over de diepte.

'En nu in het Engels?' zei ze onbegrijpelijk tegen Thorin.

'Ongeveer de lengte van drie mannen,' antwoordde de koning zonder haar aan te kijken. Zijn ogen speurden langs de rotswand boven hen en het meer onder hen, op zoek naar mogelijk gevaar. Hij leek gespannen en maakte zich duidelijk zorgen over de mogelijke aanval waarvoor hij hen gewaarschuwd had.

'Vanaf deze plek naar de oever wordt het water al snel ondiep,' legde Lothi uit toen ze weer verder liepen.

De ogen van de vrouw gleden over het pad naar beneden en bekeken de deuren van het fort, die net zichtbaar werden toen ze de hoek naderden. 'Ik dacht dat Dwergendeuren onzichtbaar waren als ze gesloten waren,' zei ze. Ze keek onder de indruk naar het ingewikkelde metselwerk van de hoofdpoort van het fort.

'Niet allemaal, de deuren van Erebor zijn bijna twee keer zo groot als deze,' vertelde Thorin terwijl ze verder de hoek omliepen – waarna de koning abrupt bevroor en vloekte in Khuzdul.

Lothi volgde zijn blik en verstijfde onmiddellijk toen hij de Orks tussen de bomen van de oevers vandaan zag komen – hun toegang tot het fort was inderdaad geblokkeerd, zoals Thorin had gevreesd. Hun gezelschap werd bijna direct opgemerkt: vier ruiterloze wargs sprintten de trap op naar hen toe en hun gegrom werd weerkaatst door de rotswand. 'Wargs, we worden aangevallen!' riep Lothi, waardoor de anderen ook naar hun wapens grepen.

Voor hem greep Thorin de vrouw en duwde haar naar achteren zodat ze beschermd werd door het gezelschap, ondanks het feit dat ze haar zwaard al getrokken had. 'Blijf achter mij,' beval hij en Lothi hoorde haar protesteren. Vervolgens draaide de koning zich om, trok zijn eigen wapen en zette zich schrap om zijn gezelschap te verdedigen.

Het pad was slechts breed genoeg voor drie mensen naast elkaar en hun bewegingsruimte om te vechten werd dus beperkt. Lothi stond in de frontlinie, naast Thorin. Hij wierp een blik op de Dwergenkoning, die zijn zwaard in de aanslag had en zijn tanden ontbloot had in een grom.

De wargs vielen aan. Thorin sloeg er een op zijn nek met een goede zwaai, maar de anderen sprongen simpelweg over het lijk heen. Lothi zwaaide zijn bijl en begroef hem diep in de zij van een van de monsters. Het beest gromde en rukte zijn enorme kop alle kanten op van de pijn, waardoor Lothi van opzij geraakt werd en van de klif geslingerd werd.

Hij verloor zijn bijl tijdens het vallen en tolde rond in de wervelende lucht. Hij raakte het water met de kracht van een hamer die op een aambeeld sloeg en de ijzige kou van het smeltwater schoot pijnlijk door hem heen en dreef de lucht uit zijn longen. Hij worstelde zich naar de oppervlakte, snakkend naar adem, maar werd weer naar beneden getrokken door het gewicht van zijn wapenuitrusting.

Waarom komt Fain niet helpen? was zijn laatste gedachte voordat zijn hoofd weer onder het ijzige water verdween. Waarom hebben ze de poorten niet geopend?


De stemming van het gezelschap veranderde van redelijk ontspannen in klaar voor de strijd op het moment dat ze de hoek omsloegen om naar het fort te lopen. Toen ze de wargs gezien had had Lizzy onmiddellijk en instinctief haar zwaard getrokken en voor zich in de aanslag gehouden. Ze schrok van een sterke hand om haar middel, die haar naar achteren trok.

'Blijf achter mij,' beval Thorin, terwijl hij haar beschermend achter zich trok en zijn eigen zwaard uit zijn schede haalde.

'Ik kan vechten – ' begon ze aan te dringen, maar ze werd onderbroken.

'Het pad is te smal,' zei hij direct. 'Elizabeth, blijf achter mij.'

Lizzy moest met tegenzin toegeven dat hij een punt had. Het pad was slechts breed genoeg voor een paar mensen naast elkaar en de linkerkant werd begrensd door de afgrond met ijzig water, niet de beste plek voor een gevecht. Ze hield Naethring gereed, maar stapte onwillig terug naar de anderen waar ze beschermd werd door de rest van het gezelschap, die hun wapens allemaal in de aanslag hadden.

De eerste warg viel aan met een sprong en Thorin doodde het beest met een krachtige en zuivere klap op zijn nek. Hun gids, Lothi, had minder geluk. Hij zwaaide zijn bijl hard in de richting van de tweede warg en raakte hem van opzij, maar werd zelf geraakt toen de warg zijn kop van de pijn alle kanten opgooide. De jonge Dwerg, die wat leeftijd betrof waarschijnlijk ergens tussen Fili en Bombur in zat, balanceerde heel even op de rand van de klif voordat hij over de rand van de afgrond verdween.

Lizzy en Bilbo schoten naar de rand van het pad terwijl de rest van het gezelschap zich gereedmaakte voor de naderende overige wargs die de trap op sprintten in hun richting. Er was geen teken van Lothi te bekennen, slechts een kring van wit, rimpelend water waar hij de oppervlakte van het meer had geraakt.

'Ik geloof niet dat hij goed kan zwemmen,' zei Bilbo na een paar seconden met beverige stem, zijn eigen zwaard in zijn hand terwijl hij het water afspeurde.

Lizzy dacht niet eens na, stopte niet om even over haar handelingen na te denken. Ze stak haar zwaard haastig in haar schede en schudde haar rugzak af, zodat hij op het pad viel. Haar fleecevest en boog, veilig opgeborgen met de pijlen in de koker, volgden al vlug.

Ze deed twee stappen naar achteren. Aarzelde. Toen haalde ze diep adem en begon te rennen, waarna ze zich van het pad af wierp, in de leegte ernaast.

'Elizabeth!' meende ze Thorin te horen schreeuwen toen ze sprong.

Dit was niet de eerste keer dat ze dook, ze had in Nieuw-Zeeland met haar broertje een paar keer van een klif gedoken, maar ze had nog nooit zoveel opwinding en angst gevoeld. Het gevoel van vallen raasde door haar buik terwijl de wind om haar heen joeg. Haar lichaam nam automatisch de juiste positie aan, zodat haar armen opzij bewogen en zich toen boven haar hoofd uitstrekten terwijl zijzelf vooroverboog.

Ze raakte het water en verstijfde bijna door de kou, die als messen door haar heen stak. Ze negeerde het instinct om naar de oppervlakte te zwemmen voor lucht en lanceerde zichzelf naar beneden. Ze werd gehinderd door haar zware wandelschoenen en ze vervloekte zichzelf dat ze ze niet uitgedaan had voordat ze gesprongen was. Ze trapte ze zo vlug mogelijk uit tijdens het zwemmen en speurde met haar ogen het water af. Gelukkig was het water glashelder en duurde het niet lang voordat ze Lothi vond. Hij worstelde paniekerig om te blijven zwemmen, maar werd duidelijk naar beneden getrokken door zijn wapenuitrusting. Hij zag haar en zijn ogen werden groot, en van schrik ontsnapten er een paar luchtbellen uit zijn mond.

Lizzy besefte dat ze vlakbij de bodem van het meer waren en gebaarde met haar handen naar beneden voordat ze zijn schouders greep. Ze lieten zich naar de bodem zakken en zetten zich toen allebei hard af met hun voeten – Lothi had haar plan duidelijk begrepen en hielp zo goed als hij kon. Ze schoten naar boven en hun hoofden kwam heel even boven water uit, waardoor ze vlug en wanhopig naar adem konden snakken. Hij was nog steeds te zwaar en kon niet goed genoeg zwemmen om boven water te blijven, dus hij zonk al vlug weer naar beneden en zijn armen spartelden.

'Uitrusting, je wapenuitrusting,' sputterde Lizzy op het moment dat zijn hoofd weer onder water verdween.

Ze zoog haar longen opnieuw vol lucht en dook achter hem aan om te zien hoe hij worstelde met de gespen op zijn schouders. Hij zag dat ze hem gevolgd was en gebaarde haastig naar zijn rug. Ze zwom om hem heen, zag de gespen op zijn rug en begon vlug aan ze te trekken om ze los te maken.

Wonderbaarlijk genoeg wist ze hem los te krijgen en hij trok zijn armen uit de zware borstplaat die hij droeg, die meteen naar de bodem zonk. Ze trok hem naar boven en ze wisten nogmaals de oppervlakte te bereiken, happend naar adem.

Ze begonnen langzaam naar de oever te zwemmen, een enorme inspanning aangezien ze allebei nog steeds naar beneden getrokken werden door hun kleren. Na niet al te lange tijd voelden ze kiezelstenen onder hun voeten en slaagden ze erin naar voren te waden, waar ze vlakbij de deuren van het fort uit bleken te komen. Ze strompelden allebei druipnat, happend naar adem en steunend op elkaars schouders door het minder diepe water.

Door het hele gedoe van het in het water duiken was Lizzy helemaal vergeten dat ze werden aangevallen. De meeste Orks en wargs waren bezig met het aanvallen van het gezelschap, dat zich een weg vocht naar de grote deuren van het fort. Haar hart trok samen van angst toen ze zag hoe Azog het gevecht bekeek, zittend op zijn warg, zijn smalle mond geopend in een grom van ongenoegen en zijn haatdragende ogen gericht op Thorin. Op dit moment waren de aantallen aan beide kanten redelijk gelijk verdeeld en alle leden van het gezelschap waren sterke vechters, maar haar vrienden waren in gevaar en ze konden zeker wel wat versterking gebruiken.

Lizzy liet Lothi los en begon te rennen, spetterend door het ondiepe water totdat ze op het droge stond, vlak voor de prachtig gekerfde deuren van Ered Mithrin. Ze bonsde met beide vuisten op de poorten. 'Help ons!' schreeuwde ze tegen het harde steen, terwijl haar doorweekte kleren aan haar lichaam kleefden.

De deuren bleven gesloten.

Ze slaagde er alleen maar in de aandacht op zichzelf te vestigen. Ze hoorde een grom van achter zich en draaide zich om om te zien hoe een warg en ruiter op haar af kwamen rijden. De Ork hield zijn zwaard vast en gaf haar een dreigende, snerende grom. Ze trok Naethring opnieuw tevoorschijn, die op wonderbaarlijke wijze nog steeds in zijn schede zat na haar duik, en zette zich met bonzend hart schrap voor de Ork.

De Ork was er overduidelijk van overtuigd dat hij haar in een hoekje had gedreven en kwam langzaam en arrogant dichterbij. Ze twijfelde of ze aan moest vallen, aangezien ze tijdens haar vechtlessen geleerd had dat het vaak beter was om je te verdedigen dan om een vijand een mogelijke opening te geven door als eerste aan te vallen. Toen de Ork nog maar een meter bij haar vandaan was, werd hij op zijn hoofd geraakt door een steen, waardoor hij bijna uit zijn primitieve zadel viel. Ze keek achterom en zag dat Lothi nog steeds in het ondiepe water stond en bukte om nog een steen te pakken. Hij gooide met dodelijke precisie en wist deze keer de warg te raken. Natuurlijk richtte de steen weinig schade aan, maar het zorgde er wel voor dat de warg zijn kop draaide om naar de jonge Dwerg te grommen, waardoor Lizzy de opening kreeg die ze nodig had.

Ze sprong naar voren, stak haar zwaard van opzij diep in de nek van de warg en bukte vlug toen het kromzwaard van de Ork haar kant op zwaaide, nadat zijn eigenaar zich weer overeind gehesen had in het zadel. Het zwaard zwaaide over haar hoofd en de arm van de Ork zwaaide door de beweging breed mee, wat haar nog een opening bood. Ze trok haar zwaard los en stak hem omhoog, door het met metaal beslagen leren vest en in de borstkas van de Ork. Door deze aanval stroomde smerig zwart bloed over haar hand en arm – het was walgelijk warm en stonk vreselijk.

Zowel de warg als de Ork zakten echter dood op de grond. Ze liet haar zwaard zakken en staarde geschokt naar hun levenloze lichamen.

Lothi sprintte langs haar heen en bonsde met een vuist op de deur. 'Open de deuren!' beval hij luid en ze kwamen onmiddellijk in beweging en zwaaiden langzaam en zwaar naar buiten. Er kwam een kleine groep zwaarbewapende Dwergen naar buiten, die zich opsplitsen in tweeën terwijl ze om haar heen marcheerden. Ze hoorde een luide brul en draaide zich net op tijd om om te zien dat Azog zijn troepen een teken gaf. De overgebleven Orks hadden de nieuwe versterkingen ook gezien en begonnen richting de bomen te vluchten.

Lizzy werd plotseling bij haar arm gegrepen en door Lothi achteruit meegetrokken naar het fort, terwijl ze nog steeds probeerde te zien wat er gebeurde en paniekerig probeerde te ontdekken of haar vrienden veilig waren. Eenmaal door de deuren heen zag ze verscheidene leden van het gezelschap richting het fort rennen terwijl de Dwergen van Ered Mithrin de laatste Orks op de vlucht joegen. Ze zag Bilbo, die zo goed was geweest om haar tas mee te nemen, terwijl Ori haar boog en fleecevest droeg. Thorin bleef staan op wat zojuist nog het slagveld geweest was, zijn blik gefixeerd op Azogs terugtrekkende rug, zijn bloederige zwaard nog steeds in de aanslag en zijn tanden ontbloot.

'Thorin!' riep ze toen ze zag dat hij een stap weg deed van het fort.

Hij aarzelde bij het geluid van haar stem en draaide zich toen om om naar de deuren te joggen. Hij was als laatste binnen en zodra hij er was begonnen de deuren stilletjes weer dicht te zwaaien. De opening van licht versmalde tot een gloeiende kier totdat de deuren met een dreigende bons dichtsloegen, waardoor ze in het schemerduister werden gestort en vastzaten in de berg.


Kindle-the-Stars:

Zoals altijd zijn reacties zeer welkom!

De vraag van deze week… waar zou je het meest van genieten als je je favoriete plaats in Middle Earth mocht bezoeken?

Daarnaast kunnen jullie alle updates en sneak peeks volgen en vragen stellen op mijn tumblr ~kindle-the-stars

:)


xxMarith:
Eh - right. Dit was niet helemaal de zondag die ik in gedachten had toen ik zei dat het volgende hoofdstuk zondag weer zou komen, en dat spijt me echt. Het hoofdstuk heeft eigenlijk de hele week klaargestaan op mijn laptop, maar ik had hem nog niet gecontroleerd en dat moet ik echt doen voordat ik het post, want er staan vaak zoveel rare spelfouten in (in mijn haast om alles te typen vergeet ik steeds letters, het is bijzonder frustrerend). Ik heb het echt heel druk gehad deze week en tja, vandaar het uitstel, maar hier dan toch het hoofdstuk (hij is in ieder geval lang, misschien is dat een troost?) (:

Nog een vervelende mededeling, het zou goed kunnen dat updates vanaf nu onregelmatig gaan worden omdat ik binnenkort op vakantie ga en dan kan ik waarschijnlijk niet updaten. Sorry daarvoor, maar ik blijf zo vaak mogelijk posten!