AN: Het spijt me zo vreselijk erg voor de mega late update! Ik zat gewoon echt moer, en moer vast met dit hoofdstuk, maar nu uiteindelijk is de update dan toch hier! Het hoofdstuk is iets langer dan normaal, en het kan best zijn dat het ook wat saaier is dan normaal. Dit gebeurd nou eenmaal als jullie al 11 boetes hebben gelezen, en ik al 11 boetes heb geschreven. Toch hoop ik dat jullie er van zullen genieten.
Dus hier: De aller laatste boete. (Veel lees plezier!)
District 12 - Lyanna Larone (14) POV. Boete Dag.
Met mijn ogen dicht liet ik me rustig terugvallen in het gras. De sprietjes prikten in mijn haar en kietelden mijn wangen. Ik voelde de koude temperatuur ervan door mijn huid heen prikken, maar de glimlach die ik op mijn gezicht had verdween niet.
Langzaam opende ik mijn ogen en zag in de ijzige blauwe lucht boven mij verschillende kleine witte wolkjes langs drijven. Ze leken zo vredig, zo rustig. Alsof er niks aan de hand was. Zouden de wolken hun regen laten vallen als ze wisten wat er zou gaan gebeuren vanmiddag? Zou het ze wat uitmaken?
Dagdromend bleef ik naar ze staren terwijl de zachte koude wind door mijn haar heen waaide. Ik zag de zon fel schijnen, maar er drong geen warmte door in mijn lichaam.
'Ben je bang voor vandaag?'
De zachte, maar plotselinge stem van Veronique, mijn beste vriendin, haalde me uit mijn gedachtes. Mijn gedachtes waar alles rooskleurig was. De werkelijkheid was behoorlijk anders. En dat was al te zien aan Veronique zelf.
Ze lag naast me op het gras, maar keek me niet aan. Ik kon zo alle ribben van haar borstkast tellen en haar wangen waren vreselijk erg ingevallen. Haar ogen stonden mistroostig en toen ze me plots aankeek wist ik dat ze mijn antwoord niet wilde horen.
Natuurlijk was ik bang voor vandaag. Ieder kind was bang voor een dag als deze. Maar mijn nachtmerries waren nog net iets erger dan die van de andere kinderen in het District.
'Nee. Nee, ik ben niet bang,' mompelde ik terug en ze bleef me even aankijken waarna ze haar hoofd weer afwendde.
Ze wilde mijn waarheid niet horen en dat kon ik aanvoelen. Hoe kon ik haar vertellen dat ik doodsbang was dat ik zou worden getrokken? Net zoals mijn broer zes jaar geleden was getrokken. Hoe kon ik haar vertellen dat ik nog steeds, na zes jaar, elke nacht dezelfde nachtmerrie had. Van mijn broer en hoe hij bruut en genadeloos werd neergestoken door zijn bondgenoot in een arena vol met moordenaars.
De herinnering begon zich net opnieuw af te spelen voor mijn ogen toen Veronique plots mijn hand vast pakte. Haar koude bottige vingers voelden onnatuurlijk aan, maar ik durfde er niks over te zeggen.
'Lyanna, kijk!'
Ze wees in de richting van het hek en het bos waar wij tien meter vandaan zaten. Ik kneep mijn felblauwe ogen samen, omdat ik niet geloofde wat ik zag. Mijn lange, sluike, blonde haar werd door een windvlaag in mijn gezicht geblazen waarna ik het geïrriteerd wegduwde.
Nog geen honderd meter verderop liepen er zes personen langs de bosrand en verdwenen ze één voor één het bos in. Het waren kinderen. Niet ouder dan achttien jaar. Kinderen die vluchtte voor de Boete.
Nog voordat ik besefte in wat voor gevaar die kinderen zich nu bevonden voelde ik hoe Veronique haar graatmagere vingers zich om mijn pols heen sloten en me omhoog trokken. Ik wilde gelijk protesteren en haar magere lichaam terug trekken met de weinige kracht die ik bezat in de mijne, maar ik deed niks. Ik liet me door haar meevoeren naar het hek.
Ik verweet het aan mijn nieuwsgierigheid, maar stiekem was het ook een andersoort gevoel dat zich binnenin mij bevond. Een gevoel van avontuur, van spanning. Van moed.
Het roestige oude hek wat Veronique en mij gescheiden hield van de kinderen voelde ijskoud en gevaarlijk aan. Er stond al jaren geen stroom meer op. Ik kon het me zelfs niet meer herinneren of er ooit stroom op had gestaan, maar toch hingen er borden met waarschuwingen erop. Wie voorbij dit hek kwam had een behoorlijk grote kans om afgemaakt te worden. Net zoals de kinderen bij de bosrand. Vooral op een dag als deze. Op de dag van de Boete.
Het geklingel van het ijzeren hek wat beweging ondervond zorgde ervoor dat ik Veronique opmerkte. Ze duwde de bedrading aan de kant zodat ze er onderdoor zou kunnen kruipen. Alarmbellen rinkelden zachtjes in mijn achterhoofd, maar ik negeerde ze. Ik bleef Veronique alleen maar aanstaren met een expressieloos gezicht.
'Ga je niet mee?'
Ze stond al aan de andere kant van het hekwerk en keek me vreemd vragend aan. Wilde ik mee? Ik wist het zelf niet eens. Het was absoluut niet slim om te doen en daarbij kwam dat mijn verlegenheid en mijn vertrouwproblemen er ook niet echt aan meehielpen.
'Misschien hebben ze wel hulp nodig,' mompelde Veronique zachtjes terwijl ze achterom keek naar de kinderen. Vanaf hier was zelfs te zien dat ze uitgemergeld waren. En dat de kansen niet echt in hun voordeel zouden zijn tijdens de Boete.
'Vertrouw me nou Lyanna.' Ze duwde haar hand door het hekwerk heen en hield hem uitgestoken voor mij.
Vertrouwen.
Zij was samen met mijn familie de enigste persoon in heel District 12 die ik volledig vertrouwde. Waar ik blind naar zou luisteren. En nu ik haar zo zag staan met haar donkere haar en haar grijze ogen vol emoties, wist ik dat ik haar toch wel zou volgen. Waar ze ook heen zou gaan.
De wind ruiste opnieuw door mijn haren heen toen ik onder het hek doorkroop. Mijn handen waren gevoelloos geworden door de kou die nog steeds rondhing in District 12. Er waren dit jaar dan ook veel meer doden gevallen door de winter dan normaal. Zoals Veronique'szusje. Misschien was dat ook wel een reden waarom ze achter de kinderen aan wilde gaan. Om hen te redden. Want dat had ze bij haar zusje niet gekund.
Veronique's handen omklemden mijn bovenarmen als klauwen toen ze me omhoog hielp. Ze gaf me een kleine glimlach en greep daarna mijn hand vast, ook al kon ik de warmte van de greep niet voelen. Alles leek steeds meer te bevriezen met hoe dichter we bij het bos kwamen. Bij de kinderen.
Hun gestaltes begonnen vorm aan te nemen en de zes onbekende personen merkten ons plots ook op. Ze keken ons eerst geschrokken en angstig aan en een klein meisje wilde al wegrennen, maar een grotere, oudere jongen hield haar tegen. Hij stapte defensief naar voren toe en deed zijn armen over elkaar.
'Wat willen jullie?' riep hij hard en fors en zijn stem dreunde door mijn lichaam heen. Hij stond met zijn gespierde armen over elkaar en overal op zijn lichaam zaten vieze moddervegen. Zijn warrige donkerbruine haar stond verfraaid overeind en zijn ijsblauwe ogen keken mij koud aan. Het kleine meisje wat hij had teruggetrokken verschuilde zich angstig achter hem. Ze had stijl rood haar tot aan haar schouders en haar licht blauwe ogen flikkerden tussen mij en Veronique heen. Ze was uitgemergeld en het was duidelijk te zien. Naast haar stond een meisje met een vurige blik en koperkleurighaar. Ze was mager, maar gespierd. Ze had duidelijk minder zorgen over de situatie dan het kleine meisje naast haar.
'Wat willen jullie?' bulderde de voorste jongen nog eens. Ik kon niks uitbrengen, maar Veronique begon langzaam hakkelend te praten. Plots bewoog er nog een andere jongen uit de groep die zich meer op de achtergrond hield. Zijn krullende bruine haar hing nonchalant voor zijn heldere blauw-grijze ogen die plots met een bepaalde emotie in de verte keken.
'Waar komen jullie vandaan?' hoorde ik Veronique met een vastere stem vragen. Het viel me toen pas op dat hun uiterlijke eigenschappen van elk van hen niet echt bij District 12 pasten. Ze hoorden hier helemaal niet thuis. Ik had ze dan ook nog nooit eerder gezien.
De groep viel plots stil en ik merkte dat aan de linkerkant van de groep een meisje en een jongen dichter tegen elkaar aankropen. Het meisje had een woeste zwarte krullenbos, maar haar ogen waren gesloten terwijl ze haar gezicht in de nek van de jongen naast haar had verscholen. Ze hield hem vast rond zijn middel en aan zijn hand terwijl zijn arm beschermend om haar schouder heen hing. Zijn donkerbruine halflange haar hing woest en warrig als of hij al dagen in de wildernis had geleefd. Zijn groene ogen keken mij koud en steenvastaan. Hij wist iets wat Veronique en ik niet wisten. En ik wist niet zeker of ik het wel wilde weten.
'We komen nergens vandaan,' siste het meisje met de koperkleurige haren plots naar ons en met dat gezegd, draaide ze zich om en wierp ons nog een laatste boze blik toe. Ik voelde de rillingen over mijn rug heen lopen en greep Veronique's hand nog steviger vast.
De voorste jongen draaide zich ook al snel om en het kleine meisje volgde hem al snel terwijl ze ons nog over haar schouder heen een angstige blik schonk. De jongen met de krullen greep plots een groot kapmes van zijn riem waarna ik gelijk mijn adem inhield en mijn handen voor mijn mond sloeg. Maar hij sloeg niet toe. Hij draaide zich alleen om en keek niet terug.
Nog steeds met mijn handen voor mijn mond geslagen ontmoette ik de blik van de jongen die het meisje dicht tegen zich aanhield weer. Hij keek me voor een moment kort aan, ook al leek het een eeuwigheid te duren. Daarna gaf hij het meisje naast hem een kus op haar voorhoofd en fluisterde iets in haar oor. Ze hief haar hoofd van zijn schouder en keek hem even aan waarna ze zachtjes knikte. Hierna draaide ze zich om zonder ons nog een blik te geven.
'Ik weet dat jullie ons niet zullen verraden. Maar ga terug naar jullie District. En zoek ons niet op.' Hij keek nog even naar Veronique die stilletjes trillend naast me stond, en draaide zich daarna om.
Ik durfde hem niet na te kijken. Het enige wat ik deed was Veronique's hand pakken en me met een stevige draai omdraaien om weg te gaan. We hadden hier nooit moeten komen. Die kinderen hadden zelf de keuze gemaakt om weg te gaan, en ik wilde niet weten waar ze vandaan kwamen.
Veronique stribbelde niet tegen terwijl ik haar meetrok naar het open veld. Het hek leek opeens kilometers ver weg en de hartslag die in mijn keel begon te bonken verdoofde mijn gehoor. Ik hoorde onze gehaaste voetstappen niet en zelfs niet Veronique's gehijg. Het enige wat ik hoorde was mijn hart dat zo hard klopte dat de hele wereld het wel moest horen.
En toen was er die gil. Zo oorverdovend luid dat ik Veronique los liet en mijn handen tegen mijn oren aansloeg. Er kwamen er meer. Steeds meer. Het werd een koor van gillen en ze kwamen allemaal van achter ons. Ik wist van wie de gillen afkomstig waren en al het bloed zakte weg uit mijn gezicht. Mijn eerst zo ijskoude handen brandde nu met een jeukend gevoel waardoor ik mijn oren alleen nog maar steviger vast greep.
'Blijf staan jullie!'
De zware stem leek zo erg in contrast te staan met de gillen van de kinderen dat ik hem eerst niet goed hoorde. Pas toen Veronique mijn bovenarm weer met haar klauw handen vast greep kwam ik weer bij bewustzijn.
Ik liet me leiden door haar en durfde een blik naar achteren te werpen. De schimmen van de kinderen staken zacht en luguber af tegen het dode bos wat geen enkel blad vast hield. Ik kon zo zien wie er nog stonden en wie er als lappenpoppen op de grond waren gevallen. Nog geen tien meter van hen af stonden drie vredesbewakers. In hun witte pakken die zo fel leken dat het pijn deed aan mijn ogen waardoor ik niet langer naar het scenario kon kijken.
Maar toen de luide knallen van geweren in de ochtendbries klonken, kon ik mijn ogen niet meer van het tafereel houden. Ze werden allemaal genadeloos neergeschoten. Op de jongen met de groene ogen en de bruine lange haren na.
'Lyanna!' gilde Veronique plots en ik draaide me verschrikt om waarna ik een vredesbewaker 20 meter van ons vandaan zag staan aan de zijkant van het hek. Ik zag zijn mond niet bewegen, maar ik hoorde zijn stem door mijn hoofd donderen. Het enige wat ik zag was het hek en het gat wat er in de onderkant in zat. Ik duwde Veronique er zowat doorheen en volgde zelf meteen terwijl ik mijn adem inhield.
Het laatste wat ik zag was de jongen die nog overeind stond te midden een groep dode kinderen die op de grond lagen verspreid.
District 12 - Leandros Patterson (17) POV. Boete dag.
Mijn ruwe handen gleden over de rondingen van haar lichaam. Haar huid voelde satijnzacht aan en ik merkte hoe mijn gehele lichaam pulseerde elke keer als ik haar lichaam weer onder mijn handen voelde glijden.
Haar gouden haar lag als een aureool rondom haar hoofd heen verspreid op het kussen. De honinggeur die ervan af kwam stroomde door mijn neus heen en bleef daar hangen als een zoete aroma die ik nooit zou vergeten.
Ik bestuurde haar gezicht. De sproetjes die over haar kleine fragiele neus verspreid waren. Haar roze lippen die lichtelijk open waren en bijna leken te smeken om mijn aanraking. Haar groene ogen die waren gesloten, maar waarvan ik wilde dat ze open waren. Zodat ze al mijn bewegingen kon zien, ze kon volgen en zou hunkeren naar meer.
Mijn vingers volgde de contourlijnen van haar gezicht en gleden langzaam naar haar voorhoofd toe. Ik voelde iedereronding, iedere rand en ieder kuiltje. Haar fijne en zachte wangen veranderden van vorm door haar glimlach, terwijl haar warme adem mijn hand leek te verwarmen. Mijn vingers gleden naar haar lippen toe die zich langzaam openden.
De vochtige binnenkant van haar mond liet mijn bewegingen bevriezen. Ik boog mijn hoofd dichter naar die van haar en haar groene ogen opendenzich langzaam.
'Kus me. Leandros, kus me.' Mompelde ze en de grijns die op haar gezicht zat bleef niet lang, aangezien mijn lippen deze al snel verborgen.
Aryn.
Haar naam was het eerste wat me te binnenschoot toen ik wakker werd. Ik lag keurig recht in mijn bed met mijn handen strak langs mijn zij. Mijn ademhaling was normaal, rustig. Niet wild of zwaar zoals ik zou verwachten. Mijn rug was ook niet bezweet, maar voelde eerder koud aan.
Koud.
Een gevoel die ik het laatste jaar steeds meer voelde. Niet door het weer dat niet boven de achttien graden leek te willen komen, maar eerder door de gebeurtenissen die zich hadden voorgedaan. Er leek een koelte rond te hangen overal waar ik kwam. Een koelte die met me mee leek te reizen en me nooit leek te verlaten. Behalve in mijn dromen. In mijn dromen was er warmte en een stroming van geuren die allemaal terug leken te leiden naar Aryn. Alsof ze echt naast me lag. Alsofik mijn gezicht weer in haar haar kon verbergen, zodat ik de rest van de wereld niet meer hoefde te zien.
Maar dan werd ik wakker. Koud, stijf en recht.
Net zoals haar lichaam die in de donkere grond lag van de begraafplaats. Haar gouden haren vies en smerig en haar porseleinen huid grauw en levenloos. Ik kon er niet aan denken. Wilde er niet aan denken, maar toch gingen mijn gedachtes er automatisch naar toe op deze dag. De dag van de Boete.
De zon die plots op mijn bed scheen kleurde mijn dekens faal goud. Ik streelde er zachtjes met mijn vingers overheen, maar kon de schoonheid er niet van appreciëren, omdat de beelden in mijn hoofd nogzo vol zaten met verderf en dood.
Denkend aan haar graf en de verwelkte bloemen die erop stonden had ik de neiging om gelijk te gaan. Haar op te zoeken, ook al wilde ik het niet zien. Ik wilde niet geconfronteerd worden met de werkelijkheid dat ze dood was. Dat ze in de koude, kille grond lag-
Een plotselinge luidde bonk liet me opschrikken. Ik duwde de dekens aan de kant, stond vlug op en opende de deur van mijn kamer. De hal was verlaten, maar de bonk echode nog door in mijn hoofd. Ik hoorde niemand schreeuwen dus ik hoefde er niks van te denken, maar toch gingen mijn gedachtes gelijk uit naar mijn vader.
Mijn vader in zijn krakkemikkige rolstoel.
'Vader?' Mijn stem galmde door de hal heen, maar niemand reageerde. Op blote voeten liep ik met gefronste wenkbrauwen naar zijn kamer toe. Even bleef ik ervoor stil staan, luisterend naar geluid. Toch besloot ik al snel de deur open te doen, maar ik merkte direct dat er niemand in de kamer was.
'Wat doe je?' Geschrokken draaide ik me om, waarna ik mijn broer met een vreemde glimlach achter mij zag staan. Met zijn gespierde armen over elkaar heen bekeek hij me bestuderend.
'Niks. Ik hoorde een bonk en dacht dat het vader was.' Gefrustreerd ging ik met mijn hand door mijn halflange blond-bruine haar heen. Mijn broer Sarre kon er ook niks aan doen dat ik me zo gefrustreerd voelde, maar ik wilde gewoon met niemand praten. Niet over vandaag, niet over de Boete. Over niks.
'Dat was waarschijnlijk het houtblok beneden waar ik mee bezig ben. Ik heb een opdracht gekregen voor een klein houten beeld van het staatslogo.' Grijnzend liep hij langs me heen terwijl ik hem langzaam volgde.
'Laat me raden, een opdracht van een vredesbewaker zeker?' vroeg ik ongeïnteresseerd
'Jup. En ik krijg er dik voor betaald ook.' Ik schudde mijn hoofd zachtjes zuchtend heen en weer en keek toe hoe Sarre de trap half denderend afliep. Het maakte hem niks uit van wie hij zijn opdrachten kreeg, als hij maar geld verdiende. Bij mij was dat wel anders. Ik nam geen opdrachten aan van vredesbewakers. Van niemand niet die iets te maken had met het Capitool.
De geur van vers hout stroomde plots door mijn neusholte heen en voor even bleef ik stil staan op de onderste tree van de trap. Hout was het geen waarvoor ik leefde, waaraan ik elk uur van de dag besteedde. En waardoor mijn gedachten weg bleef bij Aryn. Hout was mijn enige remedie tegen haar dood.
En nu rook de gehele woonkamer ernaar. Ik rook niet het verse brood dat op tafel stond, of de dampende mokken thee. Nee, ik rook alleen het houtenbeeld wat midden in de woonkamer stond te wachten om bewerkt te worden door mijn broer.
'Leandros,' Ik schrok op van de diepe stem van mijn vader. Ik draaide mijn hoofd en zag hoe hij zijn rolstoel richting mij toe probeerde te krijgen, maar de wielen waren zo slecht dat het rijden nauwelijks ging.
'Vader, blijf toch daar.' Hij glimlachte zwakjes naar me, maar deze verdween al snel. Sinds vijf jaar terug was mijn vader verlamt aan zijn benen. Hij was ook een houtsnijder van beroep, net zoals Sarre en ik nu zijn, maar tijdens het kappen van een boom ging er iets mis en werd zijn gehele onderlichaam geplet door een boomstam. Ik en Sarre vonden hem net op tijd, anders had hij het niet eens gered. Dan was hij er ook niet meer.
'Hoe laat begint de Boete?' Door zijn zware ondertoon leken zijn woorden nog meer op mijn schouders te wegen. De Boete. Hij weet dat het een marteling is voor mij, maar ik verborghet. Ik wilde er niet over praten.
'Over anderhalf uur pas.' Hij opende zijn mond om nog iets te zeggen, maar leek zich dan toch te bedenken. Ik draaide me om, om een snee brood en een mok dampende thee te pakken, maar ik voelde zijn blik in mijn rug. Ik wist dat hij me bestudeerde met gefronste wenkbrauwen. Hij was altijd al bezorgd geweest en vandaag nog meer dan anders.
'Sarre, loop jij met je broertje mee naar het plein?' Voordat Sarre ook maar kon beginnen met zeuren, onderbrak ik hem al en schudde mijn hoofd met een grimas.
'Nee, dat hoeft niet. Ik wil eerst nog bij iemand langs.' Mijn vaders diep grijze ogen keken mij vragend aan. Ogen die ik had geërfd. Ogen die toch moesten zien dat ik liever alleen wilde zijn vandaag, en absoluut geen ruzie wilde hebben met Sarre over dat hij mee moest lopen naar de Boete.
'Bij wie?' Ik draaide me om en wilde de trap al op lopen, maar stopte toen ik de krakende wielen van mijn vaders rolstoel hoorde. Hij deed moeite om me te begrijpen, maar ik wilde het niet. En toen ik me maar half omdraaide en zijn blik ontmoette snapte hij wie ik bedoelde. Aryn.
En zonder nog op verdere vragen te wachten of commentaar van Sarre liep ik de trap op en sloot ik even later mijn kamerdeur met een zachte klik.
Tergend langzaam waste ik mijn gezicht en kleedde ik me om in een witte blouse en een donkerbruinebroek. Ik greep mijn ketting van het nachtkastje af, waar een klein, versleten, houten hondenbeeldje aan hing. Het eerste beeldje wat ik had gesneden uit hout, en ik droeg het altijd bij me.
Even later waaide de koude wind door mijn haar heen en liep ik langzaam met mijn hoofd stijf naar voren en mijn ogen strak naar de grond gericht naar de begraafplaats. Naar het graf van Aryn.
Sum quod eris.
Ik had die tekst al honderd keer gelezen. Ik kon de woorden voor me zien zweven met hun krullerige letters in het uitgehakte steen, maar ik wist nog steeds niet waarvoor ze stonden. Wat ze op haar grafsteen deden. Waarom die woorden haar laatste nagedachtenis waren.
Ik ben wat jij zult zijn.
Het deed haar geen goed. Het liet me geen prachtige herinnering aan haar ophalen. Het stond daar maar. Stijf, koud en gevoelloos. Precies zoals haar lichaam er nu metersonder lag. Ik bukte neer voor haar steen en veegde de douwdruppels er van af. Niks mocht ervoorzorgen dat ze zou vervagen, ik wilde haar altijd blijven herinneren. Haar altijd blijven zien.
De verwelkte bloemen die voor haar steen lagen had ik pas een paar dagen terug daar neergelegd. Maar steeds leken ze het maar een dag uit te houden voor haar graf. Niks wilde hier leven. Alles ging hier dood. Met mijn koude handen veegde ik het gebroken en rottende bosje bloemen weg en verving ze door een nieuw bosje.
Ik plukte altijd zoveel mogelijk bloemen, hopend om haar pure honinggeur weer tot leven te laten wekken, maar het enige wat ik rook was de muffe geur van de begraafplaats. Nooit de honinggeur waar ik altijd zoveel van had gehouden, en waar ik nog steeds van hield. En die ik nergens anders kon terug vinden.
Terwijl ik nogmaals naar de tekst op haar graf en haar naam die er sierlijk onder stond geschreven staarde, hoorde ik in de verte de bel van de boete.
De boete. Hetgeen wat haar leven had genomen. Precies een jaar geleden was ze haar dood ingestuurd. Als zestienjarig meisje uitgekozen om te vechten tegen brute moordenaars. Maar ze stond geen kans. Nog geen week later was ze dood en ontving haar familie haar lichaam in een zwarte grafkist. Dood. Gemarteld en vermoord.
En nu hoorde ik dezelfde bel die opnieuw de dood aankondigde van een Tribuut. Opnieuw werden we opgeroepen. Opnieuw werd er een tijd van dood een moord aangekondigd.
Lyanna Larone (14) POV.
Veronique hield nog steeds mijn hand vast met zo'n vaste greep dat ik me af vroeg of ze me vandaag nog wel los zou laten.
We stonden doodsbenauwd en met lijkbleke gezichten midden in de hoofdstraat die naar het plein leidde. Ik hoorde mensen praten en soms zelfs wat kindergejank er tussendoor. Iedereen leek wel in rep en roer te zijn, maar in mijn hoofd was het nog duizendmaal zoveel erger. Ik kon niet rustig nadenken. Overal was er een storm van gedachtes en als ik mijn ogen sloot dan zag ik de kinderen weer voor me verschijnen. Hun dode lichamen die op de grond lagen terwijl die ene jongen er als een overlevende tussen stond. Als een winnaar.
Plots schalde de luide bel van het gerechtsgebouw door de straat heen. Ik voelde hoe Veronique nog harder in mijn hand kneep en alles leek stil te worden. Ik hoorde niemand meer, alleen de bel nog.
Er zouden vredesbewakers zijn op het plein. Het zouden er tientallen zijn, misschien wel meer. En ze zouden me allemaal bekijken. Ze zouden me in de gaten houden en ze zouden me herkennen. Dan was ik er geweest.
Meer mensen kwamen de straat ingelopen. Oudere kinderen die de handen van hun broertjes of zusjes vasthielden of ouders die krampachtig hun zoons en dochters vastgrepen. Niemand wilde iemand verliezen vandaag. Maar het moest. Er moest iemand worden gekozen.
'Kom op Lyanna... Wij moeten ook gaan,' hoordeik Veronique zachtjes fluisteren en steeds meer mensen botsten tegen mijn schouder aan. Ik keek haar aan en knikte langzaam terwijl we onze greep nog meer verstevigden.
Niet veel later stonden we samen in het vak van de veertienjarigen. Steeds meer meisjes kwamen erbij staan en langzamerhand werden we op elkaar gedrukt als varkens die te wachten stonden voor de slacht. Er hing een gespannen sfeer rond in de lucht en overal waren kinderen aan het fluisteren.
Plots verdween al het geluid van het plein en was er alleen nog het zoemende geluid te horen van de microfoon op het podium. De magere, slungelige burgemeester stond er met een asgrauw gezicht voor. Hij trok zijn stropdas wat losser en begon hakkelend en stotterend het Verdrag voor te lezen van het papiertje in zijn handen.
Iedereen staarde met holle ogen naar het podium, maar de woorden leken bij mij niet door te dringen. Ik kon alleen maar kijken naar de bol met papiertjes. Ergens daartussen zaten er papiertjes met mijn naam erop.
'Dank u burgemeester, voor die... spannende speech.' De vloeiende diepe stem die plots over het plein heen galmde kende ik niet. Ik had hem nog nooit eerder gehoord en nieuwsgierig draaide ik mijn hoofd naar de microfoon toe.
Er stond een grote, stevige, bruuske en lange man voor de microfoon met een kleine glimlach op zijn gezicht. Mijn adem stokte in mijn keel bij zijn aanzicht. Iedereen op het plein leek zijn ogen op hem gericht te houden, maar niemand zei wat.
Ik wist niet eens zeker of ik het wel een man kon noemen. De gehele linkerkant van zijn lichaam bestond uit ijzer. Zijn linker gezichtshelft was dat van een robot en zijn oog was een zwarte bol met een rood lampje als pupil. Ik kon de bedrading zelfs vanaf hier zien zitten. Zijn lippen misten en zijn parelwitte tanden leken als een skelet uit zijn schedel te komen. Zijn haar miste aan de linkerkant, maar begon aan de rechterkant van zijn hoofd in de schitterendste kleur goud weer te groeien. Het zat strak naar achteren gekamd en het was zo dun dat ik zijn gehele schedel er doorheen kon zien.
Zijn glimlach verdween iets, maar snel toverde hij hem alweer tevoorschijn. Het leek een oprechte glimlach, maar met een hint van triestheid erin.
Hij streek zijn chroomkleurige pak glad en trok zijn zwarte stropdas nog wat strakker aan. Waarna hij begon met zijn toespraak. Zijn stem was vloeiend en met een lichtelijk Capitool-accent erin, maar toch ook weer mooi diep. En voor een moment vergat ik even waarover hij praatte, want zijn toon liet alles helemaal niet zo erg klinken.
'Laten we dus beginnen met de dames.' Hij knikte richting ons en liep daarna met een lichte pas naar de meisjesbol toe. Zijn ijzeren, mechanische hand maakte geen vreemde bewegingen, maar pakte gewoon in één keer een papiertje eruit.
Het geluid van het gescheurde papiertje leek over het plein heen te galmen en de temperatuur leek te dalen. Alsof alles plots kouder werd. En toen zijn lippen bewogen en de naam uitspraken die op het papiertje stond leek alles binnen in me te bevriezen.
'Lyanna Larone!'
Stok stijf stond ik naast Veronique terwijl haar hand zich ijzersterk om de mijne heen wikkelde. Ik hoorde haar langzame, zware ademhaling niet en ook niet haar gesnik. Ik hoorde het gefluister van de meisjes om me heen ook niet. Ik hoorde zelfsmijn familie niet om me roepen. Het enige wat ik hoorde was de stem van de districtsbegeleider die nogmaals mijn naam uitsprak.
'Lyanna Larone?' Houterig en pijnlijk hief ik mijn hand op waarna mijn armen werden vastgegrepen door twee vredesbewakers.
'Nee! Lyanna, nee!' Veronique's stem leek helemaal te verstormen. Ik zag alleen nog het podium en de uitgestrekte mechanische hand van de districtsbegeleider die er bovenop stond. En toen ik deze vast pakte voelde ik geen ijskoud geraamte, maar een warme hand die me zowaar wat steun gaf.
Steun die ik nodig had.
Leandros Patterson (17) POV.
Met ingehouden adem keek ik naar het podium waar het meisje op werd geholpen door de districtsbegeleider. Ze was nog zo jong. Ze kwam uit het vak van de veertienjarigen, maar ze had niet staan gillen en janken. Ze had zich sterk opgesteld en was zonder geschreeuw naar voren gelopen.
'Goed, we gaan door met de heren.'
Ik schrok op van de begeleider die opnieuw naar een bol toe liep. Hij had niet om een daverend applaus voor Lyanna gevraagd, maar had haar alleen een warme glimlach geschonken.
Jongens in mijn vak begonnen nerveus heen en weer te bewegen toen het papiertje uit de bol was gehaald. Ik kon er niet naar kijken. Wilde er niet naar kijken. Zo'n zelfde papiertje had Aryn vorig jaar haar dood in gestuurd en nu was het iemand anders zijn beurt. Misschien ging dat meisje dat op het podium stond wel dood. Misschien ging de jongenstribuut wel dood die zo meteen naar voren zou worden geroepen.
District 12 had nooit echt de kansen in zijn voordeel gehad.
Ik wendde mijn hoofd af van het podium en zocht mijn vader en broer in het publiek. Ze stonden helemaal vooraan en mijn broer stond verveeld leunend op mijn vaders rolstoel naar het podium te kijken, maar mijn vader keek me recht aan. Er viel een schaduw van donkere wolken over hen heen die zich boven het plein hadden verzameld, maar ik lette er niet op. Ik kon alleen maar naar mijn vaders gezicht staren.
'De mannelijk tribuut van dit jaar zal zijn…'
Ik hoorde hoe het briefje werd opengescheurd waarna mijn vader zijn ogen sloot. De wolken boven ons rommelden zwaar alsof ze vol zaten met zware regen, maar het nog niet wilden laten vallen.
'Leandros Patterson!'
Het bloed verdween uit mijn gezicht. Mijn handen leken vastgekleefd te zijn aan het hek en het enige waar ik naar kon kijken waren de grijze ogen van mijn vader die waren open gevlogen bij de uitroep van mijn naam.
In zijn ogen zag ik de gehele spelen van Aryn voorbij flitsen. Haar graf pronkte als een trofee op het einde en ik vroeg me af of ik ook net zoals haar dood zou eindigen. Koud, stijf en dood in de grond. In een kist van het Capitool. Met een zelfde soort leus op mijn grafsteen.
'Leandros Patterson?' Handen grepen mijn armen vast en toen pas merkte ik dat iedereen van mijn vak mij aanstaarde. Natuurlijk kende iedereen me. Ik had een enorme scene gemaakt vorig jaar toen Aryn was gekozen. En nu was de ironie zo dat ik nu ook werd uitgekozen. Om te vechten in een arena. Om mee te maken wat zij ook had moeten doorstaan. Om misschien ook dood te eindigen op het einde net zoals zij.
Ik werd snel mee gesjord naar het podium waar ik met een duw op werd gezet. Ik wilde protesteren, het hele Capitool de huid vol schelden over hun walgelijke manier van moorden, maar het enige wat volgde was een luid rommelend geluid uit de wolken boven ons.
Ik hief mijn gezicht langzaam naar de lucht en zag hoe er duizenden asgrauwe sneeuwvlokjes naar beneden kwamen dwarrelden. Ze bedekte het gehele plein en mensen keken vol verbazing naar de lucht en vingen de vlokken met hun handen op.
De sneeuw leek voor een moment als een deken om ons heen te vallen. Een manier van moedernatuur om ons leed toe te dekken en het voor nu te verzachten. En voor een vluchtig moment rook ik een honinggeur ver weg in de vlagen van de wind en wist ik dat ik er alles aan zou doen om hier levend terug te komen.
Lyanna Larone (14) POV.
Mijn familie stond in een grote cirkel om mij heen en één voor één nam ik knuffels in ontvangst. Maar ik kon mijn gedachten er niet bijhouden. Het enige wat ik zag waren hun lijkwitte gezichten die nat waren van de sneeuw en waar de vegen van het as nog op zaten.
Zou ik ze ooit nog zien? Ik wist het niet. Misschien zou ik wel net zo eindigen als de kinderen in het bos, wiens lichamen nu nog op de koude aarde lagen en langzaam werden bedekt door een laagje sneeuw.
Ik wist het allemaal niet meer.
'Lieverd, lieverd. Alsjeblieft, luister naar me.' Mijn moeder hield mijn gezicht stevig vast met haar twee warme handen. Haar betraande gezicht bevond zich recht voor me en ik kon niks anders dan er naar kijken.
'Hou dit bij je, misschien heb je er wat aan in de arena. Misschien- misschien kun je het gebruiken als touw of als wapen, maar probeer alsjeblieft te overleven!'
Haar gehele lichaam begon te trillen en haar handen vielen langzaam weg van mijn wangen. Mijn vader moest haar vast grijpen terwijl ik in mijn handen haar touw geweven riem vast hield.
Overleven.
Het woord lag als loodzware gewichten op mijn schouders. Overleven zoals mijn broer dathad gedaan? Hij lag nu ook dood in de grond. Hij was vermoord in de arena en misschien was ik de volgende wel. Wat had mijn moeder hem meegegeven? Ook een districtsaandenken wat hij als wapen kon gebruiken, maar hem nooit was gelukt?
'Het is tijd, meekomen.' Mijn moeder probeerde me nogmaals vast te pakken, maar ze werd achterruit getrokken door mijn vader die me leeg en hol aankeek. Ik kon de rest van mijn familie niet eens meer aankijken, want de deur viel al met een zware klap achter hen dicht.
Voordat ik ook maar een stap richting de deur had gezet kwam Veronique binnen rennen. Ze zei niks. Greep me alleen maar vast met haar klauwende handen zoals ze ook op het veld had gedaan, en trok me stevig tegen haar tengere lichaam aan.
'Beloof me dat je terug komt. Als winnaar.' Het was geen vraag. Het was een statement. Niet iets waar ik tegenin kon gaan, maar wat ik volgens haar gewoon moest doen. Ik moest winnen. Ik moest overleven.
Ik moest terug komen.
Leandros Patterson (17) POV.
De piepende wielen van mijn vaders rolstoel weerklonken zacht in de donkere kamer. Ik stond naast het raam starend naar de grijze sneeuw die zachtjes naar beneden dwarrelde en alles in een melancholieke sfeer dompelde.
'Zoon,' ademde hij zwaar, alsof het hem veel moeite had gekost om hier te komen. 'kom terug naar ons.'
Terug komen. Hij zei niet dat ik dood of levend terug moest komen. Ze zouden me op één van die manieren toch wel terug verwelkomen. In een kist of in een trein terwijl ik dood van binnen zal zijn.
'Ga niet bij de pakken neerzitten Leandros,' mompelde Sarre waarna ik me langzaam omdraaide bij zijn woorden.
'Bij de pakken neerzitten?' Ik klemde mijn kaken op elkaar en balde mijn vuisten in mijn broekzakken.
'Je kunt houthakken Leandros. Je kunt met een bijl omgaan als geen ander, en je hebt spierkracht. Je kunt overleven broertje. Doe het dan ook!' Ik voelde een vuur van binnen aanwakkeren. Niet door de betekenis achter zijn woorden, maar door zijn woorden.
'Denk je soms dat ik het zomaar op zou geven? Dat ik de dood gewoon laat komen?'
'Ik dacht dat je hetzelfde lot als Aryn voor je zag. Maar dat mag niet gebeuren.' Hij leek plots kwetsbaar en ik voelde de woede binnen in me minderen. Mijn vader legde langzaam zijn ruwe hand op mijn arm en ik keek hem aan.
'Hij heeft gelijk Leandros. Je komt levend naar ons terug.' Ik kon niks zeggen. Ik zag alleen maar de warme glimlach die op mijn vaders gezicht verscheen. Hierna pakte hij de wielen van zijn rolstoel weer vast en draaide zonder afscheid zichzelf om en rolde de deur uit. Sarre volgde in stilte en keek niet achterom. Zelfs niet toen de deur achter hem dichtviel.
In absolute stilte stond ik in de kamer. In dezelfde kamer waarin ik afscheid had genomen van Aryn. Ik had afscheid van haar genomen en mijn familie niet van mij. Omdat ik terug zou komen.
Ik ben wat jij zult zijn.
Ik zou niet in een graf eindigen. Ik zou blijven leven.
AN 2.0:
Mijn god ik heb het af! Ik ben eindelijk door die vreselijke boetes heen! Ik kan nu werkelijk beginnen aan de echte hoofdstukken, aan de echte spelen.
Oh wat een heerlijk gevoel zeg.
Ik wil nu eerst graag een paar mensen bedanken die dit hoofdstuk mede mogelijk hebben gemaakt. LeviAntonius en MyWeirdWorld waren daar mijn grootste hulpen in. Ik ben jullie daarvoor altijd dank verschuldigd. Echt mega erg bedankt. Anders had dit hoofdstuk waarschijnlijk nog veel langer op zich laten wachten...
Daarbij kreeg ik ook PM-etjes van mensen die nog steeds lieten weten dat ze heel graag door wilde lezen.(Want tja.. ik had voor een maand al niet meer geupdate...) Dat vond ik ook heel fijn, dat mensen toch nog erg uitkeken naar dit hoofdstuk (:
Ook wil ik SirWalsingham bedanken voor het prachtige idee van de sneeuw die pas op het einde kwam. De mooie zin van de natuur die het leed van de mensen nog wat toedekt behoort dan ook aan hem toe en die heb ik gebruikt, omdat ik het zo'n mooie afsluiting vond van de boetes.
Maar nu nog wat kleine dingetjes over dit hoofdstuk zelf.
Het spijt me ten eerste zeer als het nog al langdradig en saai overkwam, maar ik vertel je dat je inspiratie echt wel behoorlijk opraakt na 22 Tributen en 11 Boetes. Toch hoop ik dat jullie ervan hebben genoten om het te lezen, of het tenminste nog leesbaar vonden haha.
Nu ook nog wat kleine dingetjes die ik toch graag wilde mededelen.
Ik verstop graag altijd wat symbolen in mijn boetes en hoop dan dat mensen die lezen, meestal is dat niet zo en vind ik het ook altijd best logisch aangezien die symbolen altijd best wel minimaal zijn, maar in dit hoofdstuk heb ik er ook twee ingestopt die toch best wel groot zijn.
Het eerste symbool zijn de kinderen bij Lyanna haar intro. Nu wil ik aan jullie vragen of jullie weten waarvoor die kinderen symbool staan? En of iemand de kinderen misschien ergens van herkent? Ik hoor het graag in jullie reviews. (:
Dan is er nog het tweede symbool: Sum quod eris - Dat is Latijns voor "Ik ben wat jij zult zijn." Dit symbool leg ik dan toch wel even aan jullie uit, voor de gene die hem niet helemaal snappen.
Dit zinnetje stond op Julius Ceasar zijn graf en ik heb het gekozen voor meerdere redenen. Ten eerste, omdat het een terugkoppeling is naar de Romeinse tijd. Een terugkoppeling die in het boek HG ook veel wordt gebruikt. Panem komt bijvoorbeeld af van Panem et Circenses (Brood en Spelen; een Romeinse uitspraak.) En sommige namen die gebruikt worden voor personages zijn Romeinse namen. Daarnaast vind ik de betekenis van "Ik ben wat jij zult zijn" ook heel sterk. Aangezien die op meerdere manieren kan worden opgevat. Ik gebruik het in dit geval vooral symbolisch. Aryn was dood gegaan in de spelen en Leandros las haar graf tekst - Ik ben (Aryn) wat jij zult zijn (Leandros) het betekend niet gelijk dat hij dood zal gaan (Want dat weten we immers niet.), maar het kan wel opgevat worden dat hij ook als Tribuut naar de spelen wordt gestuurd. Het is dus een kleine doorverwijzing naar zijn lot als Tribuut. Je kunt het ook nog op vele andere manieren ruimer opvatten, maar dat laat ik vooral over aan jullie als lezers en jullie verbeelding. (:
En dan nu de puntentelling! We krijgen hierna nog de hoofdstukken: De Treinreis, Aankomst Capitool, Strijdwagens (die word héél lang), Eerste trainingsdag, Tweede trainingsdag, Derde Trainingsdag en Scores, Interviews en dan het begin van de 68ste Honger Spelen! Volgens mij hebben we er allemaal heel erg veel zin in! (Ik tenminste wel haha :D)
De punten:
LaFlorine - 25 Punten.
Greendiamond123 - 28 Punten.
MyWeirdWorld - 31 Punten.
SirWalsingham - 18 Punten.
FF-Schwarz - 18 Punten.
MadeByMel - 14 Punten.
EllaTaglof - 11 Punten.
JoyMainhood - 10 Punten.
LauraTwilightHungerGamesHPfa n - 18 Punten.
Sharonneke95 - 20 Punten.
Cicillia - 16 Punten.
Leakingpenholder - 25 Punten.
Florreke - 15 Punten.
LeviAntonius - 24 Punten.
Als er iets niet klopt meld het dan even ;) Ik krijg namelijk soms ook reviews in PM's gestuurd dus soms gaat het bijhouden wat slecht haha.
Nu hoop ik natuurlijk op een review van jullie waarin jullie je mening vertellen en laten weten hoeveel zin jullie hebben in de volgende hoofdstukken! Ik kijk er erg naar uit!
Liefs,
Jade
P.s. En oh! Ik ben nog een nieuwe Hunger Games fanfiction begonnen! Verdronken - Hij gaat over Haymitch in zijn jongere jaren en een vrouwelijke OC. Ik hoop dat jullie daar misschien ook even naar willen kijken als het je wat lijkt en als je er zin in hebt natuurlijk (het zijn nu pas twee hoofdstukken) en wat commentaar achterlaat! Alvast bedankt haha.
P.p.s BELANGRIJK: Ik heb een Poll geopend waarin jullie kunnen stemmen op jullie favoriete Tributen. Je kunt kiezen voor 1 man en 1 vrouw. Laat het me weten! Ik zal deze vraag namelijk opnieuw vragen voor het Bloedbad, zodat ik mijn doden kan gaan selecteren ;)
En denk bij het stemmen niet gelijk aan je eigen Tribuut... Maar aan een Tribuut dat je erg interessant vind en waarvan je meer wilt lezen!
En wauw wat een mega lange AN.
