Dag 1: Dodelijke Gezichten.
District 6 - Alexander 'Alex' Flemming (18) POV. Dag 1: Avond na het Bloedbad.
De schemering die inviel zorgde ervoor dat ik nog meer opging in de natuur. Ik had mijn gezicht al ingesmeerd met modder die ik onderweg tegen was gekomen en op mijn ogen na paste ik precies in de kleuren van het bos. De drassige grond onder mijn voeten maakte het rennen er moeilijker op, maar dat weerhield me er niet van om door te gaan. Al zou het me de hele nacht kosten, ik zou hem afschudden.
Ik was er zeker van dat zijn kleine benen het niet lang meer vol zouden houden. Ik kon zijn gehijg vanaf hier horen terwijl hij nog zo zijn best deed om niet op te vallen. Hij dacht vast en zeker dat ik het nog steeds niet doorhad dat hij me al volgde sinds het Bloedbad. In tegendeel, ik had hem al veels te vaak kunnen vermoorden. Hij mocht van geluk spreken dat ik het niet deed.
Het kleine jongentje wat elke keer achter een boom kroop als ik halt hield had een zeven op zijn arena kleding staan. Het bos waar we inliepen was dus zijn omgeving, maar toch bleef hij me volgen als een irritante steekvlieg. Aan de ene kant wilde ik het liefst tegen hem schreeuwen dat hij me niet meer mocht achtervolgen, maar de andere kant van mijn gevoel zei dat ik hem met rust moest laten. Hij was nog zo jong.
De duisternis zou er wel voor zorgen dat hij me kwijt zou raken, het zou dan niet mijn schuld zijn. Over een paar uur zou ik weer alleen zijn en kon ik beginnen met overleven en uitvogelen hoe deze arena in elkaar zat. Mijn mentor had zich alle dagen in het Capitool dood aan mij geërgerd, omdat ik nooit naar haar luisterde en mezelf altijd had opgesloten in mijn kamer. Het was niets meer dan mijn tactiek geweest die ervoor zou gaan zorgen dat ik zou winnen. Al die dagen had ik naar vorige Honger Spelen gekeken en bij elke arena was het zo dat de Spelmakers iets hadden bedacht waardoor die Spelen bijzonderder zouden zijn dan die ervoor. En dat zou dit jaar niet anders zijn, enkel dat ik degene zal zijn die ze te slim af is.
De aarde onder mijn voeten sopte door de drassigheid terwijl boven mij het bladerdak steeds dunner werd. Dit eiland was klein en ik zou dan ook al snel bij het einde zijn waar ik moest oversteken naar een ander eiland. Iets wat ik liever zou vermijden aangezien het jongetje achter mij me zonder nadenken zou volgen. En hij was nou niet bepaald de stilste van alle Tributen. Hij liep in het bos rond alsof hij de Beroeps graag liet weten waar hij was. En als mensen hem zouden vinden, vonden ze automatisch ook mij.
Ik versnelde mijn pas nog meer ook al voelde ik de verzuring al in mijn benen. Mijn voeten kwamen met bonkende steken in mijn voet op de aarde terecht totdat ik plots met een klap voorover viel, recht met mijn gezicht in een modderplas.
Verschillende vervloekingen kwamen over mijn lippen heen, maar geen luid genoeg om voor iemand te horen. Ik duwde mezelf op uit de modderplas, maar mijn handen zakte net zo hard ook de aarde in. Scheldend probeerde ik mijn voeten los te krijgen uit de grond, maar het zorgde er alleen maar voor dat ik verder wegzakte tot aan mijn knieën. De koude modder op mijn gezicht plakte aan mijn haren, maar dat was het minste van mijn zorgen. Ik zat kniediep in een modderplas waar ik niet uitkwam zonder hulp. En de enige hulp die ik kon vragen was aan het jongetje die ik juist kwijt wilde raken.
Ik kon zijn ogen op me voelen branden terwijl hij zich had verstopt achter één van de vele bomen. De zon was nu compleet onder gegaan en het enige wat nog voor een beetje verlichting zorgde was de maan. Ik probeerde nogmaals mijn handen uit de modder te rukken, maar ik zakte nu zover weg dat ik nog maar een paar centimeter met mijn gezicht van de modder afhing.
Was dit een grap? Hadden de Spelmakers dit hier neergelegd om langzaam Tributen te kunnen laten verdrinken in een grote stinkende modderpoel? Ik kon zo niet aan mijn einde komen. Niet op de eerste dag en niet als eerste Tribuut na het Bloedbad. Ik was hier te slim voor, er moest een simpele uitweg zijn, ik hoefde alleen maar logisch na te denken.
Verwoed pijnigde ik mijn hersens, maar mijn gedachten werden ruw verstoort door een tak die plots met harde klap naast mij neerkwam. Met een schichtige blik in zijn ogen stond het jongetje nog geen twee meter bij me vandaan terwijl hij de tak zo ver mogelijk naar me uitstak.
'Pak hem! Dan kan ik je eruit trekken.' Ik keek hem vernietigend aan, omdat ik niet veel meer dan dat kon doen. Was hij serieus zo intelligent?
'Hoe moet ik die stok pakken, als ik geen handen heb om hem vast te grijpen?' Snauwde ik zijn kant op en voor even keek hij me doodstil aan waarna er een klein lachje uit zijn mond glipte.
'O ja, helemaal vergeten. Wacht even, dan pak ik iets anders.' Met kleine voetstappen rende hij van me weg en ik wilde hem terug roepen, maar ik weerhield mezelf ervan. Blijf kalm, Alex, je komt hier zelf wel uit. Herhaalde ik in mijn hoofd, maar ik zakte steeds verder in de modder waardoor het voorruitzicht om hieruit te ontsnappen steeds kleiner werd.
Luid stampend kwam het jongetje plots weer terug toen de modder tot aan mijn kin stond. In zijn handen had hij een gevlochten touw van klimplanten die hij met een moeilijke knoop om zijn middel vast maakte en aan de boom achter hem.
'Oké, beweeg zo min mogelijk.' Mompelde hij doodserieus naar mij en ik rolde geïrriteerd met mijn ogen.
'Als ik kon bewegen was ik zelf wel ontsnapt uit deze modderpoel, denk je niet?' Reageerde ik sarcastisch terug, maar hij gaf geen antwoord. Hij zette enkel kleine stapjes mijn richting op totdat hij ook de modderpoel inliep. Maar hij zakte niet weg zoals ik had gedaan. Zijn voeten waren licht en snel. Voor ik had doorhad stond hij zo dichtbij mij dat hij het touw om zijn middel weghaalde en het om mijn nek heen bond.
Hij ging even langzaam weer terug en ik wilde naar hem roepen dat hij op moest schieten, maar ik kon mijn mond nauwelijks nog open doen zonder dat ik een flinke hap modder zou nemen.
'Oké, dit kan pijn doen.' Zonder nog een verdere waarschuwing te geven trok hij bij de boom aan het touw wat om mijn nek zat. Het spande aan en ik voelde hoe het strak om mijn nek heen kwam te zetten. Ik probeerde te schreeuwen, maar mijn keel werd dichtgeknepen waardoor er enkel hoog gepiep uit mijn mond kwam. Ik voelde echter wel hoe mijn lijf uit de modder kwam. Toen mijn handen uiteindelijk vrij waren greep ik het touw vast en rukt ik het van mijn nek af waardoor ik hijgend op adem kwam.
'Wat doe je nou? Je bent nog niet vrij, ik moest no-'
'Je wurgde me idioot!' Onderbrak ik hem woedend. 'Trek me verder op aan mijn handen!' Hij perste zijn lippen op elkaar, maar zei geen woord terwijl hij me verder uit de modder trok. Al snel lag ik op de grond naast de modderpoel uit te hoesten.
'Je had me ook kunnen bedanken.' Mompelde hij plots naast me en ik keek omhoog om hem met zijn armen over elkaar voor me te zien staan. Zijn blik was ietwat verdrietig en ik zag de striemafdrukken van het touw nog in zijn handschoenen staan. Hij had echt moeite voor me gedaan.
'Bedankt, oké?' Mompelde ik terwijl ik overeind krabbelde en de modder van mijn broek probeerde af te vegen waardoor het er alleen maar verder introk.
'Ik ben Riley,' een hand werd in mijn gezichtsveld gestoken en met glimmend oogjes keek Riley me aan. 'Je nieuwe Bondgenoot.' Ik snoof en draaide weg van zijn hand terwijl ik mijn rugzak strakker aantrok.
'Wie zegt dat we bondgenoten zijn?' Ik begon weer met lopen, langzaam genoeg zodat Riley me bij kon houden, en keek hem zijdelings aan.
'Ik heb jou gered en jij kunt mij helpen. Dat maakt ons Bondgenoten.' De glimlach die op zijn gezicht verscheen stond sterk in contrast met de situatie waarin we ons bevonden. Hij was vrolijk terwijl we elk moment aangevallen zouden kunnen worden.
'Ik heb geen Bondgenoot nodig.' Mompelde ik en ik sneed zijn pad af waarna ik van hem afliep.
'Bij de modderpoel dacht je er duidelijk anders over. Zonder mij zou je nu dood zijn!' Zijn geschreeuw zorgde ervoor dat ik me met een woedende blik omdraaide, maar hij bleef me recht aankijken. Ik zag zijn handen trillen en hij probeerde zo goed mogelijk op zijn tenen te staan zodat hij er langer uitzag. Het was een hopeloos geval, maar wel degene die mijn leven had gered. Bij die gedachte verzachtte mijn blik iets en ik draaide me weer om, om verder te lopen.
'Waar ga je heen?' Vroeg hij dringend en ik hoorde zijn stampende voeten weer achter me.
'Een schuilplaats zoeken, Bondgenoot. Of wil je soms de hele nacht blijven rondwalen?' Er verscheen weer een enorme glimlach op zijn gezicht en verveeld rolde ik met mijn ogen. Dat jochie had teveel positieve energie.
Na nog vijf minuten door te hebben gelopen vonden we een cirkel van bomen waar struiken tussen stonden zodat we ons makkelijk konden afschermen van vijandige ogen. Riley bood aan om brandhout te gaan zoeken, maar na één duidelijk blik van mij bleef hij rustig op zijn plek zitten.
'We kunnen geen vuur maken als het donker is. Dat is alsof je iemand uitnodigt om je met plezier te komen vermoorden.' De woorden kwamen iets te gemeen uit mijn mond, maar hij leek het tenminste te snappen.
Ik deed de rugzak af en opende de rits voor de eerste keer, omdat ik al die tijd weg was gerend van Riley had ik geen tijd gehad om de inhoud te bekijken. Nu zou me duidelijk worden wat voor waarde de rugzak had waar ik mijn leven voor had geriskeerd.
'Wat gaan we eten vanavond?' Riley's luchtige stem onderbrak me en met een zucht meldde ik hem dat we tot nu toe nog niks te eten hadden. En als ik wel eten in de rugzak vond was ik niet van plan om dat met hem te gaan delen.
Mijn vingers sloten zich om het eerste voorwerp wat ik kon grijpen, maar ik verbaasde me door de hardheid ervan. Met een vragende blik op mijn gezicht trok ik het dan ook snel uit de tas, maar was alleen verbaasder toen ik het voorwerp met mijn eigen ogen zag.
In het schemerende, zachte licht van de maan lag er een dof kristal in de palm van mijn hand. Het had de vorm van een langwerpige hexagoon, maar was zo precies geschaafd dat het door mensen gemaakt moest zijn. Een voorwerp van de Spelmakers dus, en het was aan mij gegeven om er iets speciaals mee te doen.
'Wat is dat?' De vragende stem van Riley onderbrak mijn gedachtegang en voor ik hem kon tegenhouden greep hij het kristal al uit mijn handen om het van alle kanten te bekijken. Het maanlicht viel erop, maar het kristal weerspiegelde het niet.
'Blijf eraf! Misschien breek je het!' Schreeuwde ik net iets te hard en snel greep ik het kristal weer terug waarna ik de rugzak zijn kant opwierp.
'Die mag je gaan onderzoeken, kijk maar of je eten kunt vinden.' Het kristal was nu van grotere waarde dan een pak met droge crackers die misschien wel, of misschien niet in de tas zat. Riley mocht zich ermee volproppen als hij wilde, maar het kristal bleef mijn eigendom.
'Waar denk je dat het voor is?' Vroeg hij opnieuw en ik begon me langzaam dood te irriteren aan zijn eindeloze sleur van vragen. Ik negeerde hem en bleef het kristal ronddraaien in mijn handen. Er was niets op te zien, geen enkele kras of minuscule deuk. Het was een perfect gevormd voorwerp, alleen de dofheid ervan klopte niet bij het plaatje. Het was alsof er binnen in het kristal zich mist bevond die maar niet weg wilde trekken.
'Alex?'
'Als ik wist waar het voor was had ik het je wel verteld, of niet soms?' Zei ik, ook al was het niet waar. Ik zou het hem nooit vertellen als ik het wist, maar Riley hield zijn mond en knikte zachtjes waarna hij een reepje gedroogd vlees naar me uitgestoken hield. Ik pakte het aan en zette mijn tanden in het droge eten. De smaak ervan maakte me misselijk, maar het was nog altijd beter dan niets. Terwijl ik het droge eten probeerde weg te slikken borg ik het kristal veilig op in mijn broekzak, waar het nog een klein stukje uitstak.
'Mag ik je nog iets vragen?' Ik zuchtte luid en wreef geïrriteerd met mijn handen in mijn ogen. Misschien had ik toch beter kunnen verdrinken in die modderpoel, dat had me tenminste gespaard van zijn domme vragen.
'Die grafstenen hé,' begon hij zachtjes alsof hij bang was dat er iets engs zou gebeuren. 'heb je de tekst gezien die erop stond?' Ik opende mijn ogen en keek hem vreemd aan. Hij had iets gezien wat mij was ontgaan en dat wekte mijn interesse. Misschien was hij toch niet zo nutteloos.
'Er stond iets op wat ik niet kon lezen, het was een andere taal denk ik.' Hij friemelde wat met zijn blouse en kwam steeds zenuwachtiger over.
'Wat stond er dan?' Mompelde ik. Waarschijnlijk was het toch iets nutteloos en totaal niet van belang waardoor ik nu mijn tijd verdeed door naar hem te luisteren.
'Hodie mihi cras tibi.' Hij keek me met grote ogen aan terwijl de woorden fluisterend over zijn lippen heen kwamen. Ik trok mijn wenkbrauwen op en sloeg mijn armen over elkaar.
'Het is Latijn, een taal uit de Oude Dagen die we nu nog voor medicijnen gebruiken in District 6. Wat je net zei is een oude spreuk, een soort gezegde.' Zei ik rustig en Riley knikte, maar ik betwijfelde het of hij snapte waar ik het over had. In District 6 was ik bijna oud genoeg geweest om voor dokter te kunnen gaan studeren, maar toen kwamen deze achterlijke Spelen er tussen. Desalniettemin leek mijn kennis over medicijnen, planten, het menselijk lichaam en zelfs de Latijnse taal zijn vruchten af te werpen, en zou ik dus een kans hebben om dit te winnen. Hersens waren minstens even belangrijk als wapenvaardigheid.
'Maar wat voor spreuk is het dan?' Riley begon opnieuw te friemelen met zijn blouse en ik keek hem strak aan terwijl ik antwoorde.
'Het zegt; vandaag aan mij, morgen aan jou.' Hij begon weer met knikken, maar ik bleef hem aankijken om te zien of hij realiseerde waar die tekst echt voor stond. Vooral nu het op een grafsteen had gestaan.
'En wat betekend dat?' Mompelde hij en hij begon nerveus te lachen, maar mijn gezicht vertoonde geen glimlach.
'Het betekend dat je dood gaat.' Mijn woorden kwamen misschien iets te sadistisch uit mijn mond, maar zijn gezicht betrok tenminste en ik wist dat hij het eindelijk snapte.
'Maar waarom leggen ze dat daar neer?' Hij verhief zijn stem en ik zag de angst in zijn ogen groeien. Het kleine bange jongentje van eerder keerde terug en zijn positieve houding verdween compleet.
'Zodat je weet dat je binnenkort ook niks meer bent dan een grafsteen. Binnenkort zal je ook weggeveegd zijn van deze aarde net zoals de Tributen voor je.' Riley perste zijn lippen op elkaar en ik kon zien dat hij moeite had om zijn vragen binnen te houden. Ik was hem er voor het eerst dankbaar voor dat hij zijn mond eindelijk dichthield. Het betekende dat ik eindelijk rust had en dat ik kon gaan slapen.
Ik draaide me van Riley af en negeerde zijn verwarde gezicht. De grond was gelukkig zacht door de drassigheid, maar mijn kleding werd wel doorweekt waardoor ik al snel lag te rillen ondanks de warmte. Maar het maakte me niet uit. Het kristal in mijn broekzak zorgde ervoor dat ik mijn zorgen aan de kant schoof. Ik kon alleen nog maar aan verhalen en redenen denken waarvoor dat kristal zou zijn. En met die gedachte viel ik uiteindelijk inslaap terwijl ik het gehuil van Riley naast me niet hoorde.
District 4 – Rhine Overton (17) POV. Dag 1: Avond na het Bloedbad.
Het gehijg van Caldwell naast mij irriteerde me mateloos. Ik kon het zweet van zijn voorhoofd zien afdruipen en zijn shirt was er van doorweekt, maar hij zei niets. Sinds Lerola haar ijzeren nagels weer had bijgevijld met een slijpsteen trok hij zijn mond niet meer open. De vorige keer toen hij dat deed leverde hem dat een mooi paar krassen op zijn wang op en een bedreiging van Tellas. Hij verbeet het nu en keek om de zoveel seconden met een vermoeide en aanstellerige blik naar mij, maar ik had geen medelijden. Als hij bij de Beroeps wilde horen moest hij zich daar ook naar gedragen.
De werpmessen die hij tijdens het Bloedbad had gepakt hingen aan zijn riem en hij droeg twee rugzakken; één voor en één achter. We hadden geprobeerd zoveel mogelijk mee te nemen van de Hoorn, want Lerola en Tellas wilde daar niet blijven. Hun lust voor bloed was groter dan hun angst om zonder proviand te komen zitten. Ik twijfelde er dan ook niet over dat als er geen eten meer zou zijn Lerola geen moeite zou hebben om een Medetribuut op te eten en dat zorgde alleen maar bij mij voor nog meer afkeer tegenover haar.
Het geklingel van de theepot die Tellas aan zijn rugzak had hangen liet me opkijken. Hij had zijn twee rugzakken neergegooid en greep de grote hamer die hij in zijn handen had beter vast. Op het platform had hij zijn speer omgeruild voor een gitzwarte hamer die in één van de kratten had gelegen en met een grote grijns verklaarde hij dat dit zijn ultieme wapen was. Ik kon wel zien waarom; met één slag zou hij zo een schedel kunnen breken en dan was de Tribuut in kwestie opslag dood.
'We rusten hier, morgen gaan we verder.' Mompelde Lerola en ze greep één van de rugzakken van Tellas zodat ze er een slaapzak uit kon trekken.
'Moeten we geen vuur maken voor wat eten?' De dodelijke blik van Tellas snoerde Caldwell meteen de mond en gedeisd nam hij ook plaats op de drassige aarde. Hij liet zijn rugzakken met een harde bonk naast hem neervallen en sloeg zijn armen als een klein kind dat zijn zin niet kreeg over elkaar.
'Je hebt vanochtend al gegeten. Morgen bij het ontbijt krijg je pas wat.' Zei Lerola kalm, maar ik kon zien dat ze geïrriteerd was. Tellas keek haar echter met grote vragende ogen aan, maar ze knikte enkel naar hem waaruit ik opmaakte dat die regel van het eten alleen voor Caldwell en mij was bestemd. Zij mochten vreten wat ze wilde.
Ik liep zonder nog wat tegen ze te zeggen naar een andere boom en haalde mijn eigen rugzak van mijn rug af. Mijn pijl en boog had ik omgeruild voor twee kleine zwaarden waardoor ik snel en vlug zou kunnen vechten. Ik haalde ze uit hun schederiem die kruislings op mijn rug was vastgebonden en legde ze naast mijn rugzak neer.
Mijn lichaam deed pijn, maar het waren geen vervelende steken die door mijn lichaam heen schoten. Het was pijn uit voldoening dat ik de eerste dag had overleefd en de eerste doden waren gevallen. Ik was alweer een paar stappen dichterbij mijn overwinning en voor nu was ik nog veilig in de Beroepstroep.
'Heeft iemand een gevulde veldfles? Ik kan geen waterbron in de buurt vinden.' Iedereen keek op toen Caldwell aankwam strompelen en weer lui naast zijn rugzakken neerzakte. Ik reageerde niet, want ik was niet van plan mijn gevulde waterfles met iemand te gaan delen. Het was een kostbaarheid die ik beter voor mezelf kon houden, net zoals vele andere items die ik in de kratten van de Hoorn had gevonden.
Tellas vertelde hem dat hij zijn eigen zweet op kon gaan drinken, omdat hij niks van zijn water kreeg en Lerola negeerde hem net zo hard als ik. Uiteindelijk ging Caldwell met een rood en boos gezicht op zijn slaapzak liggen en na een tijdje lag hij al hardop te snurken.
Ik rolde ook mijn slaapzak uit en greep een slijpsteen waarmee ik mijn zwaarden begon aan te scherpen. Ik wist dat het niet echt nodig was, maar ik moest wachten totdat Lerola en Tellas inslaap zouden vallen zodat ik de rest van mijn rugzak zou kunnen gaan onderzoeken.
Na twintig minuten lagen ze eindelijk naast elkaar te slapen en aan de houding van Tellas te zien wist ik zeker dat er iets meer tussen hen twee gaande was dan alleen hun gedeelde liefde voor martelen. Maar ik besteedde verder geen aandacht aan het staren naar hun slapende vormen en pakte mijn rugzak zo stil mogelijk op. De rits maakte naar mijn smaak veels te veel geluid, maar niemand werd er wakker van dus het was veilig genoeg om door te gaan.
Het eerste wat ik greep was een klein blikje met bonen die ik gulzig opat. Mijn maag had al die tijd geknord en ik was dan ook niet van plan de regel van Lerola op te volgen. Ze kon van mijn part in haar eigen eten stikken, maar ik zou mezelf niet gaan uithongeren vanwege haar regels.
Nadat ik ook wat had gedronken greep ik het snijmes wat in het zijvakje zat en maakte die aan mijn riem vast. Veilig slapen bestond in de arena niet en zelfs Caldwell zou moeten weten dat de veiligheid van de Beroepstroep niet voor eeuwig zo zou blijven. En ik was niet van plan om wakker gemaakt te worden door Tellas die zijn hamer boven mijn hoofd naar beneden zou laten komen.
Ik bekeek het overige voedsel wat nog in mijn tas zat en besefte dat ik zuinig moest gaan doen. Een heel blikje opeten kon ik me niet meer veroorloven en ook het water zou snel opgaan in dit warme weer. Mijn vingers sloten zich om het dikke touw wat netjes opgerold in mijn tas lag, maar dat was niet hetgene wat ik zocht. Ik had mijn Districtsaandenken nodig.
Het was niet de ring van mijn oma en die ik van haar had meegekregen, die ik zocht. Dat was niet langer mijn Districtsaandenken. Die had ik achtergelaten in het Capitool en omgeruild voor iets wat veel kostbaarder was. De brief van Logan, mijn Mentor.
Het gekreukelde bruine papier wat in een geheim vakje was gepropt was nog vochtig van de regen. Tijdens het bloedbad had ik het onder mijn shirt gehouden, maar het was toch nat geworden. De angst dat de geheime symbolen die er opstonden niet meer zichtbaar waren was groter dan mijn angst dat iemand me elk moment zou kunnen betrappen.
Zo voorzichtig mogelijk vouwde ik het dan ook open, maar tot mijn grote opluchting waren de tekens nog goed zichtbaar. Ik moest enkel zeer voorzichtig zijn met het vastpakken, want het kon makkelijk scheuren. Logan had er duidelijk niet genoeg over nagedacht, maar ik was hem al dankbaar genoeg dat hij het überhaupt aan me had meegegeven. Dit was mijn kans om te overleven.
De symbolen op het papier waren simpele streepjes, krulletjes, golfjes, en getekende lijntjes. En elk symbool stelde een letter voor die ik de afgelopen week uit mijn hoofd had geleerd. Logan had het in mijn hoofd getimmerd alsof mijn leven ervan afhing en dat deed het ook. Dit kon mijn redding zijn als het erop aankwam en ik wist zeker dat ik hierdoor zou kunnen winnen.
Arena is gebaseerd op Mythen en Sagen.
De eerste zin was kort en krachtig, en het was dan ook de zin die Logan al die tijd had herhaald. Ik had geprobeerd boeken te lezen over het onderwerp, maar het was onmogelijk om er iets over te vinden in het Trainingscentrum.
Voorwerpen zullen gegeven worden die te gebruiken zijn voor speciale doeleinden.
De tweede regel kostte me langer om te ontcijferen, maar ook die was me al bekend. Logan had me nog verteld dat ik elke krat en elke rugzak die nog op het Platform zou liggen na het Bloedbad extra goed moest onderzoeken. Ik keek dan ook niet vreemd op toen ik een ongewoon voorwerp in mijn huidige rugzak vond.
Ik borg de brief weer op met het idee om morgen verder te lezen en nu eerst hetgeen te onderzoeken waarover Logan me had verteld. Mijn hand tastte de bodem van de tas af totdat ik het kokerachtige voorwerp onder mijn vingers door voelde rollen. Gretig trok ik het uit de rugzak en in het zwakke schijnsel van de maan bekeek ik het zo goed mogelijk.
Het was een fluitje en net iets groter dan mijn hand. Hij was pikzwart en voelde zwaar aan, maar de inkepingen die erin zaten waren opgevuld door dof kristal. Het waren verschillende tekens die eroverheen liepen en een kleine afbeelding van twee vogels met elk een naam erboven.
'Huginn en Muninn.' Mompelde ik zachtjes toen ik de namen las en ik draaide het fluitje nogmaals rond in mijn hand. Ik durfde er niet op te blazen, bang dat het teveel geluid zou maken en dat ik Tellas, Lerola of Caldwell wakker zou maken. En dat was iets wat ik graag wilde vermijden.
Mijn vingers gleden over de tekens heen die zo klein en minuscuul waren dat ik ze nauwelijks kon zien. Ik begreep ze niet, maar Logan had me verteld dat hij een alfabet op de brief had gezet zodat ik dingen kon vertalen. Misschien waren het deze tekens, maar op het moment dat ik de brief weer wilde pakken schoot er een harde schok door de grond heen en viel de fluit uit mijn hand.
Wanhopig greep ik de fluit en hoorde ik hoe Tellas, Lerola en Caldwell verbaasd wakker werden. Paniekerig propte ik alles weer in mijn tas en legde ik mijn jas erover heen zodat de inhoud niet meer te zien was. Maar toen ik Lerola's blik ontmoette keek ze me zo argwanend aan dat ik wist dat ze iets van mijn voorwerpen had gezien.
'Waarom maakten jullie me wakker?' Knorde Caldwell geïrriteerd en hij wilde zich nogmaals omdraaien, maar nog een schok weerhield hem hiervan. De grond trilde zo hard dat onze rugzakken omvielen en ik de takken van bomen kon horen kreunen.
'Een aardbeving!' Schreeuwde hij hierna hard en sprong op alsof hij wilde wegrennen, maar Tellas greep hem al snel bij zijn kraag en sleurde hem op de grond.
'Blijf waar je bent en verroer je niet totdat ik het zeg.' De dreiging in zijn stem was duidelijk te horen en ik wist zeker dat als Lerola er niet bij zou zijn geweest, hij Caldwells nek zou hebben gebroken. Tellas greep zijn hamer en Lerola haar pijl en boog waarna ik zelf ook snel opsprong. Mijn zwaarden had ik in mijn rugzak gepropt samen met de andere spullen en kon ik er dus niet uithalen zonder dat de rest mijn verzameling aan items zou zien. Ik moest het dus doen met mijn mes.
Ik zag hoe Lerola haar mond open deed om wat te zeggen, maar er schoot een derde schok door de grond heen waardoor ze bijna omviel en ze zich vast moest houden aan Tellas. Hij bleef echter zo sterk als een rots staan en liep snel naar voren toe terwijl hij ons wenkte hetzelfde te doen. Ik kon Caldwell vanaf hier al zien trillen terwijl hij zijn handen krampachtig op zijn messen hield.
Na tien minuten en nog twee aardschokken waren de bomen dunner geworden en kon ik de rand van ons eiland zien. Het water golfde woest, maar ik kon eerst niks ongewoons zien totdat er nog een schok door de grond heen ging en ik zag hoe het platform op het grafstenen eilandje een stuk naar beneden kwam.
De Spelmakers brachten het platform naar beneden en zo te zien kwamen daarvan de aardbevingen voort. Na een tijdje was er weer een enorme trilling in de grond en een doffe verre klap waarmee het platform op de grond van het eilandje lag. De Hoorn blonk in het maanlicht en ik haalde opgelucht adem, blij dat het niks ernstigs was.
'Laten we weer gaan slapen.' Opperde ik maar Lerola hield haar hand op in een gebaar dat ik stil moest zijn en ze bleef intens naar het eiland staren. Vijf minuten lang gebeurde er niks en ik wilde me al omdraaien om zelf weer te gaan slapen, totdat ik plots een kleine flikkering van licht op het platform zag.
Was een Tribuut gek genoeg om er naar terug te keren en een kampvuur te maken? Ik schudde mijn hoofd in ongeloof, maar het vuur groeide enkel meer waardoor ik ook bleef toekijken. Caldwell stond naast me wat onverstaanbaars te stamelen, maar kroop steeds verder achteruit toen het vuur bleef groeien. Uiteindelijk was het zo groot dat het hele platform in lichterlaaie stond en ik de warmte ervan kon voelen schrijnen op mijn huid.
Voor het eerst was ik Lerola dankbaar dat ze ons had weggesleurd van het platform, want anders waren wij het nu geweest die in de vlammenzee zouden zijn opgegaan. De voorwerpen die we dus hadden achtergelaten in de kratten zouden nu alleen nog maar een hoopje as zijn waardoor de spullen die we bij ons droegen ook echt het enige waren wat we nu hadden.
Met een bitter gezicht draaide ik me van het vuur af en liep ik terug naar onze slaapplek waar Caldwell alweer op zijn slaapzak lag. Zijn gesnurk kon ik echter niet horen waardoor ik zeker wist dat hij nog wakker was. Toch maakte het me niet uit of hij wel of niet in orde was. Dit waren de Spelen, iets wat één iemand maar kon winnen. Bij Favian was ik al in de fout gegaan om te denken dat ik hem kon vertrouwen en hem misschien zelfs kon beschouwen als een vriend. Het enige wat dat had opgeleverd was zijn verraad. Ik kon het me niet veroorloven om me ooit nog zo zwak op te stellen en als Caldwell nu op zijn slaapzak lag te trillen van angst dan was dat niet mijn zorg, maar zijn eigen.
Ik propte ietwat boos mijn spullen beter in mijn rugzak en kroop in mijn slaapzak terwijl ik mijn ogen ferm op de boom voor mij gericht hield. Ik mocht geen zwakte tonen, niet nu, niet hier. Niet vanwege Favian. Ik kon en wilde niet toegeven dat hij me pijn had gedaan. Dat het voor mij aanvoelde alsof hij mij had vertrapt onder zijn schoenen, zonder er iets om te geven. Ik mocht niet huilen.
Toch voelde ik even later hoe geruisloos warme tranen van mijn wangen afdropen terwijl ik verbitterd naar voren bleef staren. Het was zijn schuld dat ik hier nu als een aanstellerig klein meisje lag te huilen en die voldoening wilde hem niet gunnen, ook al wist hij er niet vanaf. Deze dag had lang genoeg geduurd en vanaf morgen zou mijn taak om te overleven beginnen. Vanaf morgen, zou ik alles achter me moeten laten om te winnen.
District 7 – Mocca Lynne (14) POV. Dag 1: Avond na het Bloedbad.
Ik kon hun voetstappen op de grond horen, hun adem in de warme lucht. Ik voelde hoe al hun ogen op mij waren gericht, maar zag nergens de fonkeling ervan in de bosjes. Er heerste niks anders dan duisternis en een koele wind. Toch was de angst die mij bekroop groter dan de geruststelling dat ik niemand zag. Ik wist dat ze daar waren. Ik wist dat ze zich achter de bosjes verscholen, klaar om mijn keel door te snijden.
De paniek die aan de binnenkant van mijn borst krabde werd steeds agressiever. Dwong me om steeds rasperiger adem te halen. Ze waren daar, de moordenaars. Ik wist het zeker, niks kon me ervan overtuigen dat ze er niet waren. Ik was omsingeld, langzaam werd ik ingesloten en ik kon er niks aan doen. Ik was machteloos. Ik had geen wapens en mijn verzet was minimaal. Het enige wat ik kon doen was luidruchtiger gaan hyperventileren en te mijmeren over hoe ze me zouden vermoorden.
Het gekraak van een tak die achter mij knapte zorgde ervoor dat ik mijn hoofd met een ruk omdraaide. Duisternis begroette mijn ogen en ik hoorde niks anders dan stilte. Maar deze stilte schreeuwde in mijn oren, klopte tegen mijn slapen aan en dolde rond in mijn hoofd als een spook. Het zorgde ervoor dat het beklemmende gevoel groeide en paniekerig begon ik vragen in de donker lucht te schreeuwen.
'Wie is daar?!'
Ik herkende nauwelijks mijn eigen stem en ik kon alleen maar de echo ervan horen totdat het compleet opging in de stilte. Niemand antwoorde, niemand reageerde. Het enige wat volgde op mijn angstige ademhaling was het geluid van bladeren die ritselde.
De gil die oprees in mijn keel klonk niet menselijk. Mijn voeten kwamen zonder commando in beweging terwijl ik nog steeds het ritselen van bladeren achter mij hoorde. Het bos vervaagde om mij heen tot een zwarte massa waarin ik duizenden schaduwen op mij afzag stormen. Met mijn handen probeerde ik ze van me af te duwen, maar ik vond niks anders dan de avondlucht. Ik kon geen kille moordwapens voelen of ijzige klauwen die me zouden vastgrijpen. Ik was in gevecht met het niets en alsnog leek ik te verliezen.
Mijn gedachtes werden een warboel en het kleine deel van mijn hersens wat me in toom had gehouden werd compleet overgenomen door paniek. Ik kon mijn voeten hard op de grond horen neerkomen en tegelijkertijd hoorde ik nog veel meer voetstappen achter mij. Gillende probeerde ik van ze weg te komen, maar ik voelde alleen hoe ik voorover struikelde en met een klap neerkwam op de grond. Hardhandig rolde ik door over de koude grond en voelde ik hoe ik compleet bedekt werd door modder. Met een bonk kam ik tot stilstand tegen een boom aan en kon ik alleen nog maar mijn eigen pijnlijke gekreun horen. De voetstappen waren verdwenen.
Was ik veilig? Had ik de monsters ontvlucht, of hadden ze me nu juist te pakken? Mijn ogen waren gesloten en ik durfde ze niet te openen. De dingen die ik had gezien en gehoord hadden ervoor gezorgd dat ik in een paniekaanval kwam vast te zitten en ik leek er niet uit te kunnen komen. Dus bleef ik met mijn ogen stijf op elkaar gedrukt op de koude grond liggen en greep mijn linkerhand in mijn zak waar ik mijn Districtsaandenken kon voelen prikken in mijn zij.
De dobbelsteen die ik van mijn oom had gekregen voelde koud aan onder mijn vingers, maar het zorgde ervoor dat ik kalm werd. De stilte schreeuwde niet langer in mijn hoofd en voelde geen onbekende ogen meer naar me staren. Ik voelde alleen nog de dobbelsteen in mijn broekzak en ik herinnerde me de woorden weer van mijn oom.
'Volg altijd je instincten Mocca, want die zullen je de juiste weg leiden.'
Dat had ik gedaan. Dat had ik al die tijd gedaan, tot aan het moment dat de duisternis inviel en ik zeker wist dat ik aangevallen zou worden. Ik was niet meer tot rede vatbaar geweest en nu pas zag ik in hoe dwaas ik was geweest. Ik had staan gillen en schreeuwen. Terwijl ik in het Bloedbad nog voor aanvallers was gevlucht had ik ze nu misschien aangetrokken.
De rilling die over mijn lichaam heen liep herinnerde me weer aan de mist, de koude regen, de donkere grafstenen en het feit dat ik mijn enige Bondgenoot kwijt was. Ik had Riley nooit gezien op het platform en hij kon net zo goed dood zijn. Ik zou het pas over een paar minuten te weten komen als de gevallenen aan de hemel zouden verschijnen met hun foto erbij.
Ik kon me het ijzige gegil weer voor de geest halen dat ik had gehoord toen ik over het grafstenen eilandje heen rende. Nog nooit was ik zo bang in mijn leven geweest dat dat misschien het moment had kunnen zijn dat ik zou sterven. Het sprankje geluk wat al mijn hele leven bij mij was geweest leek verdwenen te zijn. De jongen die achter me aan was gerend in de mist was zeker weten een moordenaar geweest en de ietwat duistere gedachten in mijn hoofd hoopte hem vanavond aan de hemel te kunnen zien staan. Ook al wist ik niet wie het was, ik wenste op dit moment het liefst dat hij dood was.
Toch was mijn geluk weer tot me wedergekeerd. Ik was op het eiland tegen water aangelopen en ik kon niet zwemmen, ik was zelfs bang voor water. Maar al snel had ik links een grindpad ontdekt in het water en was ik er zonder twijfeling overheen gerend. En dat pad had me naar dit eiland gebracht ook al wist ik niet precies waar ik me bevond in de arena, voor nu waren mijn gedachtes tenminste weer rustig en durfde ik mijn ogen weer te openen.
Ik moest weer even wennen aan de duisternis, maar ik zag geen enge schimmen meer of vreemde figuren in de takken van de bomen boven mij. Alles was kalm en rustig. Misschien kon ik hier maar het beste blijven liggen voor deze nacht en morgen doortrekken. Ik was uitgeput en mijn hele lichaam deed pijn bij elke beweging die ik maakte. Het was hier stil en vredig, en ik kon wel wat rust gebruiken.
Ik sloot mijn ogen alweer toen ik me plots herinnerde dat ik nog wakker moest blijven voor de gevallenen. Ook al wist ik zeker dat het harde bombastische volkslied wat er aan vooraf ging, me zeker weten zou wakker maken, wilde ik toch voor de zekerheid wakker blijven. Ik moest weten of Riley nog leefde. Zo wel, dan wist ik wat me morgen te doen stond. Hij was door de dagen heen ook mijn verantwoordelijkheid geworden en als ik zo zijn foto aan de hemel zou zien staan, zou het ook mijn schuld zijn dat hij dood was. Ik had voor hem moeten uitkijken.
Ik hield dus mijn ogen strak op de bomen voor mij gericht in de hoop dat het me wakker zou houden. De Spelmakers lieten het lang duren. De nacht was al voor meer dan een uur ingevallen en nog steeds was er niks aan de hemel te zien dan donkere lucht. Mijn ogen waren zwaar en ik had het gevoel alsof ik voor uren lang daar op die plek lag. De duisternis om mij heen werd steeds dieper terwijl ik kon voelen hoe ik soms even wegzakte en daarna weer wakker schrok. Uiteindelijk overwon de slaap op mijn intentie om te wachten en viel ik zonder moeite onder de boom in slaap.
Maar nog geen vijf minuten later schrok ik hardhandig wakker. Ik dacht eindelijk dat de gevallenen aan de hemel zouden verschijnen, maar niks was minder waar. Een harde schok zorgde ervoor dat ik wakker was geworden en nu liet het de boomstam achter mijn rug zo hard trillen dat ik dacht dat ik erdoor zou worden verpletterd.
Haastig en in paniek probeerde ik overeind te komen, maar ik struikelde weer hard en viel opnieuw op de grond. Ik kon de modder aan mijn kleding voelen plakken, maar ik wilde alleen maar hier wegkomen. Wat de trillingen ook veroorzaakte, het betekende gevaar. En van gevaar moest ik wegrennen.
Het bos vervaagde weer voor mijn ogen toen ik begon met rennen, maar dit keer waren het geen onzichtbare vijanden waar ik voor vluchtte. Het waren hele werkelijke vijanden die bijna gevaarlijker waren dan de moordlustige Tributen zelf; de Spelmakers. Zij konden met mij uithalen wat ze wilden, zonder dat ik het doorhad. Wilde ze dat ik vermoord werd door een mutilant op dit moment? Dan stuurde ze er één op me af. Ik kon mezelf toch niet verweren, en toen ik me dat realiseerde kwam alle paniek in een klap weer terug.
Ik merkte het nauwelijks toen de schokken opgehouden waren tijdens mijn geren. Pas toen ik het geluid van klotsend water hoorde en voelde hoe mijn voeten plots ijskoud en nat waren, wist ik weer waar ik was. Op een eiland, met mogelijk andere Tributen. Enkel stond ik nu aan het eind van dat eiland en staarde ik met een geschokte blik naar het platform waarvan de warmte de modder op mijn gezicht opdroogde. Het vuur was zo hoog dat het de omringende andere zes eilanden ook verlichtte. Het viel me toen pas op dat er achter de ring van deze zes eilanden zich nog een ring bevond die zo te zien maar uit twee grotere eilanden bestond. Het was net zoals het grafstenen eilandje en de zes eilanden met elkaar verbonden aan de andere eilanden door zwarte grindpaden. Maar ik was niet van plan om over zo'n pad heen te gaan. Het vuur boezemde me angst in net zoals het zwarte water bij mijn voeten deed. Ik hoorde hier niet te zijn, niet zo dicht bij iets wat de Spelmakers hadden gemaakt. Ik moest mezelf in veiligheid brengen en de enige manier hoe ik dat kon bereiken was rechtsomkeer naar de boom maken terwijl ik mijn emoties in bedwang moet houden.
Stram, maar mezelf hard toesprekend dat ik geen angst mocht vertonen, draaide ik me om en begon met kleine voetstappen terug het donkere eiland in te lopen. Ik negeerde het vuur totdat het niets meer was dan een verre flikkering in mijn linkerooghoek. Het was maar een lichtje, vertelde ik mezelf, en door die zin ebde de angst voor het vuur een beetje weg. Niet genoeg om me kalm te maken, maar genoeg om te merken welke kant ik opliep.
Na een paar minuten gelopen te hebben was het vuur verminderd tot een verre gloed die de hemel rood kleurde. Ik wilde me laten neerzakken bij een boom, totaal uitgeput, maar de bombastische muziek die plots de lucht vulde vertelde me dat de gevallenen eindelijk kwamen. Hetgeen waar ik al die tijd op had gewacht.
Met een ietwat bang gevoel keek ik omhoog door het bladerdek heen en kneep ik met mijn linkerhand zo hard mogelijk in mijn Districtsaandenken.
Vertrouw op je instinct, Mocca. Als Riley dood is kun je er niks aan doen.
Dat vertelde mijn gedachte me, maar mijn hart zei zoveel andere dingen. Natuurlijk zou het mijn schuld zijn als ik zijn foto straks in de hemel zou zien verschijnen. Ik was zijn bondgenoot, maar ik had hem niet kunnen vinden in het Bloedbad. Als hij dood bleek te zijn dan was het, omdat ik niet beter mijn best had gedaan om hem te kunnen vinden, mijn schuld dat hij nu niet meer leefde.
'De Gevallen.' Verscheen met grote letters in de lucht, precies onder het witte Capitool embleem. Het symbool wat veel mensen in deze arena haatte, maar waar ik geen ene zier omgaf. Ik wilde enkel zien hoe het cijfer zeven niet aan de hemel verscheen, en hoe Riley's lachende gezichtje me niet recht aan zou kijken.
'District 1, Zara Radley.' Op haar foto keek ze steenhard de camera in, maar haar gezicht was nog te jong om haar als angstaanjagend te zien. Enkel het feit dat ze enorm gedreven naar mij terug staarde maakte me ongemakkelijk. Ze was een Beroeps en ik was blij genoeg voor het feit dat ze dood was. Dat betekende één moordlustige Tribuut minder.
Haar gezicht verdween en ik had verwacht de volgende gevallen te zien, maar er verschenen andere letters boven de volgende foto. Ietwat geschokt staarde ik terug naar de aardige ogen van de jongen die totaal niet leken op de ogen die ik voor me zag bij het woord wat boven zijn foto zweefde.
'De Moordenaar. District 10, David Curtis.'
Zijn foto verdween sneller als die van Zara, maar alsnog bleef ik het voor me zien. In de vorige Spelen was het nooit zo geweest dat de moordenaars ook expliciet werden afgebeeld in de lucht. Maar in deze Spelen leek alles mogelijk. Hadden de Spelmakers het gedaan om andere Tributen angst in te boezemen voor hun Medetributen? Of was het een oprechte waarschuwing?
Voor mij kwam het meer over als een idee van de Spelmakers om voor onrust te zorgen tussen Bondgenoten. Mocht een Bondgenoot ooit de foto van de persoon die naast hem of haar lag te slapen aan de hemel zien verschijnen zou dat zeker voor twijfels bij hem of haar zorgen. Want wie zegt dat hij zijn eigen Bondgenoot niet zou vermoorden als hij ook geen moeite had met een andere Tribuut?
Ik huiverde terwijl ik aan Riley dacht en klemde mijn armen om mijn lichaam heen in de hoop warm te blijven. Ik had door mijn gedachtes twee foto's gemist, en kwam pas bij zinnen toen ik Colleen Dunmore uit District 6 aan de hemel zag verschijnen. Haar gezicht was lieflijk en de glimlach op haar gezicht speels. Een meisje waarvan ik niet had verwacht haar nu al tussen de gevallenen te zien verschijnen, en ergens had ik er moeite mee wetend dat ze nooit meer zo zou kunnen glimlachen.
Bij de moordenaars foto die na haar verscheen keek ik weg. De blik in Lerola's ogen zei genoeg. Ze keek geobsedeerd, gestoord en bloeddorstig mijn kant op en het liefst wilde ik dat zij met Colleen van plaats was geruild. Ik zou er geen moeite mee hebben om naar haar te kijken als er gevallenen boven haar hoofd zou staan in plaats van moordenaar. Toch bleven mijn gedachten niet de gehele tijd bij haar. District 6 was geweest wat zou betekenen dat als Riley dood zou zijn hij nu moest komen. Dus mijn hand greep vrijwel automatisch de dobbelsteen steviger vast en ik drukte zachtjes mijn lippen op elkaar.
Maar er kwam geen District 7. Het cijfer 8 verscheen in de lucht en het waren twee foto's tegelijkertijd met beide het woord gevallenen en moordenaar erboven. Het viel me niet op. Ik was te opgelucht dat Riley de dag had overleefd en dat er een kans was dat hij op ditzelfde eiland rondliep.
Er was een kans dat ik hem zou kunnen vinden.
Die woorden bleven door mijn hoofd heen spoken terwijl de foto's in de lucht weer verwisselden. Ik had er geen oog meer voor. Alleen het feit dat ik nu Riley moest gaan zoeken was nog relevant. Met een ijverig commando vanuit mijn hoofd stond ik dan ook snel op terwijl mijn hele lichaam schreeuwde om rust. Maar ik gunde het mezelf niet. Riley was nu belangrijker. Hij was degene die ik nu moest vinden en waarvoor ik moest zorgen. Hij was nu mijn prioriteit en mijn nachtrust zou ik kunnen uitstellen. Er was nu nog een grote kans dat hij in de buurt was. Morgen zou hij misschien verder trekken of oversteken naar één van de twee grote eilanden achter de zes kleinere. En dan zouden mijn kansen al helemaal niet meer in mijn voordeel zijn in de hoop hem te kunnen vinden.
Met stevige passen stapte ik dan ook al snel over de drassige grond heen. Ik negeerde alles om me heen en bleef me enkel focussen op het mentale beeld van Riley. Als ik hem zou zien zou ik weten dat ik hem had beschermd. Als ik hem zou zien zou ik weten dat-
Een harde knal tegen de zijkant van mijn lichaam onderbrak mijn gedachtes. Opnieuw viel ik met mijn hoofd in de modder en voelde ik pijnlijke steken door mijn rug heen schieten. Ik kreunde zachtjes, maar kon eerst niks uitmaken in de duisternis voor mij totdat ik twee paar grove schoenen voor me zag staan. Schoenen van een Tribuut.
Mijn adem stokte in mijn keel en mijn ogen volgde de schoenen langzaam omhoog totdat het lichaam van de persoon zichtbaar werd. Breedgeschouderd, gespierd en met een zwaard in zijn handen stond hij voor me. Maar zijn gezicht was het enige wat nog mijn aandacht had. Het was het gezicht van David.
Het gezicht van een moordenaar.
AN:
Het eerste (eigenlijk tweede, but who cares) arena hoofdstuk! Volgens mij gaat dit een lange SYOT worden. Mijn streven is minimaal 35 a 40 hoofdstukken (in totaal) tot aan de finale, maar gezien het feit dat dit hoofdstuk nog allemaal Dag 1 was, denk ik dat het meer gaat worden. Hopelijk hebben jullie dus zin in veel leesvoer! Ook is dit hoofdstuk en de POVS erin een stuk langer dan normaal, zoals ik ook al had voorspelt haha.
Niet enorm veel spanning in dit hoofdstuk, eigenlijk pas op het einde bij Mocca! Daar heb ik dan ook gelijk maar een cliffhanger neergezet, want dat is natuurlijk het leukst om te doen in de arena. Hopelijk komt het volgende hoofdstuk er dan ook snel op zodat jullie niet lang in spanning hoeven te zitten!
Ik zal deze AN kort maken, ik heb alleen nog maar de puntentelling voor jullie en nog één vraag!
De Puntentelling:
LaFlorine - 35 Punten.
Greendiamond123 - 44 Punten.
MyWeirdWorld - 60 Punten.
SirWalsingham - 46 Punten.
FF-Schwarz - 39 Punten.
MadeByMel - 30 Punten.
TeenReadToo - 28 Punten.
JoyMainhood - 12 Punten.
LauraTwilightHungerGamesHPfan - 25 Punten.
Sharonneke95 - 40 Punten.
Cicillia - 18 Punten.
Leakingpenholder - 31 Punten.
Florreke - 21 Punten.
LeviAntonius - 60 Punten.
NoxSelkirk - 6 Punten.
Azmidiske87 - 8 Punten.
Serenetie-ishida - 7 Punten.
Evalovespeeta - 2 Punten.
Nu dus alleen nog maar de vraag! Ik ben van plan om tussen de arena hoofdstukken door ook (iets kortere) hoofdstukken te schrijven over Thuisdistricten (en dus familie), Mentoren en Begeleiders, en misschien zelfs ook Spelmakers. Lijkt jullie dit wat om dit ong. om de 5 hoofdstukken te hebben? De eerste volgende zal wel wat eerder zijn namelijk na de volgende twee hoofdstukken al en zal zich focussen op 3 Thuisdistricten en daar de familie/vrienden en hoe zij omgaan met de Spelen. Hoogstwaarschijnlijk zullen deze hoofdstukken korter zijn dan de arena hoofdstukken, alhoewel ik dat niet kan beloven.
Maar goed, lijkt jullie dit wat? Ja of nee, en laat me het me vooral weten!
Voor nu kijk ik vooral uit naar jullie reacties in de reviews! Laat me weten wat je van Alex, Rhine en Mocca vond, maar natuurlijk vooral van hun stukjes en de geheimzinnige voorwerpen!
Liefs,
Jade
P.s. De titel hebben jullie te danken aan MyWeirdWorld en ik wil haar en LeviAntonius dan ook nog even kort bedanken voor hun hulp met dit hoofdstuk!
