Dag 1: Morgenrood.
District 10 – David Curtis(18) POV. Dag 1: Rond middernacht.
Haar gezicht was bedekt met zweet en slierten haar plakte tegen haar voorhoofd aan terwijl ik het afgescheurde stuk shirt er tegenaan depte. Haar rasperige ademhaling zorgde ervoor dat ik mijn ogen geen moment van haar gestalte weghaalde, bang dat elke adem teug de laatste kon zijn. Toch straalde haar groene ogen een kracht uit die ik niet eerder bij haar had gezien.
'Stop met dat gedoe, David. Ik red me prima.' Mompelde Emily, maar haar stem ging vrijwel gelijk over in gehoest waardoor ze pijnlijk begon te kreunen. Ik kon de blauwe vingerafdrukken van Zara in haar nek zien staan en ik wist dat haar rug er niet veel beter uit zag door de val die ze had gemaakt bij het Bloedbad.
'Je weet dat je hulp nodig hebt.' Zei ik iets ruwer dan bedoelt, maar ze duwde mijn hand weg toen ik het zweet weer weg wilde deppen.
'Ja die van Sponsoren, niet die van jou.' Haar woorden kwamen hard aan, maar ik nam het niet persoonlijk op. Ik was nog steeds degene die haar van Zara had gered en die er nu voor zorgde dat ze deze nacht zou overleven. Ik had haar vingers gespalkt, haar warm gehouden door haar ook mijn jas te geven en haar het grootste deel van ons gevangen voedsel te laten opeten. Misschien zag zij het niet zo, maar ik wist dat we elkaar nodig hadden. Emily had de hersenen om te overleven, maar niet de kracht terwijl het bij mij precies andersom zat. Ze mocht dan misschien koppig en ongevoeliger overkomen dan in het Capitool, het feit bleef nog steeds dat ik het niet zou redden zonder haar. En zij niet zonder mij.
In de tijd dat ik zwijgend naast haar had gezeten was ze van mij afgekropen richting het kampvuur wat nu niets meer was dan nog een paar kleine gloeiende kooltjes. Nog steeds kwam er een kleine warmte vanaf, maar dat was blijkbaar niet het gene wat ze zocht. Zuchtend en brommende greep ze de rugzak waar het bloed van Zara nog steeds opzat en sleepte dat mee terug naar de boom waar ze eerder tegenaan had gezeten.
Met een pijnlijke grimas nam ze weer naast mij plaats en trok de rits van de donkere rugzak open. Ik wist niet wat ze zocht, ik had hem al nagekeken en was niks anders tegen gekomen dan een pak pleisters, crackers, een fles water en wat lucifers voor een kampvuur. Niets wat haar kon helpen. Toch begon ze alles er weer uit te halen met een driftige blik op haar gezicht.
'Er zit niks in Emily, we hebben geen medicijnen.' Mompelde ik, en probeerde haar hand zacht vast te pakken, maar ze trok geïrriteerd terug.
'Je moet niet goed gekeken hebben. Ik weet zeker dat er iets is!' Haar snauwende stem liet me schrikken en toen ze niks meer uit de rugzak kon halen, begon ze hem op de kop uit te schudden. Ik durfde haar niet meer te stoppen, bang voor een nieuwe driftbui. Maar toen ze zelf ook merkte dat het nutteloos was wat ze deed, smeet ze de rugzak boos weg en probeerde haar gezicht van me te verbergen.
Mijn blik bleef op de rugzak gericht. Een glinstering die ik niet eerder gezien had werd zichtbaar door de kleine gloeiende kooltjes. Een onzichtbaar vak zat aan de achterkant van de rugzak en eruit stak een zwart, dik touw waar tussendoor zilverkleurige draden waren geweven. Alsof het voorwerp uit kristal bestond pakte ik het voorzichtig op en bestudeerde het nauwkeurig.
Het touw was zo stevig dat het nauwelijks te buigen was. De met kristal ingelegde handvatten die aan beide kanten zaten konden vast gemaakt worden aan elkaar waardoor er een stevige ketting zou ontstaan. Ik was te geïntrigeerd door het touw dat ik niet merkte dat Emily was opgestaan. Pas toen ik haar pijnlijke gezucht hoorde merkte ik dat ze langzaam van ons kampvuur afliep. Alsof het touw me brandde liet ik het vallen en sprong ik op.
'Wat ga je doen?' Schreeuwde ik iets te luid, maar Emily hield wel halt en draaide zich langzaam om met een grimmige blik op haar gezicht.
'Ik heb pijnstillers nodig David anders red ik het niet. Ik ken de planten die daarvoor nodig zijn, dus ik ga ze zoeken.' Ik kon haar ogen zien glimmen, de tranen in haar ooghoeken zien zitten, maar haar gezicht vertoonde geen zwakte.
'Laat mij het voor je halen.' Ik stapte langzaam op haar af en leidde haar weer rustig terug naar de boom terwijl ze me met een schuin oog in de gaten hield. Het zweet stond weer op haar voorhoofd en zag het langs haar nek naar beneden druipen. Zachtjes zette ik haar weer tegen de bast aan terwijl ze begon met vertellen welke plant ze nodig had.
Nog geen tien minuten later had ik haar en ons kleine kamp de rug toegedraaid terwijl ik stil door de duisternis van de arena heen liep. Zonder Emily die altijd geluid maakte merkte ik plots op hoe stil deze arena was. Ik hoorde nauwelijks vogels of zacht geritsel van dieren in bosjes zoals altijd wel het geval was in District 10 in de bossen. Als ik 's ochtends ging jagen dan hadden de geluiden van dieren mij altijd gezelschap gehouden en mij erop gewezen waar voedsel te vinden was. Nu hoorde ik echter niets anders dan het zachte geluid van de wind en het plotselinge, korte gekraai van een raaf.
Het zwaard wat ik eerst rustig en beheerst had vastgehouden, greep ik nu met elke stap steviger vast totdat mijn knokkels wit zagen van de druk die ik erop uitoefende. Het bloed van Zara had ik er af gepoetst, maar nog steeds hing de herinnering aan haar dood er aan vast. Ik had het niet kunnen vermijden, anders was Emily nu dood geweest, maar ik voelde me er alles behalve beter door. Toen mijn foto aan de hemel was verschenen met die van Zara leek mijn binnenste in ijs verandert te zijn.
De Moordenaar. District 10, David Curtis.
Dat had er gestaan. Die simpele woorden hadden mijn lot bevestigd waaraan elke Tribuut mij nu zou herkennen. Ik wist dat ze dat ook zouden doen als ze me zouden zien. Niemand zou mij nu nog anders zien als de Tribuut die een Beroeps had vermoord. Maar het enge was, dat ik wist niet of dit positief of negatief was. Ik had een Beroeps gestopt, het gespuis wat iedereen in deze arena zowat haatte. Maar ik had ook een vijftienjarig meisje vermoord.
Ik had gemoord. Zo simpel was het.
Mijn hand streek plots langs de bladeren van een struik en terwijl ik bukte om het te onderzoeken drukte ik de gedachtes aan Zara's levenloze lichaam weg. Ik fluisterde de kenmerken die Emily had genoemd weer op en mijn ogen gleden over de bladeren van de plant heen. Mijn vingers streken over de bladeren heen en ik wist dat het deze plant was, maar ik had het binnenste van de struik nodig. Het gedeelte waar de bessen groeiden.
Op mijn knieën duwde ik verder de struik in en negeerde de krassen die de takken op mijn hand maakte. Ik voelde de bladeren langzaam verdwijnen totdat mijn vingers zich sloten om iets zachts en rond. De bessen.
Ik wilde terug trekken, een volle hand mee terug nemen, maar een geritsel links van me stopte me in mijn beweging. Ik verloor de grip op de bessen en hoorde ze zacht op de grond vallen terwijl ik mijn hand terug trok. Met mijn zwaard geheven schoof ik achter de bosjes vandaan, maar ik kon niks zien. Langzaam stond ik op en probeerde met mijn ogen door de dikke, grillige duisternis heen te kijken. Stap voor stap schuifelde ik achteruit. Het zwaard glinsterde in het maanlicht en even dacht ik er weer bloed op te zien, maar een enorme knal tegen de zijkant van mijn lichaam zorgde ervoor dat het zwaard uit mijn hand viel.
Alsof er al een mes in mijn rug werd gestoken greep ik hysterisch naar mijn zwaard en wees ik het met beide handen naar het lichaam wat op de grond lag. Het pijnlijke gekreun wat ik hoorde deed me in een flits terug denken aan Emily, en ik besefte dat haar veiligheid ook afhing van de keuzes die ik nu zou maken. Maar het was niet Emily die op de grond lag, maar een klein meisje die ik niet herkende.
Haar gezicht draaide zich om en eerst dacht ik dat ze me niet zag totdat haar ogen die van mij vonden. Groot, bruin en vol met angst staarde ze me aan terwijl ze onder de modder en viezigheid zat. Haar handen lagen trillend tegen haar borst aan en ik kon de paniek op haar gezicht zien groeien met elke seconde die ze me aanstaarde. Ik was de moordenaar die ze zojuist aan de hemel had gezien en nu stond ik met geheven zwaard voor haar. Maar ik liet hem niet zakken.
'A-alsjeblieft, ik wil n-niet vechten.' Mompelde ze, maar haar woorden waren nauwelijks te verstaan. Ik zag haar ogen heen en weer schieten tussen het zwaard en mijn gezicht, maar ik kwam niet in beweging. Mijn gedachtes maakten overuren. Haar lichaam die zo fragiel en trillend op de grond lag kon een masker zijn voor het feit dat ze al aan het plannen was hoe ze mij het snelste af kon maken.
'Naam en district!' Mijn stem klonk hees, onzeker, maar het meisje leek het niet te merken. Ze dook alleen maar verder in elkaar en mompelde snotterend dat ze uit District 7 kwam en dat ze Mocca heette. Ze kon niet ouder zijn dan vijftien en te zien aan de staat waarin ze verkeerde had ze de eerste dag nauwelijks overleefd.
Ik wist me geen raad meer toen ik de tranen over haar vieze wangen zag druipen. Moest ik haar laten lopen en het risico nemen dat ze me later alsnog zou aanvallen? Of moest ik hetzelfde doen als dat ik bij Zara gedaan, moest ik moorden?
Het was dit keer geen Beroeps en dat maakte de hele gebeurtenis alleen nog maar meer verwarrender. Mijn handpalmen werden steeds zweteriger waardoor mijn grip op het zwaard verslapte. Ik liet het iets zakken en het meisje zag dit als een teken dat ze zich kon bewegen, maar zo gouw als dat ik zag hoe ze zich omdraaide om op te krabbelen, stak ik het zwaard zo hard als eerst weer naar voren.
'Sta op!' Kreeg ik uit mijn keel geperst en schokkerig stond ze langzaam op terwijl ze haar handen in de lucht hield. Mijn handen beefden terwijl ik het zwaard in haar rug zette, precies op dezelfde plek waar ik Zara ook had doorboort, en haar commandeerde om door te lopen.
Wist ik wel waar ik mee bezig was? Ik leidde haar naar ons kleine kampement, onze schuilplaats waar Emily zwetend tegen een boom aanzat in de hoop dat ik een medicijn had gevonden. Maar ik had alles behalve een remedie voor haar pijn. Ik zou het haar alleen maar lastiger maken door Mocca naar haar toe te brengen, maar zij wist wat we moesten doen. Zij nam de beslissingen.
Ik wist dat we dichtbij waren toen ik de geur van het gloeiende kampvuur rook. De geur van onze vangst die we erboven hadden gebraden hing nog lichtjes in de lucht en ik zag Mocca voor mij haar armen om haar maag heen slaan. Met mijn zwaard duwde ik haar de juiste kant op totdat ze plots stil hield en geschrokken iets achteruit stapte.
Voor ons stond Emily, met een klein mes opgeheven naar Mocca's gezicht terwijl zichzelf luid hijgend overeind probeerde te houden. Ze staarde haar intens aan, maar toen ze mij zag liet ze haar mes zakken en strompelde ze achteruit.
'Wat heb je gedaan?' Vroeg ze ongelovig terwijl haar ogen kort naar Mocca schoten.
'Ik kwam haar tegen onderweg, ik wist niet wat ik anders moest doen!' Mijn stem klonk wanhopig en Emily had het door. Ze greep Mocca bij haar arm vast en trok haar van me weg waarna ze beval dat ik mijn zwaard weg moest doen.
'Ik heb haar niet aangevallen.' Mijn mompelende stem ging in het teniet terwijl Emily Mocca fouilleerde. Ze negeerde me compleet en nam Mocca mee naar het dovende kampvuur toen ze merkte dat er niks in haar zakken zat. Ze drukte haar zachtjes neer en sloeg mijn jas zelfs om haar schouders heen.
'Je hebt vast honger, eet wat.' Ze pakte het stuk vlees wat we op een paar grote bladeren hadden gelegd en gaf het aan Mocca. Deze nam zonder nadenken het eten aan en begon te eten alsof wij niet meer in de buurt was.
Ongelovig nam ik de scene voor me in me op. Mijn mond had ik al open gedaan om te vragen waar Emily in hemelsnaam mee bezig was, maar ze onderbrak me door me met een dringende blik aan te kijken en wenkte me naar de rij bomen achter ons kampement.
'Ik heb haar niet hier gebracht zodat ze ons voedsel kan opeten!' Zei ik meteen toen we buiten geluidsafstand van Mocca waren.
'Je snapt het niet he? Ze is een veertienjarige alleenstaande Tribuut, hetgeen waar Capitoolse Sponsoren maar al te graag hun geld aan uitgeven! En wij hebben sponsoren nodig David.' Ze sloeg haar armen over elkaar heen, maar ik kon zien dat het haar moeite kostte.
'Dus je wilt haar als Bondgenoot?' Vroeg ik ongelovig, maar Emily trok zich er niks van aan en knikte vast beraden.
'Precies en ik ben niet van plan om er over te discussiëren.'
'Wat nou als ze vannacht nog onze kelen doorsnijd en onze spullen meeneemt? Of ons verraad?' Vroeg ik, maar Emily rolde enkel met haar ogen. Ik voelde me echter plots naakt zonder mijn zwaard in mijn handen en rilde bij het idee dat het wapen praktisch naast Mocca lag. Klaar om gebruikt te worden.
'Heb je haar gezien zojuist? Dat doet ze niet.' Emily nam aanstalten om weg te lopen, omdat het gesprek duidelijk voor haar gesloten was, maar ik was nog niet klaar met haar. Deze beslissing had ook te maken met mij en ik was het er alles behalve mee eens. Emily leek het echter niks te schelen. Het was haar wil en haar wet in dit Bondgenootschap.
'En als ze dat wel doet?' Schreeuwde ik luid en ze had haar rug al naar me toegedraaid. Toch hield ze halt en draaide ze haar hoofd langzaam naar mij terug. Haar blik was duister terwijl ze de woorden fluisterde, maar ik kon ze luid en duidelijk verstaan.
'Dan vermoorden wij haar eerst.'
District 11 – Katy Moonway (12) POV. Dag 1/2: Enkele momenten voor zonsopkomst.
De donkere nachtlucht verdween langzaam waardoor ik hun gezichten nu duidelijk kon zien. Het meisje haar blonde haar lag in een warrige hoop rond haar hoofd terwijl ze de slaapzak tot aan haar kin had opgetrokken. De jongen lag achter haar, rillend van de kou, omdat hij niks meer had dan een plasticzeil. Het was aandoenlijk om te zien hoeveel moeite hij deed om zichzelf warm te houden terwijl zijn Bondgenoot er duidelijk niks om gaf.
Een steek in mijn gezicht zorgde ervoor dat ik kort wegkeek. Ik probeerde de pijn te verbijten, maar mijn lippen kon ik niet bewegen zonder zelf te schreeuwen. De wonden in mijn gezicht waren nog te pijnlijk en te vers. Het bloeden was pas sinds een uur geleden opgehouden en nu restte enkel nog de stank van het pus wat eruit kwam zetten. De twee Tributen die in hun schuilplaats lagen waren er duidelijk beter aan toe dan ik. En dat kwam allemaal door de mooie gecamoufleerde rugzak die voor het meisje lag.
Ik wist zeker dat het erin zat. Ze konden niet zo ongeschonden bij het Bloedbad vandaan zijn gekomen. Zij moesten medicijnen hebben, medicijnen die ik nodig had wilde ik de rest van de Spelen overleven. Hoe erg ik de pijn ook verbeet, ik wist dat het niet lang zou duren voordat het mij fataal zou worden. En dan zou niets mij nog kunnen helpen, enkel een sponsorgift waarvan ik wist dat ik er niet op kon rekenen. Mensen waren onbetrouwbaar, dat wist iedereen.
Ik schrok op toen het zachte gekraak van plastic in de stilte weerklonk. De jongen had zich omgedraaid waardoor hij nu met zijn rug naar mij toe lag, maar het meisje lag nog steeds met haar gezicht richting mij. Als ze niet om de paar seconden een kleine beweging in haar slaap zou maken had ik gedacht dat ze dood was. Haar gezicht was lijkbleek terwijl de botten in haar gezicht zo erg uitstaken dat het leek alsof ze nog nooit een maaltijd had gehad. Maar ik kon geen medelijden voor haar opwekken. Ik was degene die de rugzak het hardst nodig had, niet zij en niet haar Bondgenoot.
De ochtendgloren begonnen de lucht steeds meer kleur en licht te geven waardoor mijn tijd snel opraakte. Wilde ik mijn doel bereiken dan moest ik nu handelen. Ik kon me niet hier blijven verschuilen als een bang twaalf jarig meisje. Ik was geen twaalf meer, niet in deze Spelen. Hier was ik volwassen en daar moest ik me naar gedragen.
Voor het eerst sinds een uur dwong ik mijn lichaam om te bewegen en probeerde ik mijn pijnlijke gekreun te dempen. Het cijfer één dat Lerola in mijn wang had gekerfd trok aan mijn gezicht en leek mijn huid nog verder uit te scheuren toen ik mijn hoofd omdraaide om er zeker van te zijn dat er niemand in de buurt was die me opmerkte. Maar de twee Tributen voor me leken niks van mijn pijn of bewegingen mee te krijgen. Ze bleven doorslapen alsof er geen gevaar in de buurt was.
De gedachte om hun kelen door te snijden in hun slaap was kort in me opgekomen, maar ik had het snel naar mijn achterhoofd toe gedwongen. Ik was geen moordenaar. Ik vocht alleen uit zelfverdediging. Het Capitool had mijn leven al genoeg verwoest, ik wilde ze nu niet het plezier gunnen om te juichen voor de Tributen die door mijn handelingen dood zouden zijn.
Mijn voetstappen waren geruisloos, niets meer dan het geluid van de zompige grond eronder. Ik was maar een paar stappen verwijderd van hun schuilplaats die ze zo goed mogelijk hadden geprobeerd te camoufleren. Maar ik had ze gevonden, ik had mijn buit gevonden en dus hetgeen wat mij moest gaan redden.
De wind blies zachtjes langs mij heen en terwijl het geluid van ritselende bladeren de lucht vulde stapte ik wat sneller door. Ze hadden nog steeds niks in de gaten. Het meisje had haar ogen gesloten, maar hoe dichter ik bij haar in de buurt kwam, hoe meer ik het idee had dat ze eigenlijk dood was. Toch zag ik haar borst op en neer gaan en kon ik haar ademhaling horen. Haar lijkbleke gezicht daarin tegen leek met elke stap meer op dat van een lijk. Het was zo angstig wit dat het bijna onnatuurlijk leek, alsof ze er iets op had gesmeerd of iets haar huid zo had gemaakt.
Doordat ik zo gefocust was op haar gezicht vielen de kleine takjes voor mijn voeten me niet op. Pas toen het gekraak onder mijn schoenzolen mijn oren bereikte merkte ik dat ik niet stil verder kon lopen. Bijna alsof ik in mijn rug werd gestoken keek ik angstig op naar het meisje, maar nog steeds waren haar ogen gesloten en sliep ze geruisloos verder.
Ze was zich van geen gevaar bewust en ergens ver weg in mijn hoofd baadde ik me zorgen om haar. Als iemand ze zou vinden die ze wel zou willen vermoorden zou dat zonder problemen gaan. Het feit dat dat niet mijn probleem was zorgde ervoor dat ik zachtjes door schuifelde. Zonder mijn voeten op te tillen bereikte ik de smalle ingang naar hun schuilplaats en dus ook de rugzak.
Hij was al open en een deel van de spullen kon ik zo al zien zitten. Pas na enkele seconden er geobsedeerd naar te hebben gestaard merkte ik op dat er ook een bebloede pan naast de jongen lag. Niet ver van zijn hand verwijderd en daardoor was het een wapen die makkelijk tegen mij gebruikt kon worden als ze me zouden opmerken.
Rugzak.
Wapen.
De pan was al met bloed bedekt en het was dus duidelijk dat ze er al iemand mee neer hadden geslagen. Toch bleef de rugzak mijn naam schreeuwen, het was mijn redding notabene. Mijn hand rekte zich er al naar uit zonder dat ik erover nadacht. De verleiding ervan was te groot. Het feit dat mijn overleving daarin moest zitten was te groot om te negeren.
Het geluid van de rugzak die over de grond heen sleepte klonk enorm luid in mijn oren. Als bedeesd bleef ik naar het meisje kijken, maar ze verroerde geen vin. Mijn hand versterkte zijn greep om de lus en het liefst wilde ik meteen wegrennen zonder nog om te kijken. Maar mijn blik viel op de pan naast de jongen, bebloed en al pronkte het als een wapen dat ik niet had. In de rugzak zou ik er geen vinden, daar was ik wel zeker van en zonder kon ik me niet verdedigen. Hoe erg ik het ook vond om toe te geven; ik had die pan nodig.
Ik schoof de rugzak zachtjes achter me en schuifelde nog wat meer naar voren. Mijn hart leek uit mijn borstkast te bonken en de wonden kon ik meer voelen branden als ooit. Ik moest me over hem heen buigen wilde ik er goed bij kunnen en langzaam strekte ik dan ook mijn hand uit om de steel vast te grijpen.
Het koude metaal wat mijn brandende vingers ontmoette liet me lichtelijk schrikken, maar snel genoeg trok ik de pan weg van de jongen en kroop ik terug naar mijn rugzak. Hij heeft niks gemerkt, hij is niet wakker geworden, je bent veilig. Dat was het enige wat er door mijn hoofd heen dreunde totdat mijn voet met een luidde bonk tegen de rugzak aankwam en er een metalen veldfles uitschoot. Al rinkelend rolde deze uit de schuilplaats de kleine heuvel af terwijl ik enkel kon toekijken hoe de ogen van het meisje voor mij openschoten en me recht aankeken.
Voor ik kon begrijpen wat er gebeurde zag ik hoe haar ogen van een felblauwe kleur verschoten en ze me met gifgroene dodelijke aanstaarde. Ik gilde, zwaaide de pan haar richting op waardoor de jongen ook wakker werd, maar ik had geen tijd om te reageren. Het meisje dook weg en schoot met haar hand naar mij toe in een poging me weg te slaan. Ik probeerde me om te draaien om weg te rennen, maar geschokt keek ik toe hoe er een groene slinger van zeewier uit haar mouw schoot en zich om mijn enkel heen wikkelde.
Met brandende pijn opende ik mijn mond om te gillen, maar het was niet mijn stem die de lucht vulde, maar die van haar. Het ijselijke gekrijs klonk niet menselijk, maar ik zag dat ze er zelf ook van schrok en ze haar hand los probeerde te rukken van het zeewier. Niks hielp en ik zag mijn kans schoon om weg te komen van haar en haar Bondgenoot die haar net zo geschokt aanstaarde als ik enkele seconde geleden.
'Leandros, help!' Schreeuwde ze luid, maar het klonk zo verwrongen dat ze weer begon met schreeuwen.
Ik wierp de pan naar haar pols toe waardoor ze achterover viel en ik mijn enkel uit haar greep kon verlossen. Zonder nog maar te proberen de pan van de grond af mee te nemen rende ik half struikelend de schuilplaats uit terwijl ik de rugzak achter me aantrok. De veldfles liet ik liggen, het enige wat telde was dat ik wegkwam van de plek waar het vreemde meisje me had aangevallen.
Luid hijgend rende ik tussen de bomen door, maar ik kon me niet concentreren op de geluiden rondom mij. Het enige waar ik aan kon denken was het meisje. Haar vreemde verandering van oogkleur en het zeewier wat uit haar mouw kwam zetten. Had ze een sponsorgift gehad? Of een vreemd wapen bemachtigt? Ik kon niet bedenken hoe het zou moeten werken, enkel dat het voor rillingen op mijn rug zorgde en ik er steeds meer van in paniek raakte.
'Rustig, Katy. Je bent daar weg, je bent veilig.' Sprak ik mezelf zo luid als ik kon toe, maar mijn passen werden alsmaar langzamer totdat ik uiteindelijk stil stond. Mijn gehijg was het enige wat volgde samen met de immense pijn die er door mijn lichaam heen schoot. Die pijn herinnerde me aan het feit dat ik niet over het meisje na hoorde te denken, maar aan mijn eigen zorgen moest denken.
Aan mijn wonden.
Zo snel ik weer op adem was gooide ik de rugzak op de grond en schudde ik alle spullen eruit. Een pak crackers, de hoes van een slaapzak en een dun, kort touw wat om het plasticzeil moest hebben gezeten kwamen uit de tas zetten. Maar geen medicijnen.
Geen medicijnen.
De pijn in mijn gezicht leek plots duizend keer zo erg te zijn en dit keer kon ik me niet inhouden. Tranen rolde geluidloos over mijn verminkte wangen heen terwijl mijn schouders begonnen te schokken. Al het werk voor niks. Ik had mezelf verraden voor niks en had van twee onschuldige Tributen gestolen voor niks. Enkel voor een paar prullen waar ik geen barst aan had. De medicijnen die ik nodig had waren er niet en daardoor zou ik langzaam dood gaan door de verrotting van mijn wonden. Geen enkele Sponsor zou er wat omgeven. Niemand zou mij helpen.
Met een doffe plof liet ik me neervallen op de drassige grond en rolde ik mezelf op terwijl ik mijn snikken probeerde te onderdrukken. Maar het had geen zin. Ik wist nu dat ik dood zou gaan. Ik zou over een paar dagen opgehaald worden door de hovercrafts van het Capitool waarna mijn verminkte lichaam terug zou worden gebracht naar mijn ouders.
En niemand zou er iets om geven.
District 3 – Mayline 'May' Chima (17) POV. Dag 1/2: Rond zonsopkomst.
Ik zat op het randje van wanhoop. Mijn haar bestond uit één en al klitten terwijl het compleet uit model was gevallen. Het zweet op mijn lichaam leek steeds meer te worden, maar wegvegen hielp niet. Muggen kwamen op me af alsof ik een maaltijd was en om de minuut voelde ik hoe ik ergens werd geprikt. Mijn lichaam jeukte, maar vooral was ik uitgeput. Ik kon niet meer. Ik wilde niet meer. Waarom was ik degene die mee moest doen aan deze vervloekte Spelen? Waarom niet iemand anders die het wel verdiende.
Tranen begonnen weer in mijn ogen op te wellen en half snikkend sjokte ik achter Avon aan. We hadden nog geen moment rust genomen sinds de foto's van de gevallenen aan de hemel waren verschenen en Katy daar niet tussen had gezeten. Als een bezeten beest liep Avon nu voor me uit zonder ook maar om te kijken of ik het wel redde. Hij had niet eens aan me gevraagd of ik het ermee eens was dat we haar gingen zoeken. Hij leek alleen nog maar om Katy te geven, terwijl ik zijn Bondgenoot was.
'Avon,' pufte ik hard, maar hij keek niet om. 'Kunnen we alsjeblieft even pauzeren? Mijn voeten doen zo'n pijn. We lopen al zowat de hele nacht.' Nog steeds kreeg ik geen reactie, het enige wat volgde was het gezoem van een mug bij mijn oor. Piepend en kreunend probeerde ik het beest weg te wapperen, maar niks hielp. De warme tranen dropen nu toch echt over mijn wangen heen waardoor ik zeker wist dat mijn mascara nog meer uitliep.
Ik haatte het hier. Ik wilde hier weg. Alles was beter dan hier rondlopen alsof we zwervers waren. Ik was de dochter van de Burgemeester uit District 3 notabene! Ik hoorde hier helemaal niet te zijn. Ze hadden een armzalig meisje uit moeten kiezen waar niemand iets om zou geven als die dood zou gaan, niet ik. Ik verdiende het om te blijven leven.
'We zullen haar zo vinden.' Bromde Avon opeens over zijn schouder heen, maar ik geloofde hem absoluut niet. Ik was gestopt met huilen en probeerde mijn mascara van mijn wangen af te vegen terwijl ik geïrriteerd mijn mond opentrok om wat te zeggen.
'Dat weet je niet, je weet niet eens waar ze is!' Zuchtte ik luid, maar hij keek niet langer achterom. Ik had er schoon genoeg van om mezelf uit te putten voor een klein meisje die het absoluut niet waard was. Ze kon zich vast en zeker prima zonder ons redden, ze had onze hulp niet nodig. Avon was van mij, en van niemand anders. Hij was mijn Bondgenoot.
'Je zoekt haar dan maar lekker zelf, ik blijf hier.' Tot mijn genoegen stopte hij met lopen en snel sloeg ik mijn armen over elkaar heen om te laten zien dat ik het meende. Hij zou me niet zomaar verlaten, ik was belangrijker dan Katy en dat wist hij maar al te goed.
'Mayline,' zuchtte hij en hij draaide zich langzaam naar me toe. 'Waarom doe je dit?' Zijn ogen zagen er vermoeid uit terwijl ik het zweet op zijn voorhoofd kon zien staan.
'Ik doe helemaal niks. Ik ben het zat om achter je aan te rennen! Katy heeft je hulp niet nodig, maar ik wel, ze red het prima zonder ons.' Boos stampte ik van hem weg om plaatst te nemen op een omgevallen boomstam. Het ding zat onder het mos en ik kon er hier en daar wat wormen overheen zien kruipen. Ik probeerde het er met mijn mouw wat af te vegen, maar dat resulteerde alleen maar in het feit dat ik viezer werd, en de boomstam niet veranderde. Uiteindelijk nam ik met een geïrriteerde zucht plaats en merkte ik dat Avon in die tijd achter me had gestaan met een wanhopige blik in zijn ogen.
'Ze heeft onze hulp wel nodig, je hebt de plas bloed op het Platform ook gezien. Ze is gewond en wij moeten haar helpen.' Hij knielde voor me neer, maar ik wendde mijn hoofd van hem af.
'Vind je Katy aardiger dan ik? Is dat het?' Mompelde ik geïrriteerd terwijl ik met afschuw naar mijn gebroken nagels keek waar allemaal modder en viezigheid zich onder had verzamelt.
'Daar gaat het niet om, het gaat erom-'
'Je vind haar dus echt belangrijker. Terwijl ik degene ben waarmee je nu rondloopt en die je wel als Bondgenoot wilt. Zij weigerde je, Avon! Ik niet!' Ik verhief mijn stem ietwat en stond snel op waardoor ik hem aan de kant duwde. Mijn laarzen zaten onder met modder en het werd steeds moeilijker om over de grond heen te lopen met die lelijke dingen.
'Je geeft helemaal niks om me, terwijl ik degene ben die het hier het zwaarst heeft van allemaal.' Met mijn rug naar hem toegedraaid snikte ik een paar keer luidruchtig zodat ik zeker wist dat hij het zou kunnen horen. Tot mijn genoegen hoorde ik niet veel later zijn voetstappen in de drassige aarde en voelde ik zijn handen op mijn schouders. Ik veegde de zogenaamde tranen van mijn wangen af en leunde tegen zijn borst aan waardoor zijn lichaamswarmte naar die van mij doorstraalde.
Maar tot mijn ongenoegen zette hij een stap achteruit en liep hij zonder een woord tegen me te zeggen naar de boomstam waar hij onze rugzak opzette. Ik liep hem achterna en bestudeerde hoe hij uit de met modder bedekte rugzak onze gevulde fles water tevoorschijn haalde. Meer dan een kleine slok nam hij er niet van. De rugzak had eerst een afschuwelijke knalgele kleur gehad waardoor we meteen wisten dat er iets kostbaars in moest zitten en we hadden gelijk gehad. Een gevulde fles water, touw, een slaapzak en een machete daar nog boven op. Beter hadden we het niet kunnen hebben. We waren overdag nog geen water tegen gekomen om de fles bij te vullen, dus van Avon moesten we zuinig doen.
Hij keek me even kort aan waarna hij de fles naar me uitgestrekt hield. Er was pas een kwart op sinds gisterochtend wat betekende dat er nog genoeg over was voor de komende dagen. Met een ietwat zuurgezicht pakte ik de fles aan en haalde ik met afkeer mijn lip omhoog.
'Hebben we niet iets anders? Ik hou niet van de smaak van water.' Avons bruine ogen vonden de mijne en hij keek me ongelovig aan.
'Je maakt een grapje toch? Water heeft geen smaak.' Mompelde hij en voor het eerst hoorde ik hem snauwerig tegen me praten. Tot nu toe was hij niets anders dan stil geweest of praatte hij tegen me op een normale toon. In het Capitool had ik hem ook nog nooit boos zien worden, zelfs niet toen de Beroeps hem hadden bedreigt en de hele Trainingszaal toe had gekeken hoe hij samen met Katy rustig bij ze was weggelopen, zonder ook maar één seconde aandacht te besteden aan hun woorden. Maar nu zagen zijn ogen er boos en geïrriteerd uit terwijl zijn stem snauwerig uit zijn mond kwam.
'Als je het niet wilt, dan drink je maar niet.' Hij had zijn hand al om de hals van de fles heen gelegd en wilde het van me overpakken. Maar ik wist dat mijn keel droog was en ik het niet lang zonder water vol zou houden. Geïrriteerd wilde ik de fles terug trekken van hem, maar ver kwam ik niet door zijn stevige greep erop.
'Beloof dat je zuinig bent, we hebben het nodig.' Zijn stem was streng terwijl hij me recht aankeek en de fles langzaam los liet zodat ik hem naar me toe kon trekken.
'Wat denk je, dat ik dom ben?' Mompelde ik en rolde overduidelijk met mijn ogen. Ik werd zenuwachtig van zijn starende blik dus draaide ik me van hem af om weg te lopen. Ver kwam ik echter niet door de modderige aarde waar mijn linker laars in bleef steken. Met een gil voelde ik hoe ik voorover klapte met mijn gezicht recht in de modderpoel, en de fles water op de grond.
Ik kon het water eruit zien vloeien. Eerst snel, maar daarna steeds langzamer totdat er duidelijk niks meer inzat en er nog één enkele druppel uit kwam zetten. Ik durfde me nauwelijks te bewegen in de stilte die erop volgde. Pas toen ik hoorde hoe Avon opstond en naar me toe kwam lopen hief ik mijn hoofd op.
Als ik dacht dat hij me te hulp zou schieten en me overeind zou trekken had ik het mis. Zijn blik was duister, maar niet te ontcijferen terwijl hij de fles pakte en die in de rugzak propte. Hierna draaide hij zich om zonder mij een blik waardig te gunnen en vervolgde het pad wat we af hadden gelopen.
Ik keek hem met open mond aan en stond struikelend op waarna ik jammerend de modder van me af probeerde te vegen, maar niks hielp. Ik zat compleet onder, het zat zelfs in mijn haar. Alsof ik het al niet zwaar en moeilijk genoeg had, moest dit ook nog eens gebeuren. En Avon gaf er niks om.
'Zeg, je zou me even kunnen helpen!' Riep ik naar hem terwijl ik mijn evenwicht probeerde te behouden toen ik opnieuw de modderpoel instapte. Avon hield halt en draaide zich langzaam naar me om waardoor ik tijd had om weer recht te gaan staan. Ik zette mijn handen in mijn zij en keek hem verwijtend aan, maar zijn blik was nog steeds hetzelfde als eerst.
'Mayline, ik ben er klaar mee.'
'Waarmee, met de Spelen? Als we zomaar konden stoppen en naar huis konden gaan, had ik dat al lang gedaan.' Ik lachte sarcastisch, maar dit stierf snel weg toen ik de blik in zijn ogen zag en merkte dat zijn woorden geen grap waren.
'Nee, met jou. Ik heb er genoeg van.' Ik zag zijn lippen bewegen, ik hoorde de woorden, maar ik kon ze niet geloven. Maar toen Avon zich begon om te draaien en ik zag dat hij het echt meende raakte ik in paniek. Mijn voetstappen waren eerst klein en onzeker, maar al snel begon ik te rennen en greep ik hem bij zijn rugzak vast waaraan ik hem naar achteren trok.
'Waar heb je het over?! Je kunt me niet zomaar achterlaten! Ik ben degene waardoor je nu nog leeft, zonder mij ben je niets!' Schreeuwde ik woest naar hem, maar Avons blik werd duisterder en hij zette een paar boze passen mijn kant op.
'Niets? Door jou heb ik nu geen water meer! Door jou loop ik achter met Katy zoeken, en door jou kan ik geen minuut langer nog gezeur aanhoren, omdat dat het enige is wat je doet!' Ik had hem nog nooit zo kwaad gezien en het enige wat ik terug kon doen was hem nijdig aankijken.
'Je hebt het recht niet om ons Bondgenootschap te verbreken!' Snauwde ik, maar hij trok alleen de rugzak van zijn rug af en haalde daar de slaapzak uit die hij in mijn handen duwde.
'Dat heb ik wel. Succes met je verdere overleving.' Mompelde hij en met die woorden draaide hij zich weer om en liep hij van me weg. Vol ongeloof, haat en nijdigheid keek ik hem na terwijl ik voelde hoe mijn nagels zich diep in de slaapzak boorden die ik zojuist in mijn armen gedrukt had gekregen. Alsof het een afscheidscadeautje was en daardoor opeens alles beter werd. Hij kon me niet verlaten. Als ik hier bleef dan bleef hij dat ook.
Zonder dat ik het doorhad begon ik weer achter hem aan te lopen terwijl mijn adem steeds zwaarder werd. De modder begon op te drogen en ik kon het voelen klonteren in mijn haren, maar niks daarvan leek nu nog belangrijk. Enkel dat Avon, mijn enige Bondgenoot, van me wegliep. Hij mocht me niet zomaar de rug toekeren alsof ik niets anders was dan de zoveelste boom die we passeerden. Hij kon me niet zo behandelen.
Voordat ik het wist liep ik weer achter hem en greep ik hem opnieuw bij zijn rugzak. Echter dit keer deed ik het niet om kalm met hem te kunnen praten. Ik deed het omdat ik hem liever dood op de grond zag liggen dan dat hij van mij weg zou lopen. Woede rees in mij op toen ik zijn gezicht zag en zonder nog na te denken slingerde ik mijn opgerolde slaapzak er tegenaan in de hoop dat het hem zo veel mogelijk pijn zou doen.
Het haalde echter niks meer uit dan een kleine schram op zijn voorhoofd en hij rukte de slaapzak dan ook meteen bij me weg. Ik probeerde hem terug te grijpen, maar Avon duwde me alleen maar hardhandig achteruit waardoor ik met een doffe plons in een modderpoel viel. Krijsend en gillend probeerde ik overeind te komen, maar de modderpoel leek me in zich op te nemen. Ik kon me nauwelijks bewegen en met een hese stem schreeuwde ik Avon zijn naam, maar hij liep ongestoord verder alsof ik niet meer bestond.
'Je kunt me zo niet achterlaten, dat is onmenselijk!' Ik schreeuwde de longen uit mijn lijf en verschillende scheldwoorden volgde erop, maar Avon gaf geen kik. Hij bleef doorlopen totdat het bos te dicht werd en ik hem niet langer kon zien.
Woedend probeerde ik uit de modderpoel te lopen, maar met elke beweging die ik maakte zakte ik er verder in weg. Tranen uit haat, woede, en vernedering stroomden over mijn wangen heen terwijl ik me bedacht dat heel Panem nu voor de televisie me zat uit te lachen. Het rijkeluismeisje wat niet uit de modderpoel kon ontsnappen, dat zou een echte mijlpijl zijn in hun Spelen. Het ergste was nog dat het me ook werkelijk wat uitmaakte; ik schaamde me dood.
Toen ik voor de zoveelste keer verder weggleed en voelde hoe modder mijn hele lichaam bedekte begon ik te jammeren. Niks kon me nu nog redden, ik was verloren. Hoe konden de Spelmakers me zo dood laten gaan? Ik verdiende het om te blijven leven; ik was leuk, grappig, knap en had de meeste indruk gemaakt op de inwoners van Panem. En nu moesten al mijn fans me zo zien, met een gezicht vol modder en geen fatsoenlijk woord wat uit mijn mond kwam behalve wat gejank en gebrabbel wat niemand kon verstaan. Ik was een zielig hoopje verdriet geworden en niemand vond dat het redden waard.
Plotselinge doffe dreunen op de aarde lieten me opschrikken. Als kleine aardbevingen voelde ik ze door de grond heen trillen terwijl ik compleet stil viel. Was het Avon die terug voor me was gekomen? Of een andere Tribuut die me te hulp kwam of nog erger; kwam vermoorden? Maar hoe beter ik luisterde hoe meer de voetstappen niet menselijk klonken. De passen waren zwaar en een angst begon me te bekruipen die ik niet goed kon plaatsen. Uit alle macht probeerde ik me om te draaien in de modderpoel om te zien wie of wat het was, maar ik kreeg er geen beweging in. Ik kon enkel met grote ogen voorruit blijven staren terwijl ik voelde hoe iets me van achteren naderde.
Ik klemde mijn handen om mijn mond heen om mezelf stil te houden maar al snel kwam er een hoog gepiep uit mijn keel wat ik niet kon onderdrukken. Ik voelde hoe de haren in mijn nek overeind gingen staan toen er een warme bries tegen aankwam en mijn handen oncontroleerbaar begonnen te trillen.
'W-wie is daar?' Mompelde ik door mijn vingers heen, maar er kwam geen antwoord. Het gedreun stopte enkel en een zware ademhaling bereikte mijn oren. Alsof het een zacht briesje was kwam het tegen mijn nek aan wat voor rillingen over mijn hele lijf heen zorgde. Een stank die ik nog nooit eerder had geroken bereikte mijn neus waardoor ik begon te kokhalzen.
Alle wanhoop kwam op een hoogtepunt toen het gevoel van een natte druiperige tong zich langs mijn nek schraapte en er een zacht gegrom in mijn oor op volgde. Ik kon mijn handen niet langer tegen mijn mond gedrukt houden en krijsend riep ik om hulp.
Met een enorme grom sprong het beest over mij heen en brulde het recht in mijn gezicht waardoor ik zijn speeksel op mijn hoofd voelde. Een warm gevoel verspreidde zich bij mijn benen en toen ik merkte dat ik in mijn broek had geplast begon ik hysterisch te huilen. Het beest voor me trok zich er echter niks van aan en opende zijn immense bek nog meer. Een rottende stank van vlees en uitwerpselen kwam me tegemoet, maar ik had geen tijd om te reageren.
Zijn gloeiende gele ogen keken me demonisch aan terwijl hij naar voren sprong en zijn tanden in mijn bovenarm zette. Krijsend probeerde ik me los te rukken, maar duizenden messen leken zich in mijn bovenlijf te steken terwijl hij me uit de modderpoel trok. Groot en donker torende het beest boven me uit terwijl het op zijn achterpoten stond. Zijn donkere haren begonnen recht overeind te staan als stekels en ik kon een ijzeren ketting om zijn nek heen zien zitten waar het bloed vanaf droop.
Hij liet mijn arm los en spartelend probeerde ik me van hem af te draaien en weg te kruipen, maar ver kwam ik niet. Zijn tanden boorden zich in mijn been en ik kon het warme bloed over mijn lichaam voelen stromen. Ik hief mijn hoofd op om te smeken voor genade, maar mijn ogen vonden geen lelijk wolvenkop.
Avon stond nog geen twintig meter van mij en het beest af op het pad wat hij eerder had afgelopen. De machete in zijn hand was niet opgeheven om aan te vallen, maar ik wist dat hij me zou komen redden. Hij zou het beest voor me afslachten en me komen helpen. Hij zou me in veiligheid brengen.
'Avon! Help me!' Schreeuwde ik, maar mijn stem werd afgebroken door het gegrom van het beest wat opnieuw zijn tanden in mijn andere been plantte. Ik krijste de longen uit mijn lijf terwijl ik voelde hoe mijn vlees werd opengereten en mijn lichaam aan stukken werd gescheurd. Ik wist dat de klap van Avon elk moment kon komen. Hij zou me elk moment komen redden.
Maar toen ik mijn hoofd weer omdraaide naar hem, om toe te kijken hoe hij me te hulp zou schieten, stond hij nog steeds even roerloos op zijn plek als eerst. Met een gezicht die angst, weerzin en woede tegelijkertijd vertoonde. De machete nog steeds langs zijn zij; ongebruikt.
Het beest sprong weer naar voren en boorde zijn tanden diep in mijn vlees. De bittere smaak van bloed vulde mijn mond en terwijl ik mijn laatste ijselijke schreeuw uitte wist ik dat Avon me hier op de grond had laten creperen. Het beest zette voor de laatste keer zijn tanden in mijn lichaam waarna de duisternis mijn zicht overnam en de pijn ineens verdween.
Avon had me dood laten gaan.
District 11 – Avon Freeman (17) POV. Dag 1/2: Rond zonsopkomst.
Het kanonschot ging als eerste af, maar het beest sprong niet van haar lichaam af. Het bleef doorgaan met bijten, krabben en lichaamsdelen uitelkaar rukken. Mijn ogen waren vastgelijmd aan de scene en het leek onmogelijk om weg te kijken. Pas toen hij opsprong en zijn tanden in Mayline's gezicht boorde wendde ik mijn ogen af en voelde ik hoe mijn voeten als automatisch in beweging kwamen.
Ik verwachtte luide dreunende poten achter me te horen van het beest die me achtervolgde om mij als volgende af te maken. Maar er kwam niks, zelfs geen gegrom. Enkel de stilte die het woud eerst ook vast had gehouden keerde terug, maar in mijn hoofd kon ik Mayline nog steeds horen krijsen.
Ze had om mijn hulp gevraagd en ik had het niet gegeven. Als verstijfd had ik daar gestaan, kijkend hoe het beest haar misvormde. Elke vorm van hulp was daardoor onmogelijk geworden om haar te kunnen redden. Vanaf het moment dat ik haar bloed had zien vloeien wist ik al dat ze dood was. Of ik mijn leven ervoor zou riskeren of niet. Ik wist niet eens of ik überhaupt mijn leven voor dat van haar zou willen geven. Ze had alles verpest vanaf het moment dat we het platform bij het Bloedbad waren afgeklommen. Het was niet mijn schuld dat ze nu dood was. Het was niet mijn schuld.
'Blijf jezelf dat vertellen.'
De luidde stem in mijn hoofd verbrak het gekrijs wat er nog steeds in rond echode. Alsof ik een speer in mijn rug geboord kreeg stopte ik met rennen en viel ik op mijn knieën op de grond neer terwijl ik luid naar de hemel schreeuwde. Het was niet mijn schuld! Deze Spelen waren niet mijn schuld! Mayline's dood was niet mijn schuld en dat Katy zonder hulp, hier gewond ronddwaalde was niet mijn schuld!
Maar toch, toen mijn stem wegstierf, begon het steeds meer zo te voelen. Met mijn ogen nog steeds verslagen op de lichter wordende hemel gericht zag ik Mayline's foto verschijnen. De immense glimlach, haar glimmende ogen, maar vooral het feit dat ze daar nog leefde maakte het moeilijker en moeilijker om er naar te blijven kijken.
De foto verdween al snel en even bleef ik naar niets in het bijzonder staren totdat de foto van de Moordenaar verscheen. Maar er was dit keer geen Tribuut geweest die het had gedaan, maar een monsterlijke creatie van het Capitool. De afschrikwekkende kop van de wolf was dan ook niet aan de hemel te zien. Alleen één enkel woord.
Fenrir.
An: Oh jullie willen niet weten hoe blij ik ben dat ik dit eindelijk kan posten! Het heeft me zo'n tijd gekost (meer dan een maand) en de reden is zo dom.
Ik had aan het begin een enorme writersblock. Niks leek me ervan af te helpen. Ik had gewoon absoluut geen zin in schrijven, ik kon zelfs niet aan mijn novel idee werken (en daar heb ik altijd inspiratie voor). En uiteindelijk, toen ik weer inspiratie had, moest ik op introductie kamp en was ik dus een week afgezonderd van de bewoonde wereld, maar nog het belangrijkste: mijn laptop!
Uiteindelijk kwam ik ook daarvan thuis en kon ik drie van de vier POV's afmaken, maar toen begon mijn school weer! En die heeft me de afgelopen twee weken eigenlijk alleen nog maar bezig gehouden waardoor ik pas vandaag weer tijd had om David af te maken!
Maar gelukkig. Het is nu af. Ik denk dat het niet mijn beste hoofdstuk ooit is, maar hopelijk zijn jullie er alsnog tevreden mee!
Avon's stukje was zo aan de korte kant, omdat hij ook al een POV in het Bloedbad had en ik nog zo'n kleine POV voor hem geplant heb staan ergens anders. Dus dit telt eigenlijk als een halve. Ik hou de telling van de POV's namelijk goed bij zodat het eerlijk verdeelt wordt over de karakters.
En daarmee jullie hebben het natuurlijk al gemerkt: We hebben een eerste dode!
District 3 – Mayline 'May' Chima (17)
Veel van jullie als lezer waren ook al verbaasd dat ze überhaupt het Bloedbad had overleefd, en ik moet eerlijk zeggen dat ik haar dan ook nooit verder heb zien komen dan Dag 1 van de Spelen. En dat is dus uiteindelijk ook gebeurd. Zij is de eerste die is vermoord door een Mutilant en als jullie het einde goed hebben gelezen weten jullie ook al de naam van die Mutilant: Fenrir!
Nou misschien herkennen sommige die naam ook van Harry Potter, daar heeft het dus niets mee te maken! Het is echter wel een link terug naar Noorse Mythologie, dus als je er iets meer over te weten wilt komen, raad ik je aan om Wikipedia eens te proberen ;).
En dan Lyanna nog! Wat er precies met haar aan de hand was komen jullie later in het verhaal nog achter. Als je terug denkt aan het Bloedbad kun je al iets raden… (Denk ik ;) )
Voor de rest was het dat wel qua nieuwtjes betreft. Het enige wat ik nog kan meegeven is de Puntentelling!
LaFlorine - 37 Punten.
Greendiamond123 - 44 Punten.
MyWeirdWorld - 63 Punten.
SirWalsingham - 48 Punten.
FF-Schwarz - 42 Punten.
MadeByMel - 32 Punten.
TeenReadToo - 28 Punten.
JoyMainhood - 12 Punten.
LauraTwilightHungerGamesHPfan - 29 Punten.
Sharonneke95 - 40 Punten.
Cicillia - 18 Punten.
Leakingpenholder - 31 Punten.
Florreke - 21 Punten.
LeviAntonius - 63 Punten.
NoxSelkirk - 10 Punten.
Azmidiske87 - 10 Punten.
Serenetie-ishida - 10 Punten.
Evalovespeeta - 2 Punten.
Verder is er weer een mysterieus voorwerp bij: Het touw – van David, Emily en nu ook Mocca ;)
Hopelijk krijg ik nog wel wat positieve reviews binnen ook al heeft de update zo lang op zich laten wachten haha. Excuseer me voor enige spellingsfouten, ik heb het hoofdstuk niet enorm vaak door gelezen, omdat ik het gewoon enorm graag wilde posten, haha.
Nog één laatste iets! Als je er over nadenkt om te gaan Sponsoren, is dit een goede kans! Veel Sponsor opties zijn gegeven in de hoofdstuk, en je kunt me alles vragen als je niet goed weet wat je precies moet of kunt Sponsoren!
Ik kijk uit naar jullie reacties! Liefs,
Jade
