Dag 3: Ondoofbaar Vuur.
District 4 – Rhine Overton (17) POV. Dag 3: Zes uur s' ochtends.
De kilte van de grond leek in mijn huid door te dringen. Om de zoveel seconden veranderde de aarde waar mijn ogen op waren gericht in een zwarte vlek waardoor ik telkens in paniek raakte. Bang dat elke zwarte afgrond mijn dood was. Bang dat ik elk moment deze Spelen zou kunnen verliezen. Maar ik kwam telkens weer bij als ik twee vingers in mijn nek voelde drukken, zoekend naar een hartslag. Dat was mijn zekerheid. Iemand zou me uit de klauwen van de dood redden.
'Ik blijf hier.'
Uren leken voorbij te gaan totdat ik besefte wat de stem in mijn oor fluisterde. Ik herkende het niet. De woorden hadden geen betekenis, maar het feit dat er iemand naast me zat bracht me steun. Ze hadden me niet achtergelaten. Ik was nog steeds een Beroeps.
Iemand zette een fles tegen mijn mond aan en het koele water stroomde mijn mond binnen. Gulzig probeerde ik het naar binnen te werken. Ik voelde me blind door de zwarte vlekken die mijn zicht belemmerde, maar de vochtige aarde onder mijn handen verzekerde me ervan dat ik nog steeds op dezelfde plek lag. Ik wist niet of er dagen voorbij waren gegaan of pas enkele minuten sinds ik weer bij bewustzijn was. In gedachte telde ik de keren dat er handen over mijn lichaam gleden. Het waren sterke handen, bedekt met eelt van zwaar werk, maar zo voorzichtig dat ik me realiseerde dat het geen Beroeps kon zijn. Die waren te bruut.
De wond in mijn schouder tobde en ik wist dat mijn arm aan mijn zij was vast gebonden zodat ik mezelf niet meer schade aan zou richten. Toch voelde ik de pijn nauwelijks. Ik had altijd al geleerd pijn te negeren als je belangrijkere doelen voor ogen had. En op dit moment waren dat de Spelen. Ik moest dit winnen, huilen over een wond die niet beter zou worden zou mij niet te winnares kronen. Doorvechten wel.
'Ik blijf hier.'
De woorden leken hetzelfde als de eerste die ik had gehoorde. Uit vermoeidheid deed ik mijn ogen dicht, hopend dat het tegen de duizeligheid zou helpen. Ik kon meer geluiden onderscheiden nu. Het geknisper van een kampvuur leek niet ver van mij vandaan te zijn. Ergens dacht ik de warmte ervan te kunnen onderscheiden van de kou die mijn lichaam had overgenomen, maar ik was gevoelloos. Zelfs de aarde kon ik niet meer onder mijn nagels voelen. De wereld leek verloren te zijn voor mij.
Een kanonschot.
Vol paniek opende ik mijn ogen, maar merkte dat ik nog steeds niks anders zag dan duisternis. Was dit het dan? Was dit mijn einde? Een uitgestrekte vlakte die ik niet kon zien, omdat zwart het enige was wat mijn ogen echt waarnamen? Zonder adem te halen luisterde ik naar de stilte die een dood met zich mee hoorde te brengen. Maar het was niet stil. Ik hoorde stemmen. Schreeuwend en fluisterend. De ene dichterbij dan de ander.
Ik probeerde mijn handen te bewegen, de aarde te zoeken waar ik op lag. Licht doorbrak de duisternis van mijn ogen en als kleine puzzelstukjes kwam mijn zicht langzaam weer bij me terug. Ik was niet degene die dood was gegaan. Mijn einde zou niet in deze Spelen komen.
'Ik blijf hier.'
De stem. Nogmaals de woorden herhalend die het eerder in mijn oor had gefluisterd, maar nu herkende ik het. Ik probeerde me om te draaien, te zien hoe ver hij van me af zat, maar mijn lichaam reageerde niet. Het enige wat ik voelde was een onbeschrijfelijke pijn die door mijn bovenlichaam heen schoot. Ik schreeuwde het uit.
'Stil! Anders pakken ze jou straks ook!' Een hand sloot zich om mijn mond heen en hield me stevig vast.
Mijn ogen vonden de zijne en bevestigde mijn vermoeden over wie mijn bewaker was. Leandros keek nerveus boven mij uit. Zijn ogen schoten van de ene kant naar de ander, zonder mij ook maar een seconde aan te kijken. Ik lag in een pijnlijke positie doordat zijn hand mij naar beneden drukte, maar ik durfde me niet te verroeren. Dat kanonschot was niet voor niets afgegaan.
Na een tijd die wel uren leek te duren liet hij me langzaam los en vestigde zijn groene ogen zich op mij. Een zwakke glimlach schemerde even door zijn grimmige expressie heen waarna hij zich omdraaide. Het viel me op dat we op de plek boven op de heuvel zaten, maar Tellas en Lerola waren nergens te bekennen.
'Waar zijn de anderen?' Ik herkende mijn eigen stem nauwelijks, zo rasperig was het. Leandros draaide zich echter niet om en stak wat meer hout in het kleine kampvuur waar ik langs lag.
'Wat heb je met Tellas en Lerola gedaan?' Vroeg ik, ietwat boos, maar ik schrok van zijn reactie.
'Ik heb ze niets aangedaan als je dat soms denkt.' Snauwde hij. Meteen leek hij er spijt van te hebben, want ik zag hoe hij wat in elkaar dook en zich langzaam omdraaide om me aan te kijken. 'Ze hebben hun kamp beneden opgezet, ze wilden hier niet zijn.'
Ik wist niet of het me pijn moest doen om de woorden van zijn lippen af te horen komen. De jongen die ik al die tijd als nutteloos had gezien, bleek nu juist mijn vriend in nood te zijn. De anderen hadden mij laten zitten nu ik geen waarde meer had. Als Beroeps was je niet onsterfelijk, je bevond je dan wel met de sterksten van de arena, maar die sterksten konden zich ook naar jou keren.
'Waarom ben jij dan hier?'
De vraag sprak ik eerder uit dan dat ik er aan dacht. Leandros zei echter voor een tijd niks en roosterde in plaats daarvan een stuk brood boven het vuur. De ochtend zon scheen zacht door de bladeren boven ons, maar het zorgde niet voor veel licht. Het vuur liet het opgedroogde bloed op zijn armen glimmen en ik wist dat dat bloed van mij was.
'Omdat ik dat wil.'
Ik schrok op van zijn stem. Zijn ogen vonden de mijne weer en ik voelde diep van binnen iets in mij bewegen. Het was geen pijn, maar een gevoel die er juist voor zorgde dat ik mijn schouder voor even vergat. Hij draaide zich nu volledig naar me om en ritste de slaapzak waar ik in lag gewikkeld open. De frisse lucht deed mijn naakte boven lichaam trillen. Toch was ik niet gegeneerd dat Leandros me zo zag. Hij had immers mijn leven gered, als hij mijn shirt niet had weggescheurd had de wond kunnen gaan ontsteken.
Een dun verband liep over mijn schouder, maar was al doorweekt met bloed. Leandros maakte echter geen aanstalten het te verschonen. We hadden duidelijk niets meer dan dit. Hij schudde met zijn hoofd en reek me mijn shirt aan die naast het vuur had gelegen. De stof was warm en bracht ietwat verzachting. Met het brood erbij kon ik zonder veel pijn rechtovereind zitten. Ik voelde me al iets beter, maar dat ik zwak was, was een understatement. Het feit dat Lerola en Tellas zich dan ook niet hier aan mijn zijde bevonden baarde me lichtelijk zorgen. Niet dat ik hun sentiment wilde hebben, als ze dat überhaupt in hun bezit hadden, maar dat ze me leken te verstoten maakte me ongerust. Dat was iets wat ik wilde voorkomen tot het punt dat ik ze kon verslaan. En ik was nu absoluut niet in die positie.
Zij zouden mij nog eerder afmaken. Als ik de komende dagen niet zou laten zien dat ik nog steeds zoveel waard was als eerst zou het snel met me gedaan kunnen zijn. Ik zou dan geen toevoeging meer zijn voor de Beroeps, maar eerder een last. Een last die gedood moest worden.
Leandros staarde stoïcijns in het vuur terwijl ik het warme brood weglegde. Hij zelf had niks genomen en had ook geen slaapzak om in te liggen. Ergens voelde ik me schuldig over dat feit. Nog geen paar uur eerder toen we hem hadden gevonden, sluipend rond ons kamp, wilde ik hem meteen afmaken. Maar hij was nu juist degene die mijn leven had gered. Een schuld die ik nooit terug zou kunnen betalen.
Ik opende mijn mond om iets tegen hem te zeggen, maar besefte dat ik niet wist wat. De stilte heerste dus verder. Plots draaide hij zijn hoofd met een ruk naar de ingang om en ik volgde zijn beweging met een pijnlijk gevoel. Achter ons, in de schaduw van het bladerdak, stond Lerola terwijl haar gezicht onder de bloedspetters zat en haar handen vol blaren zaten.
'Ik heb echt een brandend verlangen naar wat zalf voor mijn handen.' Grijnsde ze cynisch terwijl ze voorover bukte om de tas met medicijnen van de grond af te rapen. Deze was echter al vrijwel leeg. 'Gelukkig hoeven we de medicijnen nog maar met z'n vieren te delen.'
Lachend draaide ze zich weer om en liep de heuvel af naar het gedeelte waar Tellas en zij hun kamp hadden opgezet. Ik wilde niet weten wat zich daar had afgespeeld. Leandros zijn expressie verraadde al genoeg. Hij was spierwit weggetrokken en durfde me niet langer aan te kijken.
'Wees blij dat je bewusteloos was toen het gebeurde.' Mompelde hij, maar repte er verder geen woord over.
'Hoe bedoel je?' Vroeg ik verbaast.
'Het geschreeuw was eindeloos, ik dacht dat het nooit op zou houden. Ik kon het niet aanzien hoe ze hem vermoordde, hoe ze hem verminkte met-' Abrupt hield hij op en schudde kort met zijn hoofd. Hij leek zijn mond niet meer open te doen om me meer te vertellen, maar mijn hersens waren al op volle toeren bezig.
Het kanonschot. Het bloed op Lerola's gezicht. Leandros zijn woorden. Alles wees op de dood van een Beroeps, maar wie van de twee?
De eerste persoon waar ik aandacht was ook meteen de onwerkelijke. Tellas. Tussen hem en Lerola was er steeds meer spanning ontstaan en nu leek dat ook ontploft te zijn. Het verklaarde de hoeveelheid bloed op haar gezicht, ze had zichzelf volledig los laten gaan. Hij was haar grootste vijand. Zijn dood moest het gruwelijkst zijn.
Maar Leandros zou niet zo over zijn dood praten en Lerola zou niet met een enorme glimlach naar ons toe zijn gelopen. Het moest iemand anders zijn. Iemand die nadelig was voor de Beroepstroep en die zo'n gruwelijke dood volgens Lerola verdiende.
Mijn hoofd draaide en ik wist dat ik mezelf uitputte, maar ik wilde niet weer gaan liggen. Mijn zwakte zorgde ervoor dat ik belangrijke dingen miste in de Spelen en dat kon ik me niet veroorloven. Niet nu. Niet nu de Spelen juist begonnen.
'Ik hoor zijn geschreeuw nog steeds. Alsof het na echoot in mijn hoofd.' Leandros duwde ruw nog een stuk hout in het kampvuur. Met een verbeten blik bleef hij er naar staren en plots leek de realisatie me als een klap in het gezicht te raken.
Caldwell. Het was Caldwells kanonschot die ik had gehoord. Het was Caldwells bloed waar Lerola zichzelf mee had overgoten. Het was Caldwells geschreeuw wat door de arena had geëchood. Hij was op deze dag gestorven, maar niet als Beroeps.
Ik wilde niet weten hoe hij aan zijn einde was gekomen. Zijn dood voelde plots veel zwaarder aan dan ik ooit had kunnen denken. Hij was vanaf het eerste moment al irritant geweest, lui en verschrikkelijk arrogant. Maar hij was deel van het tegengewicht wat hij samen met mij vormde tegen Lerola en Tellas. Nu ik gewond was leken zij de overmacht te hebben in deze Spelen. En daar hadden ze slim gebruik van gemaakt. Caldwell was vandaag niet vermoord geweest als ik niet gewond was. Hij had dan nog geleefd.
Maar in plaats daarvan werd hij nu dood teruggebracht naar District 1. Om daar in een begraafplaats neergelegd te worden, al vergeten door het publiek.
Ik opende mijn mond om iets te zeggen, maar er kwamen geen woorden uit. Mijn lichaam leek versteend en de pijn des te meer aanwezig. Binnenin mijn hoofd was het echter een warboel. Gedachten over mijn eigen lot waren gemengd met die van Caldwell. Ergens diep binnenin voelde ik mijn schuld groeien, terwijl ik wist dat het niet mijn schuld was. Caldwell was niet mijn verantwoordelijkheid. Zijn dood was niet mijn last.
Een plotseling gepiep verstoorde mijn gedachten. Ik schoot overeind, maar mijn lijf protesteerde hevig. Als een elektrische schok schoot pijngolf na pijngolf door mijn lichaam heen en zakte ik op mijn plek in elkaar als een lappenpop.
'Een sponsorgift!' Riep Leandros uit, maar ik kon me niet concentreren op zijn stem. Zwarte vlekken kwamen weer in mijn blikveld en ik was even bang dat ik weer bewusteloos zou raken. Doodstil bleef ik op mijn slaapzak liggen totdat de pijn iets was verminderd en ik weer normaal naar de vlammen voor mij kon kijken.
Gespannen luisterde ik naar Leandros zijn voetstappen en hoorde ik tot mijn opluchting al snel dat hij terug kwam lopen. Ik moest mezelf tegenspreken om niet nogmaals op proberen te staan, maar rustig af te wachten. Leandros leek er een kwartier over te doen voordat hij uiteindelijk voor mij neerknielde om me het sponsorgift te laten openen. Het ijzeren omhulsol reageerde op mijn vingerafdruk en sprong met een klik zacht open. Bovenop lag een wit briefje.
Dat las ik echter niet meteen. Ik schoof het aan de kant en liet het item uit het ijzeren omhulsel zakken. Het was een stevig pakketje, gewikkeld in een lap plastic, maar toen ik het losmaakte zag ik een grote rol verband, een flesje jodium en een fles water liggen. Allemaal speciaal voor mij gestuurd.
'Rhine?' Bijna met een ongelovige glimlach op mijn gezicht keek ik op. Ik ontmoette niet een zelfde aanblik. Leandros leek nog witter weggetrokken te zijn als eerst terwijl hij het dunne papiertje naar mij uitstak, met de gouden letters naar boven.
Verlaat de Beroeps. Jij bent het volgende slachtoffer. Logan Foster, Mentor District 4.
District 1 - Caldwell Ballantynn (14) POV. Dag 3: Half zes 's ochtends.
Mijn hoofd duizelde van de klap die Tellas me had gegeven. Ik kon Rhine's schokkende lichaam voor me zien liggen terwijl haar bloed haar shirt langzaam rood kleurde. Kokhalzend wilde ik van haar afkruipen, maar Tellas greep me in mijn kraag en sleurde me overeind.
'Het was niet mijn schuld! Het was niet mijn schuld!' Gilde ik. Hij leek doof te zijn voor mijn smeekgebeden. Met een knal duwde hij me tegen een boom aan en zette een dolk tegen mijn keel.
'Het is ook niet mijn schuld als ik zo meteen je keel doorsnijdt!' Snauwde hij terug en mijn stem kwam in hoge piepen uit mijn keel toen hij zijn dolk verder door duwde.
'Tellas, laat hem los!' Hoorde ik iemand schreeuwen, maar hij ging door. Zijn ogen leken uit zijn kassen te springen en ik kon de spieren in zijn nek zien aanspannen. Ik probeerde wanhopige uit zijn greep los te komen. Hij reageerde echter door hard in mijn maag te schoppen en me nogmaals een klap te verkopen tegen mijn hoofd.
Duizelig kreunde ik en voelde een straaltje bloed langs mijn hoofd druipen. De zure smaak van mijn maaginhoud proefde ik in mijn mond, maar op het moment dat ik het omhoog voelde komen liet Tellas me op de grond vallen.
Hij schopte me nogmaals in mijn maag, maar liep vloekend van me af. De wereld was wazig en ik probeerde op te staan. Een hand hield me overeind toen ik dreigde om te vallen en dankbaar draaide ik me om, alleen om Lerola's duistere blik achter me te zien. Haar ogen waren scherp, maar de rest van de omgeving leek nog steeds een warboel van kleuren.
'Gaat het?' Vroeg ze zacht, maar die woorden voelden vreemd aan. Het leek niet alsof ze van haar afkomstig waren, omdat ik nooit had gedacht dat ze zoiets zou kunnen vragen. Ik glimlachte echter en zocht dankbaar steun bij haar hand. Intussen had ze haar ijzeren nagels tegen de binnenkant van mijn hand geplaatst en duwde ze er pijnlijk in. Ik wilde mijn mond opentrekken om te zeggen dat ze me pijn deed, maar ze trok me al mee zonder te vragen of ik me al beter voelde.
'Ga zitten.' Commandeerde ze me bars. De koele grond zorgde ervoor dat mijn duizeligheid verdween en afstandelijk keek ik toe hoe Leandros Rhine optilde en met haar in zijn armen de heuvel opliep. Ik hoopte dat ze niet te erg gewond zou zijn, anders zouden we haar achter moeten laten. Ik had altijd al gedacht dat ze geen echte toevoeging was voor de Beroeps, dus zonder haar zouden we het ook makkelijk redden. Toch knaagde er wel iets aan me toen ik die woorden in mijn hoofd sprak. Ik vreesde de laatste tijd ook vaker voor mijn leven terwijl ik wist dat ik nog steeds deze Spelen zou gaan winnen. Wie anders was er goed genoeg om winnaar van de 68ste Honger Spelen te zijn?
'Ik hoop dat Tellas je niet te ruw heeft behandelt.' Ik schrok op van de plotselinge stem van Lerola die heel dichtbij was. Ze plaatste haar hand op mijn schouders en haar nagels boorden zich opnieuw pijnlijk in mijn vel, maar ik zei er niks van. Ze gooide een stapel takken voor me op de grond neer en begon met het aanmaken van een kampvuur.
'Ach, ik kan hem wel aan.' Lachte ik arrogant en ik zag een grijns op Lerola's gezicht verschijnen.
'Oh, daar twijfel ik niet aan, maar je moet vast wel iets hebben gevoelt van die schoppen in je maag. Zal ik wat thee voor je zetten? Dat zal je kalmeren.'
Nog voor ik antwoord had gegeven op haar vraag knoopte ze de theepot al los van één van de rugzakken en vulde ze hem met water uit een fles. Ze was eerder nog nooit zo gul geweest met onze watervoorraad en had me altijd gedwongen om uit beekjes te drinken die we onderweg tegen kwamen. Nu leek ze de grootste zorg in me te nemen en ergens beviel me het wel. Eindelijk waardeerde ze me voor wat ik waard was. Ik hoorde eigenlijk de baas te zijn van deze groep, was het niet voor Tellas. Ik liet hem maar gewoon zijn gang gaan, omdat ik het zo ook wel best vond. Maar ik wist dat ik hem makkelijk omver kon werpen zou het eropaan moeten komen.
'Mijn moeder maakte ook altijd thee voor me,' vertelde ik zelfingenomen. 'Ze deed er altijd honing bij en drie schepjes suiker, zodat het extra zoet was.'
Lerola gaf geen erkenning van mijn verhaal, maar dat maakte me niet uit. Ik wist dat ze vol aandacht aan het luisteren was. Ze kon gewoon niet antwoorden terwijl ze de vlammen aan het aanwakkeren was en de theepot op de ijzeren steun zette. Stiekem hoopte ik dat ze nu ook honing en suiker in mijn thee zou doen, precies hoe ik het lekker vond. Ik wist niet of we het hadden in onze voorraad, maar anders verdiende ik het volledig. Deze dag was zwaar voor mij geweest en de afgelopen dagen was ik ook niet respectvol behandelt, terwijl ik dat wel verdiende.
'Wat denk je dat je aan het doen bent?'
Tellas kwam met een woedend gezicht op ons afgestormd en ik dook onmiddellijk in elkaar waarbij ik mijn armen om mijn hoofd heen sloeg. Ik moest mezelf beschermen van zijn barbaarse manieren. Mijn leven was me te dierbaar om mezelf vermoord te laten worden door die bruut. Ik verdiende het niet te sterven, ik hoorde deze Spelen te winnen. Het Capitool en de mensen in de Districten wilden mij als winnaar zien, ik wist het zeker.
Maar zijn voetstappen kwamen nooit dichterbij. Angstige durfde ik mijn hoofd een paar centimeter uit mijn armen op te heffen om te zien wat er was gebeurd. Lerola was opgestaan en had Tellas meegenomen naar de rij bomen een stuk verder op. Ik zag ze praten en was al iets meer gerust gesteld. Lerola zou mij beschermen, we waren Beroeps. We keken uit voor elkaar.
Nerveus lachend keek ik om me heen om maar niet te laten merken dat ik ze eigenlijk probeerde af te luisteren. Ze stonden alleen te ver weg en na een paar seconden gaf ik het op en keek ik of het water in de theepot al kookte. Mijn handen warmde ik aan het vuur en zocht een rugzak af opzoek naar iets te eten. Voor ik een reep gedroogd vlees kon pakken trok Lerola de rugzak bij me weg en keek ik geschrokken op in haar donkeren ogen.
'Lunch is pas vanmiddag.' Zei ze bot en gooide de rugzak een stuk verderop neer. Ik opende mijn mond om te zeggen dat ik nog geen eens ontbijt had gehad, maar Tellas zijn schaduw viel over mij heen en ontnam me alle mogelijkheid om te praten. Hij grijnsde. In zijn handen hield hij zijn hamer stevig vast en voor even was ik bang dat hij me ermee neer zou slaan. Hij deed echter niks. Bleef roerloos voor me staan totdat Lerola weer terug kwam en hem scherp aankeek waarna hij naast mij op de grond kwam zitten.
'Het water kookt bijna.' Zei ik duidelijk. Ik wilde de theepot pakken, om het water eruit te schenken, maar Tellas trok me hardhandig terug op mijn plek.
'Waarom heb je vanochtend eigenlijk niemand aangevallen?' Vroeg hij. Onbegrijpend keek ik hem aan terwijl het gefluit van de ketel langzaam op gang kwam. Geen van hen leek er nochtans aandacht aan te besteden.
'Jullie leken het prima onder controle te hebben.' Mompelde ik geïrriteerd en probeerde nogmaals voor de theepot te reiken, omdat ik niet tegen het hoge gefluit ervan kon. Tellas trok me echter opnieuw weer terug naar mijn plek en duwde me hardhandig neer.
'Maar je verstopte je angstig achter een boom.' Zei hij opnieuw en ik schudde met mijn hoofd.
'Dat is niet waar, ik heb net zo hard meegevochten als jullie.'
'Je hebt enkel je eigen hachje gered. Je hebt helemaal niks gedaan.'
'Niet waar!'
Ik wilde niet langer antwoord geven op zijn vragen. Ik had deze ochtend net zo hard meegevochten als de rest, maar had enkel geen schade aangebracht. Ik was net zo erg een Beroeps als zij en zou het ook bewijzen ook. Deze Spelen waren mijn Spelen en niet die van hen. Dat zou het nooit zijn, want ze konden niet zonder mij. Ik was de kracht in deze Beroeps en niemand kon me daar vanaf brengen.
'Je bent een lafaard, Caldwell. Je denkt dat je een Beroeps bent, maar eigenlijk ben je niet beter dan het twaalfjarige meisje uit District 11.'
De grijns op zijn gezicht maakte me misselijk. Zijn woorden konden niet waar zijn. Niemand zou ze geloven. Ik draaide me wanhopig om naar Lerola om enkel te zien dat ze me ook met een grijns aanstaarde. In haar handen hield ze een kleine dolk en voor het eerst zag ik in dat zij niet bang waren voor mij zoals ik ook bang was voor hen. Ze zagen me echt als een mindere.
'I-ik-' Mompelde ik, maar Tellas onderbrak me door luidkeels te lachen. Mijn wanhopige blik schoot heen en weer tussen hen twee, maar het gefluit van de ketel overstemde al snel al mijn hakkelende woorden.
'Laat het ophouden! Ik wordt er gek van!' Schreeuwde ik luidkeels en probeerde opnieuw op te staan. Tellas zijn handen grepen me echter voor ik het doorhad. Alles leek in slow motion te gebeuren.
Lerola pakte met haar blote handen de gloeiend hete theeketel en slingerde de kokend hete pot naar mijn hoofd. Met een enorme knal kwam de zijkant tegen mijn hoofd aan en viel ik met een bonk op de grond neer.
Het geschreeuw wat uit mijn keel oprees kwam eerder dan de pijn. Het brandende gevoel verspreidde zich over mijn gezicht, maar lang kon ik er niet bij stilstaan. Opnieuw greep Tellas me weer vast en dwong me hem aan te kijken. Zijn gezicht was vertrokken in een haatvolle blik die niet menselijk leek. Zijn vuist kwam als eerste in mijn gezicht terecht en ik probeerde schreeuwend uit zijn greep los te komen. Bloed vulde mijn mond en ik kon het langzaam van mijn kin omlaag voelen druipen. Tellas bleef echter doorslaan totdat ik dacht dat ik het niet meer vol kon houden. Mijn geschreeuw was gestopt, omdat het teveel energie kostte. Ik lag nu enkel nog kreunend op de grond, met gesloten ogen proberend mijn bewustzijn te behouden.
'Nu ziet het Capitool je voor wie je echt bent.' Hoorde ik een stem ver weg zeggen. Ik opende mijn ogen langzaam, maar wilde ze onmiddellijk weer sluiten. Met een schreeuw probeerde ik weg te kruipen, maar Tellas zijn handen hielden me op mijn plek als ijzeren handboeien.
Lerola stond met een zieke glimlach op haar gezicht naast me terwijl ze de theepot boven mijn hoofd hield. Ik probeerde te smeken, te gillen, te schreeuwen, maar niks hielp. Ze liet de theepot langzaam kantelen.
Mijn helse, geknepen gekrijs mengde zich met het sissende geluid van mijn brandende huid. Het kokend heette water werd over mijn gehele lichaam gegoten en ik voelde dit hitte ervan mijn lijf overnemen. Het drong door tot in mijn botten en verwrong mijn pijn in een helse marteling. Lerola's lachende stem was het laatste wat ik leek te horen en ik besefte me dat mijn Spelen voorbij waren.
'Wees gerust, je familie zal je niet meer herkennen als ze je doodskist ontvangen.'
Ik besefte me dat ik deze Spelen nooit had kunnen winnen.
Sinopa Todd (26) Mentor District 12 – Mentorkwartieren Capitool op Dag 3 van de Spelen.
De beelden van de mensen in het Capitool kon ik me nog voor de geest halen. Juichend hadden ze op het plein gestaan, dol blij met de verandering die er in de Beroeps was gekomen. Dolblij met Leandros.
De beelden van District 12 stonden echter in mijn geheugen gegrift. Ik had ze als enige mogen zien terwijl President Snow naast mij stond in de controle kamer. Hij had me gecomplimenteerd op mijn excellente mentortaken, maar zijn woorden maakte me misselijk. De inwoners van District 12 dachten er anders over. Allen hadden ze op het grote plein gestaan. Allen met een verschillende blik in hun ogen. Sommige woedend, andere verslagen en enkelen waren agressief geworden. Mij was verteld dat de familie van Leandros zelfs in veiligheid was gebracht, omdat ruiten waren ingegooid met bakstenen waar briefjes omheen waren gewikkeld waarop in grote letters verrader was geschreven.
Ik durfde niet te denken aan het feit dat mensen hadden geschreeuwd dat ze hem liever dood hadden gezien. Hij was in hun ogen nu het schoothondje van het Capitool geworden. En eigenlijk was dat ook zo. Snow had zelfs zijn complimenten over hem uitgesproken en dat was iets wat voorheen enkel was voorgekomen bij de Tributen van District 1,2 en 4. Nu was het desondanks dat iemand uit District 12. Het District wat normaal volledig tegenover het Capitool stond qua normen en waarden.
Leandros had daar verandering in gebracht.
Mijn hoofd leek nog steeds te spinnen van de gebeurtenissen die vannacht hadden plaats gevonden. Ik had niet meer dan een klein uurtje slaap gehad en mijn ogen leken dan ook te branden. Toch kon ik ze niet van het linker scherm afhalen. Daarop was te zien hoe Leandros Rhine probeerde te verbinden, maar een luid geschreeuw leidde hem duidelijk af. Het geschreeuw wat hier ook volop door de zaal heen echode.
In mijn ooghoeken kon ik Devona zien zitten. Haar geverfde rode haren had ze opgestoken, maar enkele krullen waren uit de zwarte pinnen ontsnapt en hingen zacht in haar nek. Haar blauwe ogen waren gefocust op het rechter scherm waar het luidde gekrijs vandaan kwam. Daar waar haar laatste Tribuut vermoord werd.
Langzaam wendde ik mijn ogen van het linker naar het rechter scherm toe om precies te zien hoe Lerola en Tellas, de Tributen van Wodan, het kokende water over Caldwell heen goten. Zijn huid die al rood was van de eerdere klap, leek te bubbelen door de hitte. Sissend begon het zich terug te trekken en ik kon bijna de stoom van zijn lichaam zien opstijgen. Het Capitool zorgde ervoor dat we geen detail zouden missen.
'Wees gerust, je familie zal je niet meer herkennen als ze je doodskist ontvangen.'
Ziekelijk keek ik toe hoe Lerola het laatste beetje water in Caldwells ogen goot waardoor zijn gekrijs op een hoogtepunt kwam. Op sommige plekken van zijn lichaam waren de brandwonden zo erg dat het bot te zien was en de randen zwart geblakerd waren. Hij was niet meer te redden.
De lugubere beelden waren niet eens zozeer het gene wat me zo misselijk maakte. Het feit dat Lerola degene was die Caldwell zo behandelde maakte me ziek tot in het binnenste van mijn lijf. Dat had Leandros kunnen zijn als ik hem niet had gered met een Sponsorgift. Zo hadden zijn medebewoners in District 12 hem liever gezien dan in de positie waarin hij nu verkeerde. Verbrand en dood. Alles was beter volgens hen dan een Beroeps worden.
Lerola ging verder met haar martel proces en haalde al lachend haar kleine dolk weer tevoorschijn. Ze stak het wapen in Caldwells wang waardoor hij opnieuw begon met schreeuwen. Zijn lijden was nog lang niet voorbij. Lerola moest haar ritueel nog doen die ze bij elk van haar slachtoffers had uitgevoerd. Het inkerven van een cijfer op het gezicht. En Caldwell was haar nummer drie.
Zijn bloed vloeide niet zo erg meer door de hitte waardoor het leek te stollen. Zijn ogen waren nauwelijks nog te onderscheiden van zijn oogkassen en een goor pus droop eruit. Ik wilde niet meer kijken, maar mijn ogen reageerde niet op mijn commando. Ze leken vast gelijmd te zijn aan het grote scherm voor mij.
'Nu is het mijn beurt.' Gromde Tellas. Lerola trok haar mes uit de wang van Caldwell die kwijnend op de grond lag met een bloedrode drie in zijn wang gekerfd. Ze likte haar lippen af waar de bloedspetters nog opzaten.
'Maak het zo dat niemand hem meer herkend.'
Ze keken elkaar aan. Lerola rees op vanuit haar gehurkt positie en maakte haar mes schoon met haar handen waardoor het dikke rode bloed door haar vingers heen droop. Ik had echter alleen nog maar oog voor Tellas die langzaam zijn hamer oppakte. Zachtjes prevelde ik dat hij snel een eindde aan Caldwell zijn lijden zou maken. Niemand verdiende het om zo te sterven. Niemand.
'Het is gedaan.' Mompelde Devona plots naast me en ze sloeg haar drankje in één teug achterover. We keken beide toe hoe Tellas langzaam zijn hamer in de lucht hees en hem met één harde schreeuw op Caldwell zijn schedel terecht liet komen.
Een kanonschot volgde.
Ik liet me terug zakken in mijn zetel, opgelucht dat het voorbij was. Maar Tellas hield niet op. Hij hief zijn hamer nogmaals op en sloeg weer op Caldwells schedel in. Zwaar ademend herhaalde hij het proces opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Bloed en stukken lichaam gutsten bij elke nieuwe slag alle kanten op. Tellas kwam onder te zitten. Maar hij ging door. Door tot er niks meer was om op in te slaan dan een onthoofd lichaam.
Luid hijgend stond hij boven het lichaam en veegde met bebloede handen zijn haar uit zijn gezicht. Rode strepen kwamen op zijn voorhoofd terecht en vermengde zich met zijn zweet. Hij stapte achteruit en wierp zijn hamer aan de kant die ook onder zat. Afstand nemend van het lichaam leek hij pas te beseffen wat hij had gedaan.
Ik kon zien dat Leandros in de arena ook meekeek. Zijn ogen waren gevuld met horror en ik merkte dat hij moest braken. Tellas trok echter al snel weer mijn aandacht toen hij nogmaals achteruit strompelde, weg van het verminkte lichaam.
De blik in zijn ogen veranderde. Zijn bijna onmenselijke woede verdween en maakte plaats voor ongeloof. Ongeloof voor wat hij iemand had aangedaan en tot waar hij toe in staat was. Hij leek het bloed nu pas echt te zien waarmee hij de grond van de arena had bevuilt. Nu pas drong zijn actie tot hem door.
'Verdomme Lerola!' Schreeuwde hij wild en schopte tegen een rugzak aan. 'Kijk wat we hebben gedaan!'
'Dit was wat je wilde! Je wilde hem dood en vernederd hebben!' Gilde ze terug en wees met haar dolk naar het lichaam van Caldwell. 'Kijk naar hem! Kijk ernaar!'
Maar Tellas keek niet. Hij ging nogmaals met zijn bebloede handen door zijn haar, maar merkte dat dat het alleen maar erger maakte. Bijna angstig probeerde hij het van zijn handen af te wrijven, maar het rode bleef aanwezig. Als de schuld die een dood met zich meebracht bleef het bij hem.
'Ik wilde hem dood hebben, niet verminkt!' Schreeuwde hij nogmaals, maar Lerola trok zich er niks van aan.
'Je stemde zelf met het plan in.'
'Met het plan om hem terug te pakken ja! Je had mij nooit verteld dat je kokend water over zijn lichaam heen zou gieten!'
Voor even leek het alsof Lerola hem zou gaan aanvallen. Met haar dolk in haar verbrandde handen liep ze in een paar stappen naar hem toe en bracht haar gezicht dicht naar die van hem.
'Jij bent hier degene die hem heeft onthoofd met je hamer. Dacht je dat dat wapen enkel blauwen plekken zou aanbrengen? Het is gemaakt om mensen te verminken dus gedraag je niet zo onschuldig!'
Stilte volgde na haar opmerking. Enkel het geluid van Caldwells sissende huid was nog te horen wat na smeulde van het kokende water. Het leek de situatie alleen nog maar erger te maken. Tellas zijn blik was gericht op de hamer waar stukken lichaamsdelen en bloed nog aan vast zaten gekleefd. Afschuw vertekende zijn gezicht en ik kon zien dat hij moeite had met zich rustig te houden.
'Ga weg.' Zijn stem was zacht, maar dreigend en werd al gouw overstemd door Lerola's gelach. Eerst klonk het ongelovig maar na enkele seconden was het plezier wat ze ervoer er duidelijk in terug te horen.
'Je bent net zo'n lafaard als hij en reken er maar op dat je hetzelfde zal eindigen.'
Ze wierp haar dolk aan de kant en het belandde met een doffe plof naast Caldwell zijn lichaam. Hij was haar zelfs geen blik meer waardig en stormde langs hem heen de bult op, richting Leandros. Even was ik bang dat hij haar volgende slachtoffer zou worden en sprong ik op van de bank.
'Stel je niet zo aan, hem zal ze niks aandoen.' Hoorde ik een sarcastische stem naast me mompelen en ik zag dat het van Devona afkomstig was. Ik kon nog geen antwoord formulieren of zag al dat ze gelijk had. Lerola haalde enkel wat zalf voor haar handen op.
Ik draaide me om naar Devona om te zien dat ze nogmaals een alcoholisch drankje achterover sloeg. Het donkere drankje rook veel te sterk voor op de vroege ochtend, maar ik kon het haar niet kwalijk nemen. Haar laatste Tribuut was zojuist op een gruwelijke wijze vermoord en we waren beiden de gehele nacht opgebleven om de situaties bij te houden. Ze verdiende de verdovende kracht van de alcohol meer dan wie dan ook.
De Mentorruimte waar we inzaten droop langzaam leeg. Wodan was niet eens aanwezig geweest vannacht, terwijl zijn Tributen de gehele tijd in het middelpunt hadden gestaan. Hij liet zich überhaupt de afgelopen dagen nauwelijks nog zien en er werd zelfs geroddeld dat hij van plan was terug te gaan naar District 2. Hij trok zich nooit iets aan van zijn Mentortaken.
'Ik stel voor dat we vertrekken. De rest was tenminste al eerder op dat idee gekomen.'
Devona's mopperende stem bracht een sterke lucht van alcohol met zich mee en voorzichtig duwde ik haar weer terug op de bank. Het was waar dat alle andere Mentoren al uit de ruimte waren vertrokken, Logan van District 4 zelfs sprintend om nog een Sponsorgift te regelen voor Rhine. Ik had het echter als mijn taak gezien om hier te blijven totdat ik zeker wist dat mijn beide Tributen veilig waren. En daarbij had ik ook Devona bij me gehouden. Als aller nieuwste Winnaar was ze nog niet bekend met de mentortaken en ik had het altijd als mijn plicht gezien om de nieuwe Winnaars daarvoor in te wijden. Zo ook Devona, die nu lichtelijk verslagen naar de schermen keek waar nog steeds het lichaam van Caldwell op te zien was. Het leek nu pas tot haar door te dringen dat hij dood was.
'Weetje,' begon ze zacht. 'Een jaar geleden had ik ze allebei zonder één enkele gedachte de keel doorgesneden, omdat ze geen Beroeps waren. Maar nu waren het mijn Tributen, twee kinderen waar ik plots voor moest zorgen.
'Meer dan dat kan je niet voor ze doen.' Antwoorde ik fluisterend terug. Ik had die woorden al vaker moeten uitspreken naar Mentoren dus de dood van hun Tributen veel te persoonlijk opnamen en zo was het ook iets wat ik aan Devona leek te moeten vertellen.
'Zie daar heb je ongelijk.' Zei ze tegenstrijdend. 'Ik had veel meer voor ze kunnen doen, maar ik koos ervoor om het niet te doen. Ik heb geen Sponsors voor ze geregeld. Ik heb ze geen informatie gegeven over hoe ze moesten overleven in de arena. Ik heb ze zelf niet eens succes gewenst, Sinopa.'
De zachte glinstering van tranen bevond zich plots in haar ogen. Ik stak mijn hand uit om de krullen achter haar oor te strijken, maar ze duwde me weg. Ik kon niks zeggen. Durfde niks te zeggen. Ik had altijd gelooft dat overleving in de arena afhing van de capaciteiten van de Tributen. Zo had ik mijn Spelen ook gewonnen. Door slim het Spel te spelen en kennis te hebben van de arena. Zo had ik gewonnen door niemand te vermoorden.
Maar Caldwell niet. Hij had gedacht die capaciteiten ook te bezitten, maar had nu toch verloren. En misschien had dat iets te maken gehad met Devona's manier van Mentor zijn, maar dat kon ik niet geloven. Wilde ik niet geloven. De overleving van een Tribuut hing af van hemzelf. Niet van ons. Dat was iets wat ik altijd had gelooft en nog steeds deed.
'Ik heb net zo goed deelgenomen aan hun dood dan de Tributen die hen vermoord hebben. Wij zijn net zo goed moordenaars. Wij helpen onze Tributen in die arena te komen.'
Ik schudde mijn hoofd, maar Devona bleef me steevast aankijken.
'Het Capitool helpt ze de arena in. Wij proberen ze eruit te krijgen. Je kunt jezelf niet de schuld geven voor hun dood Devona, je kunt het gewicht van de doden niet met je meedragen. Je eigen ervaringen zijn al zwaar genoeg.' Mijn stem galmde door de lege ruimte, maar ik drong niet tot haar door. Er vormde zich een kille glimlach op haar gezicht en de woorden die ze vervolgens uitsprak lieten een rilling op mijn lichaam achter, omdat het de woorden waren die ik de hele dag al vreesde te horen.
'Wij zijn gelijk aan het Capitool, Sinopa. Wij vermoorden onze Tributen net zo zeer als hen.'
AN:
Ik denk dat dit voor iedereen een behoorlijk intensief hoofdstuk was om te lezen (en voor mij om te schrijven). Ik weet dat ik dan ook best wel weer laat ben met mijn update (mijn oprechte excuses daarvoor), maar hoop dat dit hoofdstuk dat ook wel weer een beetje goed maakt. Hoe erg het hoofdstuk dan ook was, ik denk wel dat het een goed hoofdstuk was, omdat er zeer veel spanning in aanwezig is. Ook natuurlijk omdat het een vervolg was op de cliffhanger van de vorige keer!
District 1 – Caldwell Ballantynn (14) is dan ook degene die is overleden, wat de meeste van jullie in jullie vorige reviews al goed hadden geraden. Rhine is er beter vanaf dan ik eerst voor ogen had en dat komt vooral door het Sponsorgift wat ze heeft ontvangen van The Name is Florine!
Ik heb dus twee hoofdstukken gehad met best wel veel Beroeps en zal beloven dat het volgend hoofdstuk niet om hen zal draaien. Het hoofdstuk daarna echter zal een tussenhoofdstuk zijn en zal ik de hoofdverhaallijn die zich in het Capitool gaat afspelen introduceren en uiteindelijk ook zeer belangrijk zal worden. Dus daar kunnen jullie alvast naar uitkijken.
Voor nu de puntentelling!
MyWeirdWorld - 63 Punten.
SirWalsingham - 60 Punten.
Greendiamond123 - 49 Punten.
FF-Schwarz - 42 Punten.
MadeByMel - 40 Punten.
Sharonneke95 - 40 Punten.
Leakingpenholder - 33 Punten.
LauraTwilightHungerGamesHPfan - 29 Punten.
TeenReadToo - 28 Punten.
Florreke - 25 Punten.
Azmidiske87 - 19 Punten.
Cicillia - 18 Punten.
NoxSelkirk - 16 Punten.
Serenetie-ishida - 16 Punten.
LeviAntonius - 13 Punten.
Marie999 – 12 Punten.
The Name is Florine - 9 Punten. (Sponsor van Rhine!)
Evalovespeeta - 6 Punten.
xXHungerGamesFanXx – 2 Punten.
Strawberrychickk – 2 Punten.
Jeffreyhphg – 2 Punten.
Silk Tiger – 2 Punten.
Dan nog even een bedankje naar LeviAntonius die me weer zeer goed heeft geholpen bij dit hoofdstuk! Door hem zie ik altijd de stukjes in die wat minder goed werken dan ik eerst dacht, en komt het hoofdstuk er dus zo uit te zien zoals hij nu is. (:
Volgend hoofdstuk dus drie niet Beroeps POV's en ik vroeg me dan ook af wat jullie ervan vonden dat ik in dit hoofdstuk ook een Mentor POV had gedaan. Ik vond het namelijk erg belangrijk om te laten weten hoe ze daar (In het Capitool + District 12) dachten over Leandros en hoe de (best wel gruwelijke) dood van Caldwell werd opgevangen door Devona die de Winnares is van de 67ste Hongerspelen.
De titel: Ondoofbaar Vuur heb ik trouwens gekozen voor twee redenen. Ten eerste natuurlijk vanwege het feit dat Caldwell is vermoord op deze manier (hij is niet in brand gezet, maar verbrand door water, iets wat niet te doven valt maar voor hem wel voelt als vuur). Ten tweede, omdat het ook een betekenis heeft voor Sinopa en Devona. De laatste heeft namelijk nu in haar hoofd gekregen dat het haar schuld is dat haar Tributen dood zijn en die gedachte brengt ze nu over aan Sinopa. Ze steekt haar dus eigenlijk aan (als een lopend vuurtje), en die gedachte is nu ook niet meer weg te krijgen (te doven). De tweede rede is natuurlijk wat ver gezocht, maar vond het alsnog mooi passen voor een benaming van dit hoofdstuk. (:
Dan nog drie vraagjes die jullie mogen beantwoorden in jullie reviews:
- Wat denken jullie van de verandering die Tellas doormaakte dit stuk?
- Denken jullie dat die verandering aanwezig zal blijven of dat hij weer doorgaat met martelen?
- Hoe lang denken jullie dat de Beroeps nog bij elkaar blijven?
Ik kijk uit naar jullie reviews en hoop dat jullie van dit hoofdstuk hebben genoten!
Liefs,
Jade
