HOOFDSTUK 6: EEN VERBODEN GESPREK
Met gesloten ogen luister ik naar de zachte geluiden van de andere mensen in de slaapzaal van het rebellenziekenhuis. Geritsel van stro, de rustige ademhaling van Doran die vlak naast mij ligt te slapen, de gedempte stappen van een paar collega-verplegers terwijl ze proberen om in bed te kruipen zonder de anderen te storen. Hun dienst zit erop. En dat wil zeggen dat de mijne over niet al te lange tijd zal beginnen.
Ik ga overeind zitten en haal de zwarte lap stof weg die voor mijn ogen gebonden is. De zon scheen nog volop toen ik daarstraks om zes uur 's avonds ging slapen. Maar nu is het in deze zaal zo donker dat ik zelfs zonder blinddoek nauwelijks iets kan zien. Ik richt mijn blik op de lichtgevende groene cijfertjes van de digitale klok die vlak bij de deur naar de trap staat. Vijfendertig minuten na middernacht. Over minder dan een half uur moet ik aan de slag.
Voorzichtig draai ik me om en open ik op de tast mijn rugzak, die nu als hoofdkussen dient. Met mijn roze jurk en bonten ondergoed erin ligt hij nog niet eens zo oncomfortabel. Ik schuif één hand onder de flap en haal het flesje cola tevoorschijn dat nog steeds ergens opzij in de zak zit. Tot nu toe had ik er nog niet van gedronken. Maar tijdens mijn allereerste nachtshift wil ik helemaal wakker zijn.
Eergisteren ben ik samen met Doran, Enya en Nuvie in het ziekenhuis aangekomen. De hoofdarts heeft ons eerst een rondleiding gegeven en de algemene regels uitgelegd. Daarna moesten we meteen aan het werk. Ook al zijn de gevechten in district 10 nog maar net begonnen, toch worden we nu al overspoeld door gewonden. De rebellen zijn vanaf het eerste moment vol in de aanval gegaan. Voor mij en de andere verplegers is er dus meer dan genoeg te doen. Gisteren heb ik zelfs twee keer achter elkaar meegeholpen bij een spoedoperatie. Daarbij moest ik alleen de juiste instrumenten doorgeven en achteraf alle gebruikte kompressen tellen om zeker te weten dat er geen enkele in het lichaam van de patiënt achterbleef. Toch was ik na uren rechtop staan moe genoeg om na het einde van mijn shift als een blok in slaap te vallen.
Ik schroef de dop van het flesje cola los en neem een eerste slok, waarbij ik probeer om zo veel mogelijk van de smaak te genieten. Cola is altijd mijn lievelingsdrankje geweest. Maar in 10 wordt het nergens verkocht en ik kan onmogelijk terug naar het Capitool voordat de oorlog voorbij is. Als we die al winnen. Het zou weleens heel lang kunnen duren voordat ik nog eens de kans krijg om cola te drinken. Misschien wel nooit meer. Stel dat de rebellen verliezen en president Snow aan de macht blijft. Dan zou het best kunnen dat ik me voorgoed in de wildernis moet verstoppen omdat geen enkel district dan nog echt een veilige plaats zal zijn voor landverraders zoals ik. Maar over die mogelijkheid wil ik nu liever niet te veel nadenken.
Nadat ik het lege flesje weer in mijn rugzak gemoffeld heb, zie ik dat het nog maar kwart voor één is. Genoeg tijd om even naar het balkon te gaan. Ik leg mijn deken op mijn rugzak, kruip voorzichtig overeind en zet twee grote passen vooruit. Het personeel van dit ziekenhuis slaapt niet in echte bedden. Omdat we de weinige matrassen allemaal aan de patiënten gegeven hebben, liggen wij gewoon op een dikke laag stro die rechtstreeks over de vloer is uitgestrooid. Zodra ik onder mijn voeten de overgang van stro naar hout voel, schuifel ik voorzichtig naar links. Gelukkig heb ik op de eerste avond goed om me heen gekeken en kan ik nu ook in het donker de weg vinden.
De slaapzaal voor de verplegers en verpleegsters ligt op de zolder van het gebouw dat nu als rebellenziekenhuis dient. Tot voor kort was dit de school waar de meeste kinderen van district 10 naartoe gingen. Normaal gezien zou het nu gewoon zomervakantie zijn, maar deze keer kan niemand zeggen wanneer er hier nog eens les gegeven zal worden. Sinds de officiële oorlogsverklaring van president Snow zijn alle scholen in Panem voor onbepaalde tijd gesloten. We kunnen dit gebouw dus als ziekenhuis blijven gebruiken totdat de gevechten voorbij zijn.
Ik leg mijn vlakke hand tegen de deur naar het balkon en duw hem zachtjes verder open. We laten hem 's nachts altijd op een kier staan om verse lucht binnen te laten, want we moeten hier met zijn allen in één ruimte slapen. Iets wat ik als Capitoolinwoner eigenlijk niet gewend ben. Toen ik nog in de lagere school zat, ging ik elk jaar met mijn klasgenoten op jeugdkamp naar één van de oude hongerspelenarena's. Maar daar lagen we nooit met meer dan zes kinderen in dezelfde Startkamer. Hier in district 10 is dat anders. En hoe erg ik ook mijn best doe om me zo snel mogelijk aan te passen, toch vind ik het nog altijd wat moeilijk om in groep te slapen met ruim twintig andere mensen die ik tot eergisteren helemaal niet kende. Vooral omdat ik kan voelen dat sommigen onder hen mij als iemand uit het rijke Capitool blijven zien. Gelukkig heeft Doran er de eerste nacht al voor gezorgd dat ik een plek vlak bij de muur kreeg en gaat hij altijd aan de andere kant naast mij liggen. Het kan raar klinken, maar daardoor slaap ik toch al wat geruster. Met Doran in mijn buurt kan er niets gebeuren.
Ik zet de deur weer op een kier en ga in mijn eentje op het balkon staan. Dat is maar een paar vierkante meter groot. De zolder heeft een puntvormig dak, dus het balkon vormt eigenlijk een soort vooruitstekende dakkapel. Met mijn handen op de houten reling gelegd blijf ik een tijdje voor mij uit staren. De school ligt echt helemaal aan de rand van de stad en dit balkon zit aan de achterkant van het gebouw. Overdag kan je hier kilometers ver over de velden kijken. Niet dat ik dat vaak doe, want dan zie je meteen ook het nieuwe oorlogskerkhof waarvan de eerste graven een paar dagen geleden gedolven zijn. Daar gaan ons patiënten heen als we hen niet kunnen redden.
Na een paar seconden verschuift mijn blik als vanzelf naar boven. District 10 heeft nauwelijks straatlantaarns en in de velden is het 's nachts al helemaal pikdonker. Nu het nieuwe maan is, komt het enige licht van de sterren die met honderden aan de hemel staan. Zo veel heb ik er in heel mijn leven nog nooit bij elkaar gezien. In het Capitool zorgen alle straatlampen en neonreclames er voor dat de lucht 's nachts bijna volledig oranje kleurt. Maar hier in 10 is zelfs de Melkweg nog duidelijk zichtbaar. Enkele ogenblikken lang blijf ik roerloos staan terwijl ik de zee van sterren boven mijn hoofd bewonder. Ik weet dat ik mijn eigen voornaam met een van die vele lichtpuntjes deel - mam heeft me dat ooit zelf verteld - maar ik heb er geen idee van waar aan de hemel ik moet zoeken.
Ik laat mijn hoofd weer zakken en kijk over de reling van het balkon naar beneden. Het is zo donker dat ik de grond niet eens kan zien, ook al telt dit gebouw met de zolder erbij gerekend slechts vier verdiepingen. Toch hebben we tot nu toe genoeg plaats voor alle gewonden. De klaslokalen zijn hier minstens twee keer zo groot als in het Capitool. Sinds gisteren weet ik ook waarom. De tributen van district 10 komen zelden ver in de Hongerspelen. Wie in deze school les geeft, moet vrijwel elk jaar opnieuw toekijken hoe twee leerlingen hun dood tegemoet gaan. Daarom willen maar heel weinig mensen onderwijzer worden en moeten de klasgroepen dus ook veel groter zijn. Volgens de verplegers die samen met mij door Morgan en Lucas opgeleid werden, is dat zelfs één van de redenen waarom de meeste ouders uit de dorpjes in het oosten van het district hun kinderen liever naar het kleine schooltje stuurden waar ook wij les hebben gevolgd.
Ik draai me om en glip via de balkondeur weer naar binnen. Volgens mij kan het nu niet lang meer duren voordat ik beneden verwacht word om aan mijn nachtshift te beginnen. De digitale klok op de zolder geeft aan dat het intussen al vijf minuten voor één uur is. Hoog tijd dus om me klaar te maken.
Voorzichtig, om de anderen niet te wekken, loop ik in een rechte lijn naar de uitgang waarachter de trap naar beneden ligt. Dankzij de groene cijfers van de klok en het streepje licht dat onder de gesloten deur door valt, is die gelukkig erg gemakkelijk te vinden. In het donker kan ik natuurlijk niet zien waar ik mijn voeten zet. Dus strek ik mijn arm uit totdat ik de berg houten banken en stoelen aan mijn linkerkant voel. Toen dit gebouw als ziekenhuis werd ingericht, hebben de rebellen al het schoolmeubilair naar boven gedragen. Wij slapen in het gedeelte van de zolder dat nog vrij is. Als ik dicht genoeg bij deze stapel blijf, is de kans klein dat ik over één van mijn collega's struikel.
Even later open ik de deur een stukje en wring ik me door de smalst mogelijke kier naar buiten. De lamp aan de muur van de traphal blijf altijd branden en ik wil niet dat het licht daarvan in onze slaapzaal binnenvalt. Enya en Nuvie - die vlak bij de deur slapen - zouden waarschijnlijk geïrriteerd reageren als uitgerekend ik hen op zo'n domme manier wakker maak. En een nieuwe ruzie is wel het laatste waar ik vannacht zin in heb.
Eigenlijk vraag ik me af waarom die twee de plek naast de deur hebben gekozen. Is het gewoon toeval, of proberen ze zo ver mogelijk bij Doran en mij vandaan te gaan liggen? Hoe dan ook is het duidelijk dat ze nog altijd een hekel aan mij hebben. Ook al zijn ze slim genoeg om dat nooit te laten merken wanneer de dokters het kunnen zien. Maar gisteren hoorde ik Enya nog tegen Nuvie fluisteren dat ik bij mijn eerste nachtdienst vast niet zo gemakkelijk uit bed zou geraken. Want de mensen van het Capitool slapen toch allemaal tot de middag. Tenzij er in de arena een fantastisch gevecht aan de gang is, natuurlijk. Ze zien mijn geboortestad en zijn bewoners echt zo zwart-wit als maar kan. Juist daarom vond ik het daarnet helemaal niet moeilijk om op te staan en was ik stiekem zelfs blij toen ik deze nachtshift toegewezen kreeg. Ik ben nog altijd van plan om te bewijzen dat ze ongelijk hebben. En dat kan ik alleen doen door aan iedereen te tonen dat ook ik - ondanks mijn capitoolafkomst - wel degelijk in staat ben om de verzorging van de gewonden boven mijn eigen nachtrust te stellen.
Ik trek de deur stilletjes achter me dicht en ga langs de trap naar beneden. Op de derde verdieping sla ik linksaf. Helemaal aan het einde van de gang ligt een toiletruimte met drie WC's voor de schoolkinderen. Ik wandel naar binnen en blijf staan voor de gebarsten spiegel die boven de twee lavabo's aan de muur hangt. Wie lang haar heeft, mag dat tijdens de diensturen niet los dragen. Dus haal ik het elastiekje tevoorschijn dat al sinds eergisteren in de achterzak van mijn rok zit en bind ik mijn haren samen tot een keurige paardenstaart. Daarna schuif ik mijn verplegersband rondom mijn linkerbovenarm. Die eenvoudige witte reep stof met een rood kruis erop is het enige waaraan je kan zien dat ik hier als personeelslid werk. Al sinds ik in dit ziekenhuis aangekomen ben, kampen we met een steeds groter wordend tekort aan materiaal en medicijnen. Ergens was dat wel te verwachten, want de districten zijn nooit rijk geweest. Volgens de hoofdarts is de situatie op sommige plaatsen - in district 8 bijvoorbeeld - zelfs nog een stuk erger dan bij ons. Hopelijk verandert dat zodra de rebellen een paar belangrijke overwinningen behalen. Maar voorlopig moeten we in dit ziekenhuis roeien met de riemen die we hebben. Er is dan ook geen geld voor echte uniformen. Iedereen draagt hier gewoon zijn eigen kleren. Alleen bij operaties moeten we een extra schort voorbinden.
Zodra mijn verplegersband stevig rondom mijn arm zit, ga ik één van de toilethokjes in. Misschien is het geen slecht idee om nog even te plassen voor ik aan de slag moet. Terwijl ik op de WC zit, denk ik onwillekeurig terug aan wat de hoofdarts tegen Doran en mij gezegd heeft. Ook al heeft de regering de zoektocht naar ons stopgezet, officieel zijn wij nog steeds voortvluchtig. Daarom kregen Doran en ik de raad om zo veel mogelijk binnen het ziekenhuisgebouw te blijven en enkel de stad in te gaan als het echt nodig is. Eén van mijn redenen om daarnet op het balkon een frisse neus te halen. 's Nachts en zo hoog boven de grond is de kans klein dat iemand me zal zien. Als de rebellen hier ooit een cameraploeg naartoe sturen om gewonden te filmen, dan moeten wij tweeën ons met rugzak en al verbergen in de toiletten totdat ze weer weg zijn. Stel je voor dat onze gezichten per ongeluk op tv zouden verschijnen.
Nadat ik doorgespoeld heb, blijf ik bij één van de lavabo's staan om mijn handen en armen grondig te wassen met water en zeep. Het is niet altijd even gemakkelijk om hygiënisch te werken in een geïmproviseerd ziekenhuis als dit. Maar de dokters blijven herhalen dat we het wel zo goed mogelijk moeten proberen.
Even later ga ik de toiletruimte uit om aan mijn nachtdienst te beginnen. In de gang loop ik meteen Lucas tegen het lijf. Zoals altijd draagt hij de witte doktersjas die hij uit district 13 heeft meegenomen. Hij is eergisteren samen met Doran, mij en de anderen naar het ziekenhuis gekomen. Voorlopig is er in de oostelijke dorpjes van het district toch niemand die nog tot verpleger opgeleid wil worden. Iedereen die interesse had om hier te komen werken, heeft de snelcursus van de rebellen intussen al gevolgd. Zodra Lucas me ziet, houdt hij me tegen om me mijn instructies voor deze shift te geven.
"Heb je je handen al gewassen?" is het eerste dat hij vraagt.
"Ja hoor," bevestig ik. "Wat moet ik doen vannacht?"
"Je mag patiënt nummer 37 in kamer zes verzorgen. Ik heb voor je opgeschreven welke medicijnen hij nodig heeft en hoeveel," zegt Lucas terwijl hij een blad papier tevoorschijn haalt.
"Is dat de man die zwaargewond is aan zijn twee benen?" vraag ik. Elke nieuwe patiënt krijgt een eigen nummer om het voor ons overzichtelijk te houden. Maar toch weet ik nu al wie Lucas bedoelt. Doran en Morgan hebben hem gisteren samen verzorgd. Volgens hen zou het een mirakel zijn moest die man zijn beide benen kunnen houden.
"Juist," bevestigt Lucas. "We hebben nog geen tijd gehad om het verband te verversen, maar dat moet nu dringend gebeuren. Vergeet niet om zijn wonden te ontsmetten en hem een spuit met één normale dosis morfling te geven. En je moet ook een infuus aanbrengen," zegt Lucas terwijl hij me het stuk papier met alle gegevens aanreikt.
Ik steek het blad opgevouwen in de achterzak van mijn rok en ga rechtstreeks op weg naar het lokaal dat we als voorraadkamer hebben ingericht. Daar bewaren we de weinige medicijnen die we hebben. Terwijl ik door de verlaten gangen loop, vraag ik me opeens af of Timothy nu ook in één van de rebellenziekenhuizen aan de slag zou zijn. Hij en ik hebben maanden lang samen in het geheime Capitoolverzet van Plutarch gezeten. En als chirurg kan Timothy zich zeker weten nuttig maken. Ik herinner me nog hoe Tigris op de laatste dag van de Kwelling tegen me vertelde dat hij aan het twijfelen was of hij al dan niet mee naar 13 zou gaan. Hoe dan ook heb ik Timothy hier nog nergens gezien. Als hij in één van onze ziekenhuizen werkt, dan is het in ieder geval niet in district 10.
Een paar minuten later stap ik in mijn eentje de voorraadkamer binnen. Tot voor kort was dit het kantoor waar de schooldirecteur zat. Zijn bureau en de twee oude archiefkasten die tot tegen het plafond reiken, dienen nu als opbergruimte voor medicijnen. Ik neem één van de drie plastieken bakken die op de vensterbank staan en haal het papier uit mijn achterzak. Omdat ik nog maar een paar dagen rebellenverpleegster ben, heeft Lucas alles extra duidelijk voor me opgeschreven.
Zorgvuldig verzamel ik alle dingen die ik straks nodig zal hebben. Een stevige elastiek. Twee grote rollen verband. Een spuitbus ontsmettingsspray. Eén standaarddosis vloeibare morfling en een injectiespuit. Volgens de instructies moet ik deze keer een nieuwe naald gebruiken. Die bewaren we allemaal bij elkaar in dezelfde bureaulade. Nadat ik alles in de plastieken bak gerangschikt heb, ga ik naar de linker voorraadkast om de twee laatste voorwerpen op het lijstje te nemen. Een plastieken slangetje en een infuuszak met het infectiewerende middel dat mijn patiënt van vannacht moet krijgen.
Ik trek de deur van de kast open en kan het niet laten om even te zuchten. Sinds gisterenmiddag - de laatste keer dat ik zelf in dit lokaal kwam - zijn er alweer drie lege vakken bijgekomen. Onze reserves worden kleiner en kleiner. We doen wat we kunnen, maar het wordt steeds moeilijker om de stroom aan nieuwe gewonden te blijven verzorgen. Vroeg of laat komen daar nog eens grote problemen van.
Normaal gezien liggen de infectiewerende middelen helemaal op het bovenste schap, dus laat ik mijn vingers op de tast over de plank glijden. Maar ik voel niets. Zouden die ook al opgebruikt zijn? Voor alle zekerheid klim ik bovenop een stoel zodat ik eens wat beter kan kijken. Helemaal achteraan in de kast blijkt nog één zak te liggen met het medicijn waar ik naar op zoek ben. Dat is een meevaller. Al betekent het helaas ook dat we straks alweer een geneesmiddel minder in voorraad zullen hebben.
Voorzichtig haal ik de plastieken infuuszak uit zijn beschermverpakking. Gelukkig is de vervaldatum nog niet verstreken en zie ik in de heldere vloeistof nergens neerslagvorming of troebele verkleuring. Anders zou Lucas waarschijnlijk willen dat ik deze zak weggooi. Hoe weinig medicatie we ook hebben, het heeft geen enkele zin om iemand een product te geven waar overduidelijk iets mis mee is. Ik knijp een paar keer op de zak om hem op lekken te controleren en leg hem daarna bij de andere spullen in de bak. Nu hoef ik enkel nog de naam van dit medicijn bij te schrijven op de lijst met ontbrekende voorraden die tegen de muur van het lokaal omhoog hangt. Een lijst die elke dag - nee, elk uur - langer lijkt te worden.
"Heb je alles gevonden?" vraagt Lucas wanneer ik even later door de gang richting traphal wandel.
"Ja, maar dit was wel de allerlaatste zak," zeg ik terwijl ik hem de inhoud van mijn plastieken bak toon en naar het infectiewerende medicijn wijs. Lucas trekt een bedenkelijk gezicht.
"Daar moet ik echt eens met de hoofdarts over praten. Eigenlijk heeft patiënt 37 ook een volledig morflinginfuus nodig dat een paar uur blijft lopen. Maar je zal hem toch een gewone spuit met één dosis moeten geven. Ga nu maar gauw naar kamer zes."
Ik haast me langs de trap naar beneden terwijl ik nadenk over wat Lucas net heeft gezegd. Met al die gewonden verbaast het me niet echt dat we nu ook flink door onze morfling heen beginnen te geraken. Al zou ik niet weten hoe we meer medicijnen naar hier kunnen krijgen. District 13 heeft zelf te weinig voorraden om echt elk rebellenziekenhuis in Panem te kunnen steunen. Ze zijn er jarenlang in geslaagd om voor hun eigen inwoners te zorgen, maar nu is de volledige bevolking van de elf overblijvende districten daar ook nog eens bij gekomen. En we kunnen ons medisch materiaal ook niet in district 6 gaan halen. Want die plek is nog steeds in handen van de regering. En het ziet er voor zover ik weet niet echt naar uit dat daar snel verandering in zal komen.
Voor de deur van kamer zes blijf ik staan. Tot voor kort was dit het klaslokaal van het derde middelbaar. Nu is het de zaal waar alle gewonden met een baxter bij elkaar liggen. Die moesten we wel groeperen omdat er in het hele ziekenhuis maar twee infuusstandaarden zijn. Of beter gezegd, oude kapstokken op wieltjes die nu tijdelijk een andere functie hebben gekregen. Voor ons zit er niets anders op dan drie of vier zakken tegelijkertijd aan dezelfde standaard omhoog te hangen. Dat de patiënten daardoor letterlijk en figuurlijk aan elkaar vastzitten, is een probleem waar we voorlopig nog geen oplossing voor hebben.
Ik duw de deur zachtjes open en sluip op mijn tenen naar binnen. Zoals ik al verwacht had, liggen vrijwel alle gewonden in deze kamer te slapen. Per slot van rekening is het intussen al kwart na één 's nachts. Alleen Gerry - de man die ik moet verzorgen - is nog wakker. Waarschijnlijk hebben de andere verplegers hem pas een paar uur geleden naar hier verplaatst, omdat ook hij nu een infuus nodig heeft. Ik hurk neer bij zijn strozak en zet mijn plastieken bak naast me op de grond, vlak bij het getal 37 dat met afwasbaar krijt op de vloer geschreven is.
"Mag ik iets drinken?" is het eerste dat Gerry vraagt. Ik leg mijn vlakke hand op zijn voorhoofd en voel nu pas dat hij hoge koorts heeft. Zelf ben ik geen dokter, maar volgens mij begint de infectie van zijn wonden nu ook de rest van zijn lichaam aan te tasten. Wat natuurlijk de reden is waarom ik hem dat infuus moet geven. Hopelijk is het nog niet te laat. Eigenlijk hebben we het medicijn nodig dat Katniss tijdens de vierenzeventigste Spelen bij de Hoorn ging halen om Peeta's been te genezen. Maar voor een rebellenziekenhuis als het onze is dat spul simpelweg onbetaalbaar. Bij de dokters om koortsverlagende pillen gaan vragen, heeft weinig zin. Die voorraad is sinds gisterenmiddag al opgebruikt.
Nadat ik Gerry een vol glas water heb gegeven, trek ik het dunne deken weg om zijn benen te bekijken. Ze zijn allebei van onder tot boven ingezwachteld. Hier en daar zie ik al rode bloedvlekken verschijnen, een teken dat het verband inderdaad dringend ververst moet worden. Misschien hadden mijn collega's er daarstraks echt gewoon geen tijd voor. Elke dag komen er in dit ziekenhuis een heleboel nieuwe gewonden binnen. Of zouden ze het tot nu uitgesteld hebben omdat we ook op het gebruik van verbandrollen zuinig moeten zijn? Hoe dan ook wordt het hoog tijd dat ik aan de slag ga. Maar omdat Gerry duidelijk pijn heeft, lijkt het mij verstandiger om eerst en vooral die morfling in te spuiten. Ik leg hem kort uit wat ik allemaal ga doen - volgens Lucas worden de meeste patiënten daar rustiger van - en begin dan met mijn werk.
Nadat ik de door Lucas voorgeschreven standaarddosis gegeven heb, hang ik een label met Gerry's naam en patiëntennummer aan de spuit. Zorgvuldig zet ik met een balpen een kruisje op het kaartje om aan te geven dat ik nu één keer met deze naald geprikt heb. Het is de bedoeling dat we hem pas na de derde injectie weggooien. Timothy zou vast een heleboel commentaar geven als ik hem dat vertel, want eigenlijk is zoiets een zware inbreuk op het medische protocol. Maar onze voorraden zijn zo beperkt dat we gewoon niet anders kunnen. Daarom hebben we tijdens onze opleiding tot rebellenverpleger andere regels geleerd. Elke patiënt krijgt een eigen spuit die na drie keer prikken in de vuilbak verdwijnt. Tussen twee injecties door moeten we de naald altijd ontsmetten. En wat er ook gebeurt, we mogen nooit dezelfde spuit gebruiken om twee verschillende personen te verzorgen. Iets wat Morgan en Lucas zeker vier of vijf keer nadrukkelijk hebben gezegd. Als het label met de gegevens van de patiënt ontbreekt, dan moeten we zonder pardon een nieuwe injectiespuit gaan halen.
Gerry's gezicht ontspant vrijwel meteen zodra hij de werking van de pijnstiller begint te voelen. De zak met infectiewerend middel heb ik daarnet al omhoog gehangen zodat ik mijn handen vrij zou hebben. Nu kan ik rustig dat infuus aanbrengen. Daarvoor moet ik eerst een geschikte ader vinden. Normaal gezien doe je dat door een speciale band rondom de bovenarm van de patiënt te binden, maar ook daar is geen geld voor. Dus gebruiken wij altijd gewoon een dikke rubberen elastiek. Terwijl ik bezig ben, vertel ik Gerry waarvoor dit medicijn dient en hoe lang hij het normaal gezien zal moeten krijgen. Ook dat hebben we in de opleiding geleerd. De meeste gewonden weten graag waar ze aan toe zijn.
Nadat ik de klem aan de infuusslang zo heb ingesteld dat de vloeistof doorloopt aan de druppelsnelheid die Lucas voor me heeft opgeschreven, ga ik in een gemakkelijkere houding zitten. Gerry's onderlichaam is bijna volledig ingezwachteld. Ik moet alle windsels er voorzichtig af halen, zijn wonden zo grondig mogelijk ontsmetten en daarna beide benen vanaf de tenen tot de lies volledig omwikkelen met nieuw verband. Het zal dus wel even duren voordat ik klaar ben.
"Kom jij uit het Capitool?" vraagt Gerry terwijl ik voorzichtig het kleine stukje kleefpleister lostrek waarmee het uiteinde van het verband vastgehecht is.
"Euh, ja," geef ik een beetje aarzelend toe. "Hoe weet je dat?"
"Door de manier waarop je sommige woorden zegt," legt Gerry uit. Zo te horen heeft mijn accent me alweer verraden.
"En een paar andere gewonden hadden mij daarstraks al verteld dat twee van onze verplegers capitoolrebellen zijn," voegt hij er nog aan toe. "Al had ik eerlijk gezegd geen jong meisje zoals jij verwacht. Hoe oud ben je eigenlijk?"
"Zeventien," antwoord ik. "Sinds 16 juli."
"Dezelfde dag dat vorig jaar onze laatste tribuut gestorven is," merkt Gerry op. Hoewel ik zeker weet dat hij het niet verwijtend bedoelt, richt ik mijn blik weer op het verband rond zijn benen zodat ik hem niet recht aan hoef te kijken. Kivo is inderdaad precies op mijn verjaardag gestorven. Enya was natuurlijk weer uit haar humeur toen ze dat toevallig ontdekte. Al kan ik er zelf natuurlijk niets aan veranderen.
"Dat is wel erg jong om op de vlucht te zijn," zegt Gerry.
"Ik moest thuis weg toen de vredebewakers me wouden arresteren," antwoord ik. "In de nacht dat de arena ontplofte. De rebellen zijn me zelf komen halen."
Gerry zwijgt even, maar stelt dan uiteindelijk toch de vraag die ik al min of meer had voelen aankomen.
"Waarom ben je eigenlijk rebel geworden? Met een rijke vader als de jouwe had je toch alles wat je maar wou?" Blijkbaar heeft hij intussen geraden wie ik ben. Ook al denkt de regering nu dat ik in district 13 zit en hebben ze mij vorige maand op tv alleen met geverfde haren getoond.
"Ik had mijn eigen redenen," mompel ik stilletjes om de andere patiënten niet te storen. Een ontwijkend antwoord, maar op één of andere manier vind ik het moeilijk om hierover te praten met iemand die ik nauwelijks ken.
"Dat geloof ik wel," zegt Gerry spontaan. "Want anders zou je hier nu niet zijn."
Daar heeft hij natuurlijk gelijk in. Moest ik er destijds niet voor gekozen hebben om me bij Plutarchs verzetsgroep aan te sluiten, dan woonde ik vandaag nog steeds bij mijn ouders in ons luxueuze dakappartement. Een plek die heel wat comfortabeler en veiliger is dan dit district. Net op dat moment - als om mijn gedachten te bevestigen - klinken er buiten in de verte een paar scherpe knallen gevolgd door een dof gerommel. Meteen stoppen mijn vingers met het loswikkelen van het verband. De andere gewonden in de kamer slapen erdoorheen, al kan ik zien hoe ook Gerry zijn oren spitst.
"Dat was een heel eind van hier," stelt hij me gerust. "Ergens aan de andere kant van de stad, denk ik."
Bijna een volle minuut lang blijven we allebei aandachtig luisteren. Maar wanneer alles stil blijft, ga ik verder met het weghalen van de windsels rond Gerry's benen. Het is niet de eerste keer dat ik de geluiden van de oorlog tot hier kan horen. Gelukkig hebben de dokters er voor gezorgd dat we deze school kunnen gebruiken. Ze zochten naar een plek die niet te afgelegen is, maar waar we ook niet pal in het centrum van de zwaarste gevechten zitten. De echt belangrijke strategische punten - Gerechtsgebouw, vredebewakerskazerne, Communicatiecentrum - liggen stuk voor stuk in het zuidelijke deel van de stad, terwijl het schoolgebouw helemaal aan de noordrand staat. Dit is een gewone woonwijk. Hier beperkt de oorlog zich meestal tot wat heen-en-weer geschiet tussen groepjes rebellen en vredebewakerspatrouilles. Maar de andere verplegers, die wel af en toe de stad in gaan, beweren dat je in het zuiden geen enkel huis kan vinden waarvan de ramen nog heel zijn. Sommige straten zouden zelfs al volledig in puin liggen.
"Volgens mij is er daarnet weer een gebouw ingestort," onderbreekt Gerry mijn gedachten.
Dat zou best weleens kunnen kloppen. Twee jaar geleden werd er in het Capitool een leegstaand appartementsblok afgebroken dat plaats moest maken voor een nieuw winkelcentrum. Ze hebben het gebouw opgeblazen met dynamiet, en vanuit de verte klonk dat ongeveer zoals het lawaai dat we net gehoord hebben.
"Hopelijk ligt er deze keer niemand onder, zoals ik," voegt Gerry er nog aan toe.
"Ben je zo gewond geraakt?" vraag ik terwijl ik de laatste repen verband weghaal en de vuile zwachtels in een zo klein mogelijk bolletje samenrol. Misschien zou ik als verpleegster toch moeten leren om iets discreter te zijn. Maar gelukkig lijkt Gerry zich niet echt aan mijn vraag te storen. Per slot van rekening wou hij daarstraks ook weten waarom ik de kant van de rebellen heb gekozen.
Ik leg het oude verband opzij en neem de fles ontsmettingsspray uit de plastieken bak die nog steeds naast mij op de vloer staat. Aan het gewicht te voelen is deze spuitbus ook al bijna leeg. Toch moet ik Gerry's wonden absoluut verzorgen, want zijn benen zien er echt niet goed uit. In stilte vraag ik me af of hij ooit weer helemaal zal genezen. Maar die gedachte houd ik voor mezelf.
Terwijl ik met het ontsmettingsmiddel aan de slag ga, vertelt Gerry hoe hij in het ziekenhuis terecht is gekomen. Eigenlijk was hij niet eens lid van het rebellenleger. Helaas had hij de pech dat hij toevallig midden in een vuurgevecht belandde dat onverwachts losbarstte. De enige plek waar hij dekking kon zoeken, was tussen de restanten van een huis dat al eerder ingestort was. Toen ook de laatste twee muren naar beneden kwamen, geraakte hij met zijn beide benen gekneld onder het puin. Het heeft meer dan drie uur geduurd voordat een groepje rebellensoldaten hem vond en naar hier bracht.
Ik luister zwijgend naar Gerry zonder hem ook maar één keer te onderbreken. Zijn verhaal lijkt griezelig veel op dat van Evi McGregor, de favoriete winnares van Merope. Hoe zou het intussen met mijn vriendin in het Capitool gaan? Sinds ik in district 10 ben, heb ik letterlijk elke dag aan haar gedacht. Maar ik weet dat ik haar onmogelijk kan bellen of schrijven voordat de oorlog voorbij is. En dat zou nog weleens heel lang kunnen duren.
Toch verbaast het mij niet echt dat Gerry op een manier als deze gewond is geraakt. Hij is beslist niet de enige. Minstens de helft van alle patiënten in dit ziekenhuis zijn gewone burgers. Mannen, vrouwen en kinderen die eigenlijk niet meevechten, maar die gewoon op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren. Oorlog maakt een massa onschuldige slachtoffers. Dat heb ik intussen wel geleerd. Ook al doen de rebellen hun best om het aantal dode en gekwetste districtsinwoners zo laag mogelijk te houden. Ze hebben de bevolking zelfs nadrukkelijk aangeraden om tijdens schietpartijen en andere gevechten zo veel mogelijk binnen te blijven. Wanneer ik aan Gerry vraag wat hij op straat te zoeken had, heeft hij een verrassend antwoord klaar. Eén dat onmiddellijk mijn aandacht trekt.
"Ze zeggen wel dat je best thuisblijft als je geen soldaat bent, maar dat kan ik niet. Omdat ik sinds deze lente geen huis meer heb."
Daarna vertelt hij kort hoe hij al sinds zijn twintigste bij één van de grootste varkenskwekerijen uit district 10 werkte. Als voedingsverantwoordelijke moest hij er voor zorgen dat alle dieren de juiste hoeveelheid eten kregen, zodat ze binnen het voorgeschreven aantal maanden op slachtgewicht kwamen. Maar na een ruzie met de baas van de kwekerij werd Gerry zomaar van de ene dag op de andere ontslagen. Ook al had hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Jammer genoeg zijn vakbonden verboden in de districten en sta je er als onrechtvaardig behandelde werknemer dus in feite alleen voor. Waardoor Gerry volledig zonder inkomen kwam te zitten en zijn huur niet meer kon betalen. Sindsdien zijn de straten van de stad zijn thuis geworden. Hoewel niemand mij er tot nu toe iets over verteld heeft, twijfelde ik er niet aan dat er ook in de districten zwervers zouden zijn. Maar dit is de eerste keer dat ik zelf één van hen ontmoet.
"Jij zal dit vast wel een vreemd verhaal vinden," zegt Gerry terwijl ik de dop weer op de spuitbus zet en de ontsmettingsspray terug in de plastieken bak leg. "Want in een stad als het Capitool zijn er natuurlijk helemaal geen daklozen."
"Die zijn er wel," mompel ik stilletjes, zonder er echt goed bij na te denken. Nog geen halve seconde later besef ik dat ik me versproken heb. Maar het is al te laat, want blijkbaar heeft Gerry het toch verstaan. Hij komt half overeind terwijl hij me recht aankijkt.
"Wat zei je?" dring hij aan.
Ik adem diep in terwijl ik heel snel probeer om mijn gedachten op een rijtje te zetten. Eigenlijk had ik daarnet gewoon moeten zwijgen. Maar de woorden zijn spontaan uit mijn mond geglipt, voordat ik het zelf besefte. Misschien omdat ik het stiekem nogal vervelend vind dat de districtsinwoners altijd in clichés over mijn geboortestad lijken te denken. In een opwelling besluit ik om Gerry gewoon een eerlijk antwoord te geven. Hij heeft nu toch al te veel gehoord, en ik ben het beu om elke keer opnieuw de waarheid te verzwijgen. De andere patiënten in kamer zes liggen nog steeds diep te slapen. Niemand kan ons hier horen en ik kan Gerry altijd vragen om dit tussen ons te houden.
"Die zijn er wel," herhaal ik. "Het Capitool mag dan wel rijk zijn, ook bij ons moeten er mensen op straat slapen. Sommige van die zwervers ken ik zelfs heel goed."
Ik voel dat ik nu Gerry's volle aandacht heb, want een antwoord als dit had hij waarschijnlijk nooit verwacht. In de districten denkt iedereen dat alle capitoolinwoners een zorgeloos luxeleven leiden. Dus vertel ik Gerry dat mijn thuisstad in werkelijkheid niet altijd even goed georganiseerd is als ze op het eerste zicht lijkt. Bij ons kunnen werklozen bijvoorbeeld een officiële uitkering aanvragen. Iets wat door veel mensen als een typisch voorrecht van het Capitool beschouwd wordt omdat het in de meeste districten niet eens bestaat. Maar wat men op tv doorgaans verzwijgt, is dat zo'n uitkering maximaal zes weken loopt. Als je daarna nog steeds geen nieuwe baan hebt gevonden, zit je met een probleem. Ook al weten de districtsinwoners dat dus niet omdat niemand het hen vertelt. Voor de vakbond geldt hetzelfde. In het Capitool hebben we wel zo'n organisatie - de Vereniging Voor Werknemers - maar eigenlijk is die in de praktijk een soort marionet van de regering. Snow zorgt er zelf voor dat de leidinggevende functies binnen de VVW ingenomen worden door zijn politieke vrienden. Dat is in ieder geval wat Dennis altijd heeft beweerd. Volgens hem en Alcyone was het vroeger - een paar eeuwen geleden - helemaal anders. Toen bestonden er zelfs vakbonden die het aandurfden om openlijk te protesteren tegen sommige beslissingen die de regering van hun land nam. Iets waarvan ik honderd procent zeker weet dat de VVW het nooit zal doen.
Daarna vertel ik Gerry hoe moeilijk het is om in het Capitool dakloos te zijn. Zwervers hebben nauwelijks rechten, en ze worden door de regering verbannen naar de buitenwijken. Eigenlijk maak je als dakloze geen deel meer uit van de samenleving. Misschien is dat wel de reden waarom nogal wat vredebewakers er niet zo heel veel moeite mee hebben om een zwerver neer te schieten. De straf die ze krijgen als ze zich tijdens het Hongerspelenseizoen in het Centrum durven te vertonen. Zelfs daar ben ik eerlijk over tegen Gerry, al verzwijg ik dat ik ooit zo'n executie van dichtbij heb meegemaakt. Dat verhaal wil ik alleen delen met mensen die ik echt goed ken.
"Daarom weten jullie in de districten niet dat er ook bij ons mensen op straat slapen," leg ik uit terwijl mijn handen zonder onderbreking verder gaan met het aanleggen van een schoon verband. Gelukkig hebben Doran en ik de afgelopen weken bijna elke dag geoefend en weet ik dus precies hoe ik de zwachtel moet leggen. "De regering wil niet dat er op tv per ongeluk zwervers in beeld komen, omdat de mensen in de districten het dan ook zouden weten. En de president heeft liever dat jullie het Capitool als een soort van perfecte stad zien."
"Zodat we niet in opstand durven te komen omdat we denken dat het toch zinloos is?"
"Helemaal juist," antwoord ik verrast. Gerry mag dan wel hoge koorts hebben en fel verzwakt zijn door de infectie, hij is duidelijk nog helder van geest. Want dit is precies de conclusie die Finnick en ik vorige zomer ook trokken.
"Ik had nooit gedacht dat er daklozen zouden zijn in het Capitool," zegt Gerry terwijl hij zijn rechterbeen een beetje verplaatst zodat ik de zwachtel onder zijn knie door kan halen. "En toch geloof ik jou, omdat je het mij zo spontaan en uitgebreid vertelt. Een leugenaar zou dat niet kunnen. Maar nu is er toch nog iets dat ik je moet vragen. Hoe komt het eigenlijk dat jij dat allemaal zo goed weet?"
"Omdat ik zelf heel vaak met daklozen heb gesproken," antwoord ik. Daarna begin ik over de Garage te vertellen. Uit veiligheidsoverwegingen noem ik geen namen van mensen en verzwijg ik dat we in werkelijkheid drie boxen huurden in plaats van slechts één. Maar toch merk ik dat Gerry heel geïnteresseerd zit te luisteren.
"Dus jullie koken daar ook? Ik dacht dat de mensen in het Capitool nooit honger hadden."
"Dat is ook zo," geef ik eerlijk toe. "Bij ons wordt er zoveel eten weggegooid dat je als zwerver gemakkelijk kan leven van wat je in afvalcontainers vindt. Maar soms willen ze graag een warme maaltijd, vooral in de winter."
Aan Gerry's gezicht kan ik zien dat hij moeite heeft met het idee dat de winkels in het Capitool elke dag perfect eetbare overschotten in de vuilbak kieperen. Misschien kan ik nu best van onderwerp veranderen. Al verklap ik Gerry wel nog dat ik een paar keer zelf aan dumpster diving gedaan heb, en dat de daklozen in de Garage soms op voorhand van mij te horen kregen wanneer de voedselinspectie in de winkels van Minerva zou langskomen. Op zo'n dag puilen de vuilbakken altijd uit met producten die te dicht bij hun vervaldatum zijn. Als dochter van de grote baas kon ik zo'n tips natuurlijk gemakkelijk doorgeven. Hoewel mijn vader er in die twee interviews op tv geen woord over gezegd heeft - dat mocht hij natuurlijk niet van de regering - vrees ik dat hij nu wel zal snappen waarom dat 'afval' vaak de volgende ochtend alweer verdwenen was. Hij is er vast niet blij mee.
"We hebben in de Garage altijd ons best gedaan, maar je kan niet alle problemen oplossen," zeg ik terwijl ik de laatste hand leg aan Gerry's verband. De patiënt op de strozak rechts van hem beweegt even in zijn slaap, dus demp ik mijn stem nog wat verder. Niemand mag dit gesprek horen.
"Eén van onze klanten heeft volgens mij iets heel ergs meegemaakt met vredebewakers," fluister ik zodra ik zeker weet dat de man naast Gerry niet wakker is geworden. "We hebben ooit aan haar gevraagd om het voor ons op te schrijven. Maar zelfs dat durfde ze niet."
"Misschien moet je dat dan gewoon respecteren," antwoordt Gerry.
Daar zou hij weleens gelijk in kunnen hebben. Alcyone en Dennis denken er waarschijnlijk ook zo over, want ze hebben niet meer verder aangedrongen toen ze dat lege blad papier terugkregen. Als Rana haar geheim wil bewaren, dan is dat zo. Hopelijk vinden ze een manier om na de sluiting van Talitha's box toch nog door te gaan met de Garage. Zwervers zoals Rana hebben echt wel hulp nodig.
Nadat ik gecontroleerd heb of het verband rondom Gerry's benen niet te strak zit, kijk ik nog snel even na of het medicijn in zijn infuus nog steeds goed doorloopt. Gelukkig lijkt ook dat in orde te zijn. Eigenlijk ben ik nu klaar met zijn verzorging. Maar omdat ik tot nu toe nog geen nieuwe opdracht gekregen heb, blijf ik nog even bij hem zitten om verder te praten. Lucas en de andere dokters raden ons zelf aan om de patiënten gezelschap te houden als we daar de tijd voor hebben. Niemand vindt het leuk om elke dag uren naar het plafond te liggen staren terwijl iedereen om je heen druk bezig is.
"Dus je ouders wisten niet dat je naar die garagebox ging?" vraagt Gerry nog eens.
"Ik heb het nooit tegen hen verteld. Ze zouden alleen maar boos geworden zijn. Vooral mijn vader dan, want die heeft al jaren een hekel aan daklozen."
"En toch vind ik het goed dat je het gedaan hebt," zegt Gerry.
Dat is een antwoord waar ik gek genoeg een beetje een dubbel gevoel aan overhoud. Natuurlijk ben ik blij dat Gerry mijn beslissing waardeert. Zeker als je bedenkt dat hij een districtsinwoner is en ik uit het Capitool kom. Maar dat is niet de enige reden waarom het voor mij raar aanvoelt om zijn goedkeuring te krijgen. Ook al verzweeg ik thuis en op school mijn werk in de Garage, in gedachten had ik me altijd op negatieve reacties voorbereid. Omdat ik wist dat die de enige waren die ik kon verwachten. Dus ergens voelt het wel wat vreemd om nu precies het tegenovergestelde te horen.
Heel even overweeg ik om mijn zorgen over het verzegelen van Talitha's box met Gerry te delen. Maar al snel besluit ik om dat toch niet te doen. Daarnet heb ik erover gezwegen en hier in 10 kan dat nieuws onmogelijk op tv gekomen zijn. Heel waarschijnlijk weet hij dus niet eens dat de vredebewakers onze daklozenopvang ontdekt hebben. En ik betwijfel of het een goed idee is om een ernstig zieke patiënt lastig te vallen met mijn persoonlijke problemen. Dus herhaal ik nog een keer in mezelf dat Dennis, Alcyone en Talitha vast wel slim genoeg zijn om met zijn drieën een oplossing te verzinnen. Per slot van rekening hebben ze de Garage heel lang verborgen kunnen houden, en zijn de boxen van Dennis en Alcyone er nog.
"Hoe is het eigenlijk om in district 10 op straat te leven?" vraag ik uiteindelijk. Dit is iets wat ik al sinds het begin van ons gesprek wil weten, en misschien leidt het me ook wat af van mijn angstige gedachten. De volgende paar minuten luister ik aandachtig naar Gerry's antwoord. Zelf is hij nog niet zo lang dakloos, maar toch kan hij me genoeg vertellen om een juiste indruk te krijgen.
Het grootste probleem, zo beweert hij, is aan eten komen. In deze stad gooit niemand zomaar voedsel weg en zijn er elke dag heel wat armen die hun ronde langs de vuilbakken doen. Met een lege maag gaan slapen is voor zwervers dan ook eerder regel dan uitzondering. Gerry heeft meer dan eens gezien hoe mensen op straat letterlijk stierven van de honger. En hoewel de daklozen die ik in het Capitool tegenkwam allemaal een rugzak met hun schaarse bezittingen droegen, hebben de meeste zwervers in district 10 echt helemaal niets meer. Zelfs de kleren die ze dragen, zitten vaak vol gaten.
"En toch zou ik als dakloze niet in het Capitool willen wonen," zegt Gerry. "Moest ik kunnen kiezen, dan bleef ik hier."
"Waarom?" vraag ik verbaasd. Het is mij een raadsel waarom iemand op een plaats wil blijven waar hij nauwelijks kan overleven.
Maar wanneer ik verder naar Gerry's verhaal luister, begin ik toch te snappen waarom hij er zo over denkt. Bij mij thuis worden alle zwervers met de nek aangekeken. Hier in 10 is dat anders. De meeste inwoners van dit district weten goed genoeg hoe het is om in armoede te moeten leven. En juist daardoor begrijpen ze dat lang niet alle daklozen hun problemen zelf gezocht hebben, zoals iedereen in het Capitool altijd veronderstelt. Vaak doen ze zelfs hun best om hen te helpen. Gerry vertelt me hoe hij op heel zware dagen soms bij verschillende huizen langsging om aan de bewoners een paar centen of een klein stukje brood te vragen. En veel mensen deden hun best om hem toch iets te geven. Zoals bijvoorbeeld de schoenen die hij aanhad toen hij in het ziekenhuis werd binnengebracht. Ongeveer een maand geleden had Gerry toevallig aangebeld bij een familie waar de vader net gestorven bleek te zijn aan een longontsteking. De weduwe heeft zijn schoenen toen meegegeven omdat die voor haar en haar kinderen toch veel te groot waren.
"Ik wist natuurlijk helemaal niet dat die man dood was," zegt Gerry. "Maar dat paar schoenen is het nuttigste wat ik als zwerver ooit heb gekregen. Ik wou dat ik iets terug kon doen voor die mensen."
Daar word ik wel even stil van. Niet omdat de bewoners van dat huis kleren hebben weggeschonken die ze zelf niet meer dragen, want dat is iets wat we ook in het Capitool vaak genoeg doen. Het is altijd leuk om iemand anders blij te maken. Maar wij geven zo'n dingen alleen door aan onze eigen vrienden of familieleden. Niet aan mensen die we van haar nog pluim kennen. En al zeker niet aan daklozen. Wat Gerry overkomen is, zou bij ons nooit gebeurd zijn. Dus misschien is het op sommige vlakken toch gemakkelijker om hier als zwerver te overleven dan in het Capitool.
Gerry en ik blijven nog een paar minuten met elkaar verder praten over het leven op straat in district 10. We dempen allebei zo veel mogelijk onze stem om te voorkomen dat de andere gewonden in deze kamer wakker worden van ons gebabbel. Maar wanneer ik in de gang voetstappen hoor naderen, weet ik dat ik niet langer bij hem zal kunnen blijven. Ik buig me snel naar voren om nog één laatste ding aan Gerry te vragen.
"Kan je me beloven om ons gesprek geheim te houden? Eigenlijk had ik met de mensen bij wie ik logeer afgesproken om niets over de daklozen in het Capitool te vertellen, want zij vinden dat voorlopig het veiligste. Maar nu heb ik het toch gedaan."
"Het blijft tussen ons," antwoord Gerry. "Ik ben allang blij dat ik het nu weet. En misschien komt er ooit een dag waarop we het aan iedereen kunnen zeggen zonder dat het Capitool ons ervoor kan straffen."
"Dan zullen we eerst de oorlog moeten winnen," zucht ik.
Net op dat moment hoor ik achter mijn rug de deur opengaan. Zoals ik al verwachtte, is het Lucas die komt kijken of ik al klaar ben. Hij controleert snel het verband en het infuus en knikt dan tevreden.
"Probeer nog wat te slapen," raad ik Gerry aan terwijl ik met de lege plastieken bak in mijn handen richting deur wandel. "Morgenmiddag komen we je opnieuw mofling geven."
Zodra ik samen met Lucas op de gang sta, zegt hij me dat ik operatiezaal 2 grondig moet schoonmaken. Iets wat we enkel 's nachts kunnen doen omdat de chirurgen overdag hun handen meer dan vol hebben met alle nieuwe oorlogsslachtoffers die we binnenkrijgen. Dus breng ik snel mijn plastieken bak terug naar de voorraadkamer, waarna ik direct op weg ga om aan mijn volgende opdracht te beginnen.
Onze twee operatiezalen zijn allebei ingericht in klaslokalen die op het gelijkvloers liggen. Zwaargewonden langs de trappen vervoeren is immers zelden een goed idee. Wanneer ik beneden kom, zie ik dat het licht in zaal 1 al brandt. Achter de gesloten deur hoor ik ook de stemmen van minstens drie of vier verschillende mensen. Daar zijn de chirurgen dus nog druk bezig.
Ik stap de tweede operatiekamer binnen en tast met mijn hand naar de schakelaar links van de deur. De lampen aan het plafond gaan aan en ik kijk nog eens snel de ruimte rond. Eigenlijk vind ik het nog altijd een beetje vreemd om in een geïmproviseerd ziekenhuis als dit een echte operatietafel en een paar moderne apparaten te zien. Er staat zelfs een speciale kist voor geneesmiddelen die je alleen gekoeld kan bewaren. We mogen blij zijn dat district 13 ons dit materiaal wou sturen.
Ik zet mijn schoonmaakspullen neer en ga aan het werk. De vloer schrobben vind ik zelf het zwaarste en vervelendste karwei, dus dat doe ik als eerste. Daarna ontsmet ik ook de operatietafel en een paar andere voorwerpen in deze kamer die je als chirurg met de handen moet aanraken. Pas wanneer ik helemaal klaar ben met het poetsen van de zaal - intussen is buiten de schemering al begonnen - ga ik op een stoel staan om de vliegenvangers los te maken die aan het plafond hangen. Ik gooi de lange, gekrulde slierten vol dode insecten in mijn emmer met vuil water en hang een paar nieuwe exemplaren omhoog. Timothy zou vast wel zijn bedenkingen hebben als hij dit zag. In de ziekenhuizen van het Capitool gebruiken ze andere en veiligere methoden om ongedierte weg te houden uit de operatiezalen. Maar zo'n ouderwetse vliegenvanger is nog altijd beter dan helemaal niets.
Nadat ik al het schoonmaakmateriaal weer in de bezemkast gezet heb, vraagt Lucas me nog om even langs te gaan bij een patiënt in één van de kamers op de tweede verdieping. Een kind dat gewond is aan de hand en dat - net als Gerry - dringend een vers verband nodig heeft. Blijkbaar is dat ook mijn laatste taak van deze nachtshift. Want Lucas zegt me dat ik mag gaan slapen zodra ik klaar ben.
Een half uurtje later sluip ik zo zachtjes mogelijk onze slaapzaal op de zolder van het ziekenhuis binnen. De zon is net opgekomen, dus bind ik de blinddoek weer voor mijn ogen. Pas nu voel ik dat zo'n nachtdienst toch wel vermoeiend is. Terwijl ik ga liggen op mijn slaapplaats vlak bij de muur, vraag ik me af of het gesprek met Gerry wel zo verstandig was. Per slot van rekening had ik aan de anderen beloofd om voorlopig aan niemand te zeggen dat er ook bij ons thuis daklozen zijn. Geruchten als deze doen soms sneller de ronde dan je denkt. Wie tijdens een feestje in het Capitool een roddel in de groep gooide, kon er zeker van zijn dat alle genodigden het op hun beurt gingen verder vertellen. Wat als dat hier ook gebeurt? Misschien zou zelfs Doran dan een beetje boos op me worden omdat ik me niet aan de afspraak gehouden heb. Maar tegelijkertijd weet ik heel goed dat het nu te laat is om erover te piekeren. Ik zal er gewoon op moeten vertrouwen dat Gerry blijft zwijgen, zoals ik hem heb gevraagd. Al leek hij me eigenlijk niet het type om stiekem achter mijn rug geheimen te verklappen. Ik ga op mijn zij liggen en sluit achter de blinddoek mijn ogen. Hopelijk praat hij niet per ongeluk zijn mond voorbij zoals ik, denk ik nog even voordat ik uiteindelijk in slaap val.
Maar de volgende dag staat mij helaas een nare verrassing te wachten. Ongeveer een uurtje voordat ik aan mijn volgende shift moet beginnen - een namiddagdienst deze keer - ga ik naar de ziekenhuiskeuken om iets te eten. Ook als verplegers hebben we recht op minstens één volledige maaltijd per dag, want met een lege maag kan je toch niet goed werken. Meestal eten we spinnenbrood of een kom groentesoep. Dezelfde maaltijden die we ook voor de patiënten klaarmaken.
Onderweg naar de keuken passeer ik langs zaal zes. De deur staat op een kier en ik kan het niet laten om snel nog even te gaan kijken hoe het met Gerry gaat. Maar zodra ik binnen kom, zie ik dat zijn strozak leeg is. Zelfs zijn deken is verdwenen. Meteen krijg ik een onaangenaam voorgevoel. Gerry was er veel te erg aan toe om het ziekenhuis nu al te mogen verlaten. Hij kon niet eens zelf stappen. Heel even blijf ik hopen dat ze hem vanochtend gewoon naar een andere afdeling verplaatst hebben. Maar wanneer ik aan de twee verplegers die hier nu aan het werk zijn vraag waar patiënt nummer 37 gebleven is, bevestigen ze het nieuws waar ik al bang voor was. Gerry is deze voormiddag gestorven.
"Hij lag gewoon te slapen toen we hier vanochtend vroeg binnen kwamen," vertelt de jonge man aan wie ik de vraag gesteld heb. "Maar een halfuurtje later liep ik toevallig langs zijn bed en toen zag ik ineens dat hij dood was. Ze zijn hem daarstraks komen weghalen om hem naar het kerkhof te brengen."
"Bedankt voor het antwoord," zeg ik met een zo neutraal mogelijke stem voordat ik de kamer uit ga.
In de gang blijf ik staan om tegen de muur te leunen. Gerry heeft het dan toch niet gehaald. Was die infectie al te ver gevorderd, of zou hij aan zijn hoge koorts bezweken zijn? Eigenlijk maakt het weinig uit. Het resultaat is hetzelfde. Huilen doe ik niet - ik kan niet zeggen dat ik hem echt goed kende en per slot van rekening gaan er hier elke dag mensen dood - maar ik heb wel een leeg gevoel vanbinnen. Alweer een slachtoffer dat gestorven is door een oorlog die ik als lid van het Capitoolverzet zelf mee in gang heb gezet. En ook al hebben Gerry en ik tijdens heel ons leven welgeteld één keer met elkaar gesproken, hij was nu iemand met wie ik een geheim deelde. Ik betwijfel of hij nog naaste familie heeft, want anders zou hij waarschijnlijk nooit op straat zijn beland. Maar toch wil ik niet dat hij zomaar vergeten wordt.
Opeens weet ik precies wat ik wil doen. Het duurt nog bijna drie kwartier voordat mijn volgende shift begint. Die tijd moet voldoende zijn. En als ik het een beetje handig aanpak, zal niemand er iets van merken. Ik haast me naar beneden, tot bij de bergruimte voor dekens en andere kledingstukken waarmee we de gewonden toedekken. Allemaal geschonken door districtsinwoners die de rebellenopstand willen steunen.
Ik open voorzichtig de deur van het berghok en doorzoek snel de stapel kleren die gisteren werd binnengebracht. Gelukkig ligt die ene wijde mantel met kap er nog steeds tussen. Nadat ik hem heb aangetrokken - waarbij ik er op let dat ook mijn witte verplegersband bedekt is - glip ik zo stil mogelijk langs de achterdeur van het ziekenhuis naar buiten. Eigenlijk moeten Doran en ik van de hoofdarts binnen blijven. Maar met deze wijde mantel om mijn schouders geslagen en de kap zo ver mogelijk over mijn hoofd geschoven is de kans klein dat iemand me direct zal herkennen.
Zonder nog verder te treuzelen, ga ik rechtsreeks in de richting van het oorlogskerkhof dat een meter of vijfhonderd verderop in de velden ligt. Onderweg blijf ik één keer staan. De blauwe bloemen in de grasberm waren mij al opgevallen toen we vanuit Kivo's dorp naar het rebellenhospitaal kwamen. Het is natuurlijk geen echt winterkruid - dat bloeit niet in augustus - maar het lijkt er wel een beetje op.
Even later sta ik voor de plek waar Gerry begraven ligt. Dankzij het eenvoudige houten plaatje met zijn naam en sterfdatum weet ik dat het wel degelijk hier is. De grafdelvers nemen net hun middagpauze, zodat ik nu helemaal alleen ben. Sinds het uitbreken van de opstand in 10 hebben ze hier al honderden mensen hun laatste rustplaats gegeven. Toch kostte het mij daarnet geen enkele moeite om het juiste graf te vinden. Gerry is nog niet lang dood, dus ik wist dat hij ergens achteraan op de laatste rij zou liggen. Daar waar er elke dag nieuwe kuilen bij gegraven worden.
Terwijl ik mijn boeket op de hoop vers omgewoelde aarde neerleg, denk ik terug aan wat ik in de arena van de vierenzeventigste Hongerspelen heb gedaan. Met uitzondering van Doran is er nog niemand die dat weet. Om één of andere reden heb ik het nog niet aan Andrew en Noria verteld. Toen moest ik de bloemen bij mijn vertrek opruimen omdat dat veiliger was. Maar deze keer durf ik het wel aan om ze gewoon te laten liggen wanneer ik me na een paar minuten omdraai en terug op weg ga naar het ziekenhuis.
Het eerste hoofdstuk waarin we Aludra echt als verpleegster aan het werk hebben gezien … ik hoop dat jullie het interessant om te lezen vonden, en dat mijn beschrijvingen realistisch genoeg waren. Zelf heb ik namelijk nooit voor dokter gestudeerd of in de medische sector gewerkt. Wel wilde ik hier - en ook in de volgende hoofdstukken - rekening houden met het feit dat er in een rebellenziekenhuis als dit ongetwijfeld zware tekorten aan medicijnen en ander verzorgingsmateriaal zullen zijn, en dat de hygiëne er waarschijnlijk ook niet echt optimaal is. Vandaar bijvoorbeeld mijn keuze om te beschrijven dat injectienaalden hergebruikt worden (hoewel ik heel goed weet dat zoiets eigenlijk niet mag). Al heb ik op het internet wel gelezen over medische centra in zeer arme landen die noodgedwongen meer dan één keer met dezelfde naald prikken.
Daarnaast nog een opmerking over de scène waarin de herkomst van de naam Aludra uitgelegd wordt. Ik keek er erg naar uit om dit stukje te kunnen schrijven, want dit is inderdaad de manier waarop ik aan die naam gekomen ben! Wie op het internet gaat zoeken naar een lijst met namen van sterren, zal trouwens wel meer personages uit mijn verhalen terugvinden. Ik vind het in ieder geval een hele goede inspiratiebron voor ongewone en/of originele namen.
Normaal gezien zal ik het volgende hoofdstuk opnieuw over ongeveer één maand online zetten. Het cohousingproject waar ik aan deelneem, lijkt op dit moment vrij goed te vorderen - we hebben zelfs al en architectenbureau gekozen - maar er kruipt wel een flink deel van mijn vrije tijd in. Vandaar dat ik voorlopig deze updatefrequentie blijf aanhouden.
Tot de volgende keer en laat gerust een review achter (ik lees ze allemaal),
Azmidiske
