HOOFDSTUK 12: OP LEVEN EN DOOD

Ik blijf verstard van schrik zitten terwijl de vredebewaker zijn zaklamp naar de grond richt. Gelukkig ben ik er nog net op tijd in geslaagd om een kreet van schrik te onderdrukken. Tijdens de spionnenopleiding ging Fulvia soms stilletjes achter onze rug staan om dan opeens hard met haar vlakke hand op tafel te slaan, zodat we die gevaarlijke gewoonte zouden afleren. Stiekem heb ik me daar altijd rot aan geërgerd. Maar nu ben ik haar er dankbaar voor. Want op hetzelfde moment dringt het tot me door dat de vredebewaker het helemaal niet tegen mij heeft. Vanuit mijn schuilplaats kijk ik toe hoe de dakloze vrouw die ik daarstraks gezien heb vanonder het zeildoek komt gekropen. Ze gaat half rechtop zitten en houdt één hand omhoog tegen het felle licht dat in haar gezicht schijnt.

"Wat doe jij hier?" vraagt de vredebewaker nogal kortaf terwijl hij zijn wapen trekt.

"Ik-, ik lag te slapen," stamelt de vrouw verward. Haar stem klinkt alsof ze eigenlijk nog maar half wakker is.

"Tussen het afval en de rommel zeker," voegt de vredebewaker er minachtend aan toe. "Ik ken jouw soort. Eerst bij de mensen in de stad bedelen totdat zij hun allerlaatste stuk brood geven, en dan kom je naar hier. Omdat je heel goed weet dat ze je eigenlijk helemaal niet in hun buurt willen hebben."

"Ik wil niemand lastig vallen," probeert de vrouw nog. Ze klinkt al een heel stuk onzekerder nu er een pistool op haar gericht wordt. Hoewel de bewaker niet van plan lijkt om het nu al te gebruiken.

"Je valt me wel lastig," snauwt hij, "want je stoort me bij mijn werk. Al is het mij een raadsel waarom ik vannacht op deze plek moet patrouilleren. Er is hier toch helemaal niets te zien."

Ook al lig ik meer dan tien meter verderop tussen de struiken, ik kan elk woord verstaan. Eigenlijk zou ik nu opgelucht moeten zijn omdat ik zelf niet betrapt ben. Maar in plaats daarvan merk ik hoe al mijn zintuigen op scherp staan. Aan zijn accent te horen komt die vredebewaker uit het Capitool, niet uit district 2. Wat betekent dat een ontmoeting als deze eigenlijk alleen maar fout kan gaan. Voor zo ver ik me herinner zijn er in de districten geen regels die bepalen waar je als zwerver wel of niet mag komen. En hij had haar allang kunnen neerschieten als hij dat echt had gewild. Toch ben ik er allesbehalve gerust in. Ik voel gewoon dat er iets naars zal gebeuren.

"Maar misschien kan je me toch nog een dienst bewijzen," zegt de bewaker op een vreemde, onheilspellende toon die de rillingen over mijn rug doet lopen. "Vredebewaker is een eenzaam beroep, weet je. We zitten soms maandenlang vast in één of ander arm district, zonder iets dat als afleiding kan dienen. Behalve dan de vrouwen die 's nachts hun lichaam aan ons verkopen. En jij bent beslist geen haar beter dan zij."

Mijn adem stokt in mijn keel wanneer ik zie hoe de vredebewaker zijn broeksriem begint los te maken terwijl hij met zijn andere hand de vrouw - die nu echt geen kant meer uit kan - onder schot blijft houden. Eindelijk snap ik wat hij van plan is. Dennis heeft ooit gezegd dat mensen als deze vooral uit zijn op macht, en op het vernederen van hun slachtoffer. Dat is toch precies wat die vredebewaker nu wil? Daklozen hebben in zijn ogen geen rechten en hij denk natuurlijk dat niemand hem ziet. Hij weet niet dat ik er ben. Al kan ik in mijn eentje helemaal niets doen. Ik sta volledig machteloos. Alweer. Net als vijf jaar geleden, toen Annie Cresta haar Hongerspelen had gewonnen. De herinnering komt in alle hevigheid terug en opeens lig ik niet meer plat op mijn buik onder de struiken, maar zit ik in elkaar gedoken achter de vuilnisbakken van het Transferstation.

Mijn voeten beginnen over de pastelkleurige tegels van het perron te rennen. Die rotzak staat nog steeds met zijn rug naar mij toe. Dankzij alle arenabeelden die ik gezien heb, weet ik perfect waar ik moet steken om iemand dodelijk te verwonden. Maar net wanneer ik het mes met volle kracht tussen de ribben van de vredebewaker wil boren, verplaatst mijn hand zich als vanzelf naar rechts en verdwijnt het lemmet diep in zijn schouder. Het volgende moment hoor ik de vredebewaker schreeuwen terwijl hij me in één beweging van zich af gooit. Ik smak hard met mijn rug tegen de grond en voel een korte, scherpe pijn bij mijn linkerbovenbeen. Alsof iets dwars door mijn broek heen in mijn vlees snijdt. Ik probeer overeind te krabbelen en voel onder mijn handen ruw asfalt in plaats van een gladde tegelvloer. Pas dan dringt het tot me door dat ik helemaal niet in de tunnels onder het Capitool ben, maar in district 6. Opeens besef ik wat ik heb gedaan. Ik heb in mijn eentje een getrainde vredebewaker aangevallen met niets anders dan een gewoon keukenmes als wapen.

In blinde paniek draai ik me om en zet ik het op een lopen. Gelukkig haal ik het bos voordat de vredebewaker de kans krijgt om zijn pistool op mij te richten. Terwijl ik tussen de bladeren verdwijn, hoor ik hoe hij achter me aan komt rennen. Zonder er verder bij na te denken volg ik het smalle zandwegje dat tussen de bomen door slingert. Die bewaker is zeker weten sterker en sneller dan ik. Zelfs met een gewonde schouder. Ik heb maar één kans om me hieruit te redden.

Na precies twintig passen duik ik naar links, de begroeiing in. Ik laat me snel op mijn knieën vallen en negeer het branderige gevoel van de netels die in mijn handen prikken. Dan kruip ik in elkaar achter de stam van een dikke boom. Bevend luister ik naar de zware voetstappen van de vredebewaker, die steeds dichterbij komen. Vanuit mijn schuilplaats kan ik zijn laarzen in het maanlicht zien glimmen, op amper drie of vier meter bij mij vandaan. Ik ben zo bang dat ik helemaal nergens aan kan denken. Behalve aan wat mij te wachten staat als hij me arresteert. En tegelijk weet ik dat het nu geen enkele zin meer heeft om nog weg te vluchten. Mijn vijand is vlakbij en zo meteen zal hij me vinden. Ik wil net mijn handen voor mijn gezicht slaan wanneer ik opeens het gekraak van takken hoor, gevolgd door een luid gevloek. Pas dan besef ik dat mijn list geslaagd is.

Ik sleur mezelf overeind, hoewel mijn benen nog steeds als rubber aanvoelen. Een paar passen verderop hangt de vredebewaker ondersteboven in de valstrik die ik had gespannen. Door de schok heeft hij zijn wapen laten vallen. Precies zoals de leraar in het Trainingscentrum had voorspeld. En omdat ik mijn val hoog genoeg heb geplaatst, kan hij ook niet met zijn handen tot bij de grond om het weer op te rapen. Maar toch weet ik dat het geen goed idee is om echt dicht in zijn buurt te komen. Nu zal ik snel moeten zijn.

Ik ruk een lange dunne tak los waarmee ik het pistool in één beweging opzij sla. Het belandt ergens tussen de struiken, maar dankzij mijn nachtkijkbril kan ik het zonder problemen zien liggen. Ik sprint vooruit en gris het wapen van de grond. Dan zet ik een paar passen terug en dwing ik mezelf om te doen wat we in het Capitoolverzet hebben geleerd. Voor een jong meisje als ik zal dit zeker niet gemakkelijk zijn. Maar Plutarch en Fulvia waren hier heel duidelijk over. Ze hebben zelfs een paar keer benadrukt dat een kort moment van twijfel al fataal zou kunnen zijn. Ik verzamel al mijn lef, klem mijn tanden op elkaar en richt het pistool op de borststreek van de vredebewaker. Al kan ik niet vermijden dat mijn handen beginnen te trillen. Dit lukt me nooit, flitst door mijn hoofd.

"Ik heb je onder schot," zeg ik schor, maar luid genoeg om verstaanbaar te zijn. "Gooi nu je zaktelefoon naar mij toe. In mijn richting," herhaal ik nog een keer, zodat hij weet dat hij geen trucjes moet uithalen.

Heel even blijft de bewaker me strak aanstaren en vrees ik dat ik inderdaad niet sterk genoeg overkom. Maar blijkbaar beseft hij uiteindelijk toch dat hij weinig kans maakt nu ik hem met zijn eigen wapen bedreig en hij ondersteboven in een boom hangt te bengelen. Dan haalt hij zijn telefoon tevoorschijn en doet hij wat ik bevolen heb. Het toestel komt met een zachte plof voor mijn voeten terecht. Ik buig snel door mijn knieën om het ding op te rapen terwijl ik met mijn andere hand het pistool stevig vast blijf houden. Zo te zien zit mijn mes nog altijd in zijn schouder. De wonde bloedt, maar ik denk niet dat hij er dood aan zal gaan.

Pas dan dringt eindelijk tot me door dat ik de situatie min of meer onder controle heb. Mijn tegenstander is ongewapend en ik heb ook zijn mobiele telefoon afgepakt. Net zoals je volgens de regels van het Capitoolverzet onmiddellijk en zonder aarzelen moet doen als je een vredebewaker overmeestert. Zo kan hij geen hulp van collega's vragen. En gewoon schreeuwen heeft voor hem nu ook weinig zin meer. Want in de verte hoor ik geweerschoten en allerlei andere geluiden die bij een hevig gevecht horen. Onze treinoverval is begonnen. De rebellen en het regeringsleger zijn nu zo druk met elkaar bezig dat niemand ons hier nog zal komen storen. Al ben ik niet van plan om zelf mee te gaan vechten. Want ik weet dat mijn werk nog niet af is.

Wanneer ik opnieuw begin te spreken, klinkt mijn stem laag van woede. Nooit eerder heb ik iemand zo erg gehaat als de man die nu voor mij in de bomen hangt. Toch begin ik hem tot mijn eigen verrassing niet gewoon uit te schelden. De woorden rollen spontaan uit mijn mond, zonder dat ik er over hoef na te denken. Wat misschien betekent dat ze echt helemaal uit mezelf komen.

"Ik zou je nu kunnen doden als ik dat wil," begin ik, "want het is oorlog en wij zijn vijanden. En als je het waagt om alarm te slaan, dan doe ik het ook. Maar je wil vast weten waarom ik niet gewoon meteen schiet."

Ik pauzeer even om diep adem te halen en merk dan pas dat ik nog steeds sta te beven. Toch lukt het me om mijn stem nog altijd vastberaden te laten klinken. Ook al heb ik hier niet vooraf over nagedacht, ik ben me heel goed bewust van wat ik zeg. En tegelijk weet ik dat ik het meen.

"Jouw president neemt nu nog altijd wraak voor vroeger door al die tributen naar de arena te sturen. Zelfs na vijfenzeventig jaar. Maar ik ben het beu om zo te denken. Ik stop ermee."

"Snow is ook jouw president," bijt de vredebewaker me toe.

"Nu niet meer!" schreeuw ik terug. "Al jaren niet meer! En zwijgen, voordat ik van idee verander!"

Terwijl ik mijn beide armen vooruit strek om hem te laten zien dat ik nog altijd gewapend ben, voel ik dat het waar is. Ik heb me pas vorige zomer bij Plutarchs groep gemeld. Maar eigenlijk werd ik al rebel in de nacht dat Annie Cresta haar Spelen won.

De vredebewaker kijkt me woedend aan, al geeft hij deze keer geen antwoord. Misschien snapt hij dat hij hoe dan ook in een verloren positie zit nu hij aan een boom hangt en ik het pistool heb. Of zou het toch aan zijn gewonde schouder liggen? Natuurlijk zal hij zijn zwakte nooit zomaar aan mij tonen. Maar als rebellenverpleegster weet ik intussen dat een messteek op die plaats meer dan pijnlijk genoeg is.

Boven onze hoofden hoor ik het motorgeronk van een hovercraft. Ik kijk snel op - zonder het pistool te laten zakken - en zie hoe het toestel over het bos voorbij komt vliegen. Onderaan hangt een grote container die enkele ogenblikken geleden nog op de trein gestaan moet hebben. Opeens besef ik dat ik niet langer kan blijven treuzelen. Zo te horen zijn ze bij het perron nog steeds aan het vechten, maar ik heb er geen idee van wanneer het bevel om terug te trekken zal komen.

Ik lees aandachtig het nummer op het uniform van de man tegenover mij, klem het pistool stevig in mijn ene hand en haal met de andere de zaktelefoon tevoorschijn. Vorige herfst hebben we in het Capitoolverzet uitgebreid geleerd op welke manier zo'n ding werkt. Ik selecteer snel de functie waarmee mijn stem automatisch door een klankvervormer gehaald zal worden en druk dan de toets in die een rechtstreekse verbinding met de kazerne van district 6 geeft. Wanneer ik begin te spreken, kies ik mijn woorden heel zorgvuldig. Gelukkig weet ik als spionne ongeveer hoe vredebewakers met elkaar praten.

"Soldaat nummer twee-vier-negen. Ik zit in het bos naast de oostelijke toegangsweg tot het Zuidstation en ben gekwetst aan de schouder. Extra hulp nodig. De vijand is gevlucht in de richting van de tropische serres."

Ik druk nog een keer op de toets om het gesprek af te sluiten en laat de telefoon dan achter mijn rug op de grond vallen. Hem bijhouden zou veel te gevaarlijk zijn. Volgens Fulvia zit er een systeem in waarmee je exact iemands positie kan bepalen. Wat ook betekent dat ik er nu best zo snel mogelijk vandoor ga. Ik raap de zaklamp op - die tot vlak bij mijn voeten gerold is - en schuif hem tussen mijn broeksriem. Pas wanneer ik weer overeind ga staan, zie ik dat de blik in de ogen van de vredebewaker veranderd is. Boosheid gemengd met verbazing. In een opwelling blijf ik staan om nog een paar laatste dingen tegen hem te zeggen.

"Je had vast niet verwacht dat ik hulp zou laten komen? Ik heb vroeger eens geleerd dat je nooit zo slecht mag worden als je eigen vijanden. Denk daar maar eens goed over na," snauw ik terwijl ik de woede van daarnet weer voel terugkomen. "Waag het niet om te schreeuwen voordat ik een heel eind weg ben. Want dan zal ik je toch nog moeten neerschieten. En als je nog één keer iemand aanvalt gewoon omdat ze dakloos is, dan doe ik het ook. Wees daar maar zeker van."

Met een ruk draai ik me om en ren ik het bospaadje af, tot bij de toegangsweg naar het station. De dakloze vrouw is nergens te zien. Waarschijnlijk is ze onmiddellijk gevlucht toen ik die vredebewaker in de schouder stak. Dat zou ik in haar plaats ook gedaan hebben. Hoe dan ook kan ik toch niet naar haar op zoek gaan, want ik moet hier weg voordat de versterking vanuit de kazerne komt. Gelukkig heb ik eraan gedacht om mijn vijanden de verkeerde kant op te sturen. De tropische serres liggen een heel eind bij het Zuidstation vandaan.

Ik steek het pistool in de leren houder waar daarstraks mijn mes zat, zodat ik beide handen vrij heb. Dan haast ik me over de verharde straat terwijl ik probeer om zo veel mogelijk in de schaduw van de opslagloodsen te blijven. Het gevecht bij de trein lijkt nog in hevigheid toe te nemen. Misschien is het verstandiger om nu gewoon parallel met de spoorweg te lopen en pas naar het perron te gaan als ik vlak bij de grens van het district ben. Er komen opnieuw drie hovercrafts voorbij vliegen, elk met een container eronder. Allemaal medicijnen voor onze ziekenhuizen, mompel ik in gedachten om mezelf moed in te spreken. Hoeveel wagons zouden we nu al buitgemaakt hebben?

Ik kijk de toestellen enkele seconden na en besef opeens dat ik nog steeds geen luchtafweergeschut gehoord heb. Blijkbaar is het de rebellen er dan toch gelukt om alle hovercrafts van de vredebewakers in district 6 te saboteren. Des te beter. Maar tegelijk weet ik heel goed dat we pas veilig zullen zijn als deze overval voorbij is.

Zodra ik ongeveer veertig meter verderop de grensomheining zie, sla ik rechtsaf. Dan ren ik in een rechte lijn tussen de gebouwen door. Dat is nog altijd de kortste weg. Ik ben bijna bij de sporen wanneer ik even halt hou. Vlak voor me uit zie ik de felle lichten van het perron. Het geschreeuw en de geweerschoten klinken nu nog luider. Pas dan besef ik voor de eerste keer echt dat ik me middenin een vuurgevecht zal moeten wagen als ik de poort wil bereiken.

Ik zoek steun tegen de muur naast mij, maar voel toch hoe ik door mijn knieën zak. Eén vredebewaker aanvallen was al eng genoeg. Hoe moet ik hier ooit levend uitgeraken? Ik kan zelfs geen hulp van de andere rebellen vragen. Plotseling herinner ik me het zendknopje dat ik als wachtpost gekregen heb. Dom van mij om daar niet eerder aan te denken. Ik had het eigenlijk al moeten gebruiken zodra ik zag hoe die dakloze vrouw zonder reden bedreigd werd. Maar toen was ik zo kwaad dat ik alles om me heen vergat.

Ik tast met mijn hand naar de achterzak van mijn broek en verstijf als mijn vingers over een grote scheur in de stof glijden. Pas dan merk ik dat ik gewond ben. Een flinke snee in mijn linkerbil. Dat kan alleen maar gebeurd zijn toen ik die vredebewaker aanviel en hij me op de grond gooide. Er lagen genoeg glasscherven en metaalsplinters op straat om me aan te kwetsen. Al heb ik er door de spanning en de woede van het moment weinig of niets van gevoeld. Gelukkig lijkt het bloeden al gestopt te zijn. Maar wat erger is, ik ben mijn zendknopje kwijt. Dat is natuurlijk uit mijn kapotte broekzak gevallen en het zou overal kunnen liggen. Onbegonnen werk om dat ding nog te gaan zoeken.

Ik hef mijn hoofd met een ruk op wanneer ik het fluitsignaal hoor. Twee keer kort, gevolgd door één lange toon. Het geluid blijft zich herhalen en meteen weet ik wat me te doen staat. Zelfs vanaf de plek waar ik de wacht hield, zou ik dit duidelijk gehoord hebben. Lyme en Andromeda dragen elk een speciaal fluitje bij zich waarvan de klank ongelooflijk ver draagt, zodat je er gemakkelijk afgesproken tekens mee kan doorgeven. Dit is het bevel voor alle rebellen om via de poort het district uit te vluchten.

Ik raap mijn moed weer bij elkaar en ren de laatste meters door het smalle steegje. Wanneer ik bij de sporen kom, moet ik een paar keer met mijn ogen knipperen om te geloven wat ik zie. Het Zuidstation is in een slagveld veranderd. De muur van het gebouw naast het perron zit vol kogelinslagen en geen enkele ruit is nog heel. Voor mij liggen drie dode lichamen in een plas bloed op de grond. Twee vredebewakers en een rebellensoldaat. De trein staat er nog steeds, maar van de meeste wagons is enkel het onderstel met de wielen nog over. Onze hovercrafts hebben dus al heel wat containers kunnen meenemen. Ik duik in elkaar wanneer ik een eind verderop opnieuw geweerschoten hoor. Blijkbaar zijn ze nu bij de achterkant van de trein aan het vechten om ook de laatste paar wagons te veroveren. Misschien is dit het beste moment om te vluchten.

Ik draai me om en zie een tiental passen bij mij vandaan een bruine zak liggen. Op de zijkant staat in grote letters het woord VERBANDMATERIAAL gedrukt. Dat is waar ook, de rebellen zouden met hun terreinwagens tot net buiten de poort rijden om vanaf de grond nog meer wagons leeg te plunderen. Waarschijnlijk heeft iemand van ons die zak per ongeluk laten vallen. Ik wil net mijn beide handen rond het dichtgeknoopte uiteinde leggen wanneer ik voetstappen hoor en er een groepje van vier rebellensoldaten komt aanrennen. Eén van hen schreeuwt naar mij dat ik er onmiddellijk vandoor moet gaan. Pas dan zie ik dat ze achternagezeten worden door een peloton gewapende vredebewakers. Zonder er nog verder bij na te denken, zwier ik de zak over mijn schouder en zet ik het op een lopen.

De grenshekken zijn hooguit veertig meter verderop. Gelukkig staat de poort nog steeds open en ik weet dat vlak daarachter de wildernis begint. Toch lijkt mijn sprint over het perron van het Zuidstation een eeuwigheid te duren. De bewakers schieten opnieuw en ik besef dat ik nu letterlijk voor mijn leven ren. Net zoals de tributen die bij de Hoorn des Overvloeds vandaan vluchten omdat ze niet sterk genoeg zijn voor het Bloedbad. En ik weet zeker dat zij dezelfde pure doodsangst gevoeld hebben als ik. Zonder omkijken storm ik door de poort naar buiten, het bos in. Zelfs de takken die tegen mijn benen slaan, kunnen mijn vaart niet afremmen. Ik mag blij zijn dat Andromeda me daarstraks een lange broek heeft gegeven. Met een rok of jurk was ik allang ergens achter blijven haken. Ik baan me een weg tussen de struiken door en voel dat ik nu een helling aan het beklimmen ben, wat betekent dat ik de juiste kant op ga. Wanneer ik snel even achterom kijk, merk ik dat ik alleen ben. De andere rebellen zijn verdwenen. Net als de vredebewakers die ons aanvielen. Toch hou ik pas een eerste keer halt om uit te rusten zodra de lichten van het Zuidstation tussen de bomen door niet meer te zien zijn.

Ik blijf hijgend staan en klem mijn tanden op elkaar nu ik hevige steken in mijn zij voel opkomen. Lang en ver rennen is nooit mijn sterkste punt geweest. Maar toch denk ik dat ik nu diep genoeg in het bos zit om veilig te zijn. Zelfs vanaf deze afstand kan ik nog steeds zwak het fluitsignaal horen dat ons beveelt om terug te trekken. Andromeda en Lyme houden er natuurlijk rekening mee dat het voor de vier wachtposten - en misschien ook andere rebellen - iets langer zal duren om tot bij de poort te geraken. Hopelijk hoeven we niemand achter te laten.

Ik zet de zak met verbandmateriaal neer en duw een vlakke hand in mijn zij om de pijnlijke steken te onderdrukken. Pas dan voel ik het pistool dat nog steeds in de leren houder aan mijn riem zit. Maar ik weet dat ik het nu niet meer nodig heb, en ik betwijfel zelfs of ik er ooit echt mee zou durven schieten. Anders zou die ene vredebewaker nu wel dood zijn. Aarzelend leg ik het wapen in mijn hand. Opeens kan ik alleen maar denken aan iedereen die hier in de toekomst nog mee verwond of gedood zal worden. Het volgende moment gooi ik het pistool in een wijde boog het bos in. Eigenlijk zou ik het straks aan Lyme of Andromeda moeten afgeven, want alle rebellen zijn verplicht om eventueel buitgemaakte wapens bij onze commandanten in te leveren. Maar stiekem vind ik dat er in deze oorlog al genoeg mensen gestorven zijn.

Ik til de zak weer over mijn schouder, draai me om en ga op weg in wat volgens mij de juiste richting is. Tijdens de groepsvergadering werd ons verteld dat de rebellen van district 6 een paar dagen geleden geprobeerd hebben om een eenvoudig pad in de wildernis uit te hakken. Ook al zijn de legerauto's uit 13 echt voor alle terrein geschikt, op sommige plekken stonden de bomen gewoon te dicht bij elkaar om er tussendoor te kunnen rijden. Natuurlijk zijn ze slim genoeg geweest om die vrijgemaakte strook niet vlak buiten de poort te laten beginnen. Zo zouden onze achtervolgers het wel heel gemakkelijk krijgen. In plaats daarvan hebben Andromeda en Lyme ons een reeks herkenningspunten gegeven die ons tot bij het pad moeten brengen.

De beuk waarvan de stam zich in vijf splitst, kan ik gelukkig al snel terugvinden. Vanaf hier is het ongeveer zestig meter rechtdoor en dan naar rechts. Zorgvuldig tel ik mijn passen, al is het in de dichte begroeiing niet zo gemakkelijk om afstanden in te schatten. Na zestig stappen blijf ik verward staan. Voor zo ver ik me herinner, zou er hier een omgevallen boomstronk moeten liggen. Maar die is nergens te zien. Ik kijk nog eens aandachtig om me heen en besef dan dat ik misschien helemaal verkeerd zit. Opnieuw voel ik paniek opkomen, want ik weet hoe belangrijk het is om straks op tijd terug te zijn. Lyme en Andromeda hebben gezegd dat wie per ongeluk achterblijft via de smokkeltunnel terug naar district 6 moet gaan. De mensen van de plaatselijke rebellenafdeling zullen je dan later verder helpen. Maar eigenlijk durf ik het niet goed aan om weer alleen te zijn op een plek die vreemd voor me is. Zeker niet nu ik een vredebewaker in de schouder heb gestoken.

"Verdomme!" vloek ik luid terwijl ik met mijn rechtervoet op de grond stamp en gefrustreerd een tak opzij sla die vlak voor mijn gezicht hangt. Meteen sla ik twee handen voor mijn mond. Hoe dom van mij om zo veel lawaai te maken. Ook al zit ik een heel eind in het bos, je mag nooit zomaar schreeuwen als je op de vlucht bent. Dan beginnen op amper vijf meter bij mij vandaan de struiken heen en weer te bewegen. Mijn hart slaat een paar slagen over. Nu krijgen de vredebewakers me toch nog te pakken en het is mijn eigen schuld. Maar wanneer ik een bekende gestalte zie opduiken, haal ik opgelucht adem. Zij lijkt net zo verbaasd als ik dat we elkaar hier na al die weken weer tegen het lijf lopen. Fulvia heeft haar natuurlijk nooit de waarheid over mijn ontvoering verteld. Al hoef ik niet te vragen waarom zij vannacht hier is. Eigenlijk had ik het al moeten weten toen Lyme zei dat de treinbestuurder aan onze kant stond…

"Zit je in moeilijkheden?" vraagt Amalthea zodra ze van haar verrassing bekomen is.

"Ik ben verdwaald," geef ik eerlijk toe.

"Kom mee," zegt Amalthea terwijl ze mijn rechterhand pakt. "Het pad voor de auto's is hier vlakbij. En laat mij die zak maar even dragen."

Ik volg haar tussen de bomen en na een meter of dertig komen we inderdaad bij een plek waar ik in het zand verschillende bandensporen kan zien. Blijkbaar zat ik er dan toch niet zo ver naast als ik vreesde.

"Hoe wist je eigenlijk dat ik het was?" vraag ik terwijl we samen weer heuvelopwaarts beginnen te lopen. Amalthea draagt geen nachtkijkbril en in het bos is het ondanks het maanlicht toch behoorlijk donker.

"Ik had je stem herkend," antwoordt ze. "Maar spaar nu je adem, want we moeten nog helemaal terug naar ons basiskamp."

Een paar minuten lang blijven we de weg naar boven volgen. Het verbaast me dat iemand hier met een terreinwagen over kan rijden, want dit pad is niet meer dan een strook van hooguit drie meter breed waar alleen de hoogste planten zijn weggehakt. Op sommige sporen blijven mijn schoenen zelfs bijna steken in de modder. Dan hoor ik achter ons motorgeronk. Ik kijk om en zie twee koplampen naderen. Amalthea trekt me opzij en we blijven staan om de wagen te laten passeren. Maar net wanneer we midden in het felle lichtschijnsel zitten, remt de chauffeur plotseling af. Het volgende moment stappen twee van onze soldaten haastig uit.

"Jij bent toch één van die rebellenverplegers?" vraagt één van hen met een accent dat volgens mij bij district 7 hoort.

"Ja," antwoord ik. Meteen neem ik de zak met verbandmateriaal weer over van Amalthea. Ik kan nu al raden waarom ze mij nodig hebben.

De soldaten brengen me tot bij de achterkant van de terreinwagen en maken de deur van de laadruimte open. Ik zet snel mijn bril af, want de felgele lampjes aan het binnenplafond zorgen ervoor dat ik met dat ding nu juist minder goed zie. Op de metalen vloer van de auto liggen een paar zakken die ongetwijfeld ook uit de trein komen. Daarnaast zitten twee rebellen waarvan één duidelijk zwaargewond is. Hij hurkt in elkaar gedoken tegen het ijzeren traliewerk tussen de vrachtruimte en de stuurcabine terwijl de andere beide handen stevig rond zijn rechterarm geklemd houdt. De kleren van de gekwetste man zitten vol rode vlekken en ik weet nu al dat hij inderdaad dringend hulp nodig heeft.

"We proberen de wonde dicht te drukken, maar het lukt niet zo goed," hoor ik de soldaat die naast mij staat zeggen.

"Laat zien," vraag ik.

Wanneer de tweede rebel zijn handen voorzichtig weghaalt, heb ik aan één blik genoeg om de ernst van de situatie te begrijpen. De wonde zit een paar centimeter onder de elleboog en helderrood bloed stroomt in golven naar buiten. Dat kan alleen maar betekenen dat er een slagader geraakt is. Tijdens onze opleiding hebben we geleerd dat we zoiets altijd als een noodgeval moeten beschouwen. Ik dacht dat Katniss hevig bloedde toen Johanna die volgchip uit haar arm had gehaald, maar dit is nog een stuk erger. Als ik hier niet snel iets aan doe, dan sterft mijn patiënt misschien voordat we het basiskamp bereiken.

"Leg hem plat op zijn rug en blijf op de wonde duwen," beveel ik terwijl ik met een ruk het koord rond de zak verbandmateriaal lostrek. Dan knip ik de lamp aan die ik van de vredebewaker in 6 heb afgepakt. Gelukkig zat die nog steeds stevig tussen mijn broeksriem geklemd. Er is geen tijd om de inhoud van de zak helemaal te doorzoeken, dus neem ik gewoon het steriel verpakte snelverband en de twee opgerolde zwachtels die bovenaan liggen. Hopelijk zal dat volstaan.

"Zit er een kogel of iets anders in zijn arm?" vraag ik.

"Nee, ze hebben een rafelmes gebruikt."

Daarmee weet ik eigenlijk al genoeg. Tijdens de Hongerspelen leggen de Spelmakers soms rafelmessen in de Hoorn des Overvloeds. Het is geen moeilijk wapen om te hanteren en je kan er de vreselijkste snijwonden mee veroorzaken. Heel waarschijnlijk zijn er bij de man die ik nu moet verzorgen meerdere bloedvaten beschadigd. In dat geval heeft het weinig zin om één ader of slagader in de bovenarm dicht te duwen. Volgens Lucas is die techniek trouwens wat te moeilijk voor beginners en kan je met rechtstreekse druk op de wonde minstens evenveel bereiken. Hoe dan ook zou het me toch niet lukken om straks het juiste drukpunt vast te houden. Ik heb amper een paar weken ervaring, we moeten over oneffen terrein rijden en misschien zullen mijn handen straks gewoon te glibberig zijn van het bloed.

Ik steek de twee zwachtels in mijn broekzakken en zie dat de anderen de gewonde man op zijn rug gelegd hebben, met zijn benen opgetrokken om in de vrachtruimte te passen. Amalthea tilt net de laatste zak uit de wagen en gooit hem over haar schouder.

"Geef je bril en zaklamp aan ons," stelt ze heel snel voor."Dan gaan wij zelf naar het kamp en heb jij meer plaats in de auto."

"Te voet kunnen we een kortere weg dwars door het bos nemen," vult één van de soldaten aan. "Wij zullen dus eerder terug zijn."

"Zorg ervoor dat er straks meteen een dokter klaarstaat," vraag ik met aandrang terwijl ik de lamp en de bril in Amalthea's handen leg. "Er is haast bij."

Zonder nog op een antwoord te wachten, draai ik me om en stap ik voorovergebogen in de laadruimte. Ik gebaar naar de vierde rebel dat hij opzij moet gaan en kniel neer naast de gewonde man. Die is intussen al buiten bewustzijn. Pas dan zie ik dat het Darvo is. Maar ik mag me nu niet laten afleiden door het feit dat ik mijn patiënt persoonlijk ken. Ik moet die bloeding zo snel mogelijk onder controle krijgen als ik hem in leven wil houden.

"Wacht nog even met vertrekken tot het verband vastzit," zeg ik tegen de chauffeur wanneer de vierde soldaat uitstapt en achter mijn rug de deur van de laadruimte sluit. Ik til Darvo's rechterarm omhoog en laat hem tegen mijn borstkas steunen terwijl ik met een snelle beweging de verpakking van het steriele verband openscheur. Dan neem ik beide opgerolde uiteinden vast en trek ik mijn handen van elkaar weg zodat het dikke kompres in het midden van het verband vanzelf openvouwt. Ik leg het kompres voorzichtig op de wonde en wikkel de twee uiteinden rondom Darvo's arm op de manier die Morgan ons heeft getoond. Daarna zet ik het verband vast, zo strak als ik durf. Te stevig aanspannen zou de bloedtoevoer naar de hand te veel afsnijden en dat kan blijvende schade veroorzaken. Daarom hebben we tijdens onze opleiding niet geoefend op het aanleggen van een echt knevelverband. Die methode is vrij riskant - we weten allemaal dat Peeta er in de vierenzeventigste arena zijn been mee is verloren - en mag dus alleen door een deskundige toegepast worden. Als rebellenverpleegster moet ik de bloeding gewoon zo goed mogelijk stelpen totdat we Darvo bij een volleerde dokter hebben gebracht. Ik leg zijn rechterarm opnieuw verticaal tegen mijn borst en gebruik mijn vlakke handpalmen om stevig te duwen op de plaats waar het kompres zit. Lucas heeft meer dan eens herhaald hoe belangrijk het is dat je een hevig bloedende wonde blijft dichtdrukken.

"Rijden," zeg ik tegen de man die achter het stuur van de terreinwagen zit, zonder mijn blik van Darvo af te wenden.

De motor slaat aan en we hobbelen over de oneffen bosweg. Die is hier zo smal dat ik voortdurend takken langs de ramen hoor schrapen. De auto slingert nog erger heen en weer dan ik vreesde en het kost mij heel wat moeite om Darvo's bloedende arm omhoog te blijven houden, zoals Lucas en Morgan ons geleerd hebben. Gelukkig hebben ze ook uitgelegd hoe we onze handen het best plaatsen om een wonde efficiënt dicht te duwen zonder de zaak nog te verergeren. Wanneer de terreinwagen door een diepe kuil ploegt, verlies ik zelfs bijna mijn greep. Toch vraag ik de chauffeur niet om te vertragen. Elke minuut telt als we op tijd het basiskamp willen halen.

Tijdens de rit controleer ik snel of Darvo nog andere verwondingen heeft - wat gelukkig niet het geval is - en probeer ik in te schatten hoeveel bloed hij al heeft verloren. Aan de rode vlekken op zijn kleren en de vloer van de laadruimte te zien is dat een heleboel. Geen wonder dat hij met gesloten ogen blijft liggen en niet eens reageert wanneer ik een paar keer hardop zijn naam zeg. In gedachten wens ik vurig dat de rebellen bij de overval ook kunstbloed hebben gestolen, want zonder transfusie zal hij dit waarschijnlijk niet overleven.

Na een paar minuten voel ik mijn handpalmen nat worden. Eén verband is te weinig, daar was ik al bang voor. Ik zeg tegen de chauffeur dat hij even moet stoppen en haal de zwachtels tevoorschijn die ik in mijn broekzak had gestoken. Hopelijk zal het daarmee beter gaan. Ik leg één van de zwachtels opgerold op de plek waar de wonde zit en wikkel de andere stevig rondom Darvo's arm, zonder het eerste verband - dat nu doorweekt is - weg te halen. Morgan en Lucas hebben ons uitdrukkelijk gezegd dat we dat zelf nooit mogen doen. De kans is veel te groot dat je de bloeding weer helemaal op gang zou brengen. Enkel een echte dokter mag het verband verwijderen.

Zodra de nieuwe zwachtel vastzit, probeer ik Darvo's polsslag te vinden. Die is nog steeds voelbaar, een teken dat hij nog leeft. De vraag is alleen of dat nog lang zal duren. Zelfs in het gelige licht van de lampjes aan het plafond van de laadruimte kan ik zien hoe bleek zijn huid is. Dan til ik zijn arm weer omhoog en zet ik mijn handen opnieuw in de juiste positie.

"Doorrijden," vraag ik met de nodige aandrang in mijn stem. "En nu moeten we ons echt wel haasten."

De auto hobbelt verder over de bosweg. Zonder nachtkijkbril kan ik de omgeving moeilijk herkennen, maar volgens mij zouden we nu toch bijna terug in het kamp moeten zijn. De weg loopt al bergaf. In stilte verwijt ik mezelf dat ik Amalthea niet gevraagd heb om op zijn minst de zak met verbandmateriaal in de auto te laten liggen. Waarschijnlijk dachten zij en de anderen dat ik onmiddellijk al het nodige had verzameld. Hopelijk komen we niet te laat en hebben ze al een dokter verwittigd, want ik begin eraan te twijfelen of ik wel goed bezig ben. Onze opleiding tot rebellenverpleger was zo kort. Toen Doran mij ontvoerde en we naar district 10 vluchtten, had ik zelfs nog nooit een cursus EHBO gevolgd. Nu ligt Darvo's leven in mijn handen. Ik zit net te overwegen wat ik nog meer kan doen om hem te helpen wanneer ik recht voor ons uit een fel lichtschijnsel tussen de bomen zie. In gedachten haal ik opgelucht adem. Dit kan alleen maar ons basiskamp zijn.

De auto stopt midden op de open plek waar we enkele uren geleden nog vergaderd hebben. Ik kijk door het raam naar de chaotische drukte in ons kamp. Overal lopen groepjes rebellensodaten rond die elkaar haastig bevelen geven terwijl ze zakken en kisten met medicijnen verslepen. Een meter of veertig verderop staan een paar goederencontainers op elkaar gestapeld. Heel even vraag ik me af hoe dat kan met die ijzeren ringen aan de bovenkant, maar dan herinner ik me dat de bodem altijd een uitsparing heeft. Aan de andere kant van de open plek is net een hovercraft geland die nog een container komt brengen. Meteen beginnen een aantal soldaten met het overladen van de inhoud. De trein telde meer wagons dan wij hovercrafts hebben, dus dit is de enige manier om alles mee te kunnen nemen.

Het duurt een paar tellen voordat ik de eerstehulppost zie die de rebellendokters daarstraks na ons vertrek hebben opgezet. Ik vraag aan de chauffeur om zo snel mogelijk een dokter te halen. Zelf blijf ik naast Darvo zitten met mijn beide handen rond zijn arm geklemd. Blijkbaar is Amalthea al terug en heeft ze woord gehouden, want nog geen halve minuut later staat er een vrouw in een witte jas met het logo van district 13 bij onze auto. Voorzichtig leggen we Darvo op de draagberrie die twee soldaten net voor ons hebben klaargelegd.

"Breng hem naar de operatiekamer van hovercraft F104," zegt de dokter tegen hen. "En jij, ga in hovercraft C207 een zak kunstbloed halen en kom er onmiddellijk mee naar de operatiezaal," beveelt ze terwijl ze mij recht aankijkt. "Hij heeft dringend een transfusie nodig."

"Bedankt voor de rit," roep ik nog naar onze chauffeur voordat ik wegren om te doen wat mij gevraagd is. Want ook ik weet dat we nu echt geen tijd meer mogen verliezen.

Gelukkig heb ik het toestel met staartnummer C207 al snel gevonden. Ik sprint door de deuren van de vrachtruimte naar binnen en zie bij de linkerwand een reeks kisten die speciaal gemaakt zijn om bloedzakken te vervoeren. Ze bewaren het bloed onder perfecte omstandigheden, zodat je het in een noodgeval onmiddellijk aan de patiënt kan geven. In de school van district 10 hadden we maar één kist voor alle patiënten. En die was na een paar dagen al leeg. Maar hier staan er een heleboel. Aan het Capitoolembleem op de deksels te zien komen deze inderdaad uit de trein.

Ik kniel neer bij de eerste kist neem een zak bloed die een standaarddosis voor volwassenen bevat. Verder hoef ik niets te controleren, want dit universele kunstbloed is geschikt voor alle mensen. Tijdens de biologielessen van vorig schooljaar heeft onze leraar in het kort verteld wat er vroeger zoal bij een transfusie kwam kijken - bloedgroep, rhesusfactor, kruisproef - maar dankzij de medische vooruitgang is het nu allemaal een stuk eenvoudiger geworden.

Ik klap het deksel van de kist weer dicht en haast me in looppas naar hovercraft F104. Dat is het toestel waarmee we vanuit district 10 naar hier gekomen zijn. Wanneer ik de badkamer passeer, glip ik heel even naar binnen om mijn handen vijf seconden onder de kraan te houden. Ze zijn helemaal glibberig van Darvo's bloed en zo kan ik geen naald in zijn arm steken. Zelfs de mouwen van mijn jas zijn doorweekt. Maar dit is echt niet het moment om propere kleren aan te trekken. Dat zal ik straks wel doen.

De dokter kijkt niet eens op van haar werk wanneer ik de operatiezaal binnenkom. Ze heeft Darvo's gezonde arm uitgestrekt voor mij klaargelegd, zodat ik direct aan de slag kan. Gelukkig zit alles wat ik nodig heb samen met de bloedzak verpakt in een plastieken omhulsel. De speciale band om rond de arm te spannen, is voor mij wel een beetje wennen. In district 10 gebruikten we altijd een brede elastiek. Maar even later begint het kunstbloed toch in Darvo's ader te stromen. Ik controleer nog eens of de zak stevig genoeg vast hangt aan het haakje van de infuusstandaard naast de operatietafel en ga dan weg zonder de dokter te storen.

Voorlopig heb ik geen nieuwe opdracht gekregen, dus besluit ik om te gaan kijken of ik nog andere patiënten kan helpen. In de badkamer was ik mijn handen opnieuw, deze keer wat grondiger. Even later loop ik via de laaddeuren van de hovercraft weer naar buiten. Bij de eerstehulppost is het gelukkig al iets minder druk dan daarnet. Alle zwaargewonden worden nu geopereerd of zitten in een aparte kamer waar onze dokters hen in alle rust kunnen verzorgen. De andere rebellen zijn nog steeds bezig met het overladen van gestolen medicijnen. Maar ook dat werk is zo te zien al goed opgeschoten. Des te beter. Hoe langer we op deze open plek blijven, hoe groter de kans dat we alsnog het regeringsleger achter ons aan krijgen. Samen met Doran - die ongedeerd lijkt te zijn - help ik mee met het verbinden van een paar oppervlakkige snij- en steekwonden. Na een paar minuten komt Andromeda in onze richting gelopen. Rond haar linkerbovenbeen zit een stevig verband gewikkeld. Als commandant van het soldatenteam is ze zelf natuurlijk ook gewond geraakt. Maar aan de manier waarop ze stapt, kan ik nu al zien dat ze er weinig of geen last van heeft.

"Tijd om te vertrekken," zegt ze tegen ons terwijl twee rebellen al het verzorgingsmateriaal beginnen in te pakken. "Het wordt hier te gevaarlijk. Mijn verkenners denken dat de eerste vredebewakers al ergens in het bos zitten."

"Is iedereen terug?" vraagt Doran.

"Volgens mij zijn we zo goed als compleet," antwoordt Andromeda. "En wie toch achterblijft, weet dat hij langs de tunnel naar district 6 moet. Hoe dan ook kunnen we echt niet langer meer wachten."

Ik weet dat ze gelijk heeft, dus werk ik zonder treuzelen het verband af waar ik mee bezig ben. Intussen doen de anderen hun best om zo snel mogelijk alles op te ruimen. Nadat ik de zwachtel rondom de voet van mijn patiënt nog een laatste keer heb gecontroleerd, kom ik overeind uit mijn gehurkte houding. Ik wil net in de richting van onze hovercraft lopen wanneer Doran me tegenhoudt.

"Aludra, je bent zelf ook gewond," hoor ik hem achter mijn rug zeggen. Pas dan herinner ik me mijn kapotte broekzak en de snee in mijn linkerbil. Toen ik Darvo moest verzorgen, heb ik daar helemaal niet meer aan gedacht. En eigenlijk voel ik er ook weinig van.

"Dat stelt niets voor," wimpel ik snel af. "Het is allang gestopt met bloeden."

"Ik zou er toch even naar willen kijken," dringt Doran aan. "Alleen maar om het schoon te maken."

"Doe dat straks," onderbreek Andromeda hem abrupt, "Want we moeten onmiddellijk-"

De rest van haar zin gaat verloren in het geraas van twee hovercrafts die tegelijkertijd opstijgen. Ze blijven samen stil hangen boven de opeengestapelde containers en na een seconde of tien tillen ze elk één exemplaar de lucht in. Andromeda trekt aan mijn mouw om duidelijk te maken dat we haast hebben, dus blijf ik niet langer treuzelen. Met zijn drieën klimmen we aan boord van het toestel dat ons in district 10 is komen ophalen. Achter mijn rug sluit de bemanning meteen de deuren. Ik voel hoe we langzaam omhoog gaan en eventjes ter plekke blijven zweven, want ook deze hovercraft moet natuurlijk een wagon met medicijnen meenemen. Dan beginnen de motoren op volle kracht te draaien en vliegen we weg van de open plek in het bos bij district 6. Andromeda verdwijnt in de cockpit om de coördinaten van onze bestemming - een plek diep in de wildernis van Panem - aan de piloten door te geven. Pas nu kan ik eindelijk geloven dat we echt ontsnapt zijn.

"Zullen de vredebewakers ons volgen, denk je?" vraag ik aan Doran, die nog steeds naast mij staat.

"Dat kunnen ze niet als de rebellen van 6 hun hovercrafts hebben gesaboteerd. En volgens Lyme zou dat inderdaad gelukt zijn, want ze heeft het gevraagd aan de man bij wie de tunnel uitkomt in de kelder. Dus volgens mij hoeven we ons weinig zorgen te maken," stelt hij me gerust. "Maar nu wil ik toch even die wonde bekijken."

Doran neemt me mee naar de badkamer. Hier is plaats genoeg en komt niemand ons storen. Er hangt zelfs een medicijnenkastje boven de spiegel. Daarin zullen we zeker vinden wat we nodig hebben.

"Je moet wel je broek en ondergoed uittrekken," zegt Doran terwijl hij tussen de flesjes in het kastje begint te rommelen. "Of wil je liever dat ik een vrouwelijke verpleegster ga halen?"

"Verzorg jij het maar," antwoord ik vlug. Dit is gewoon een medische behandeling. En ook al is Doran een man, ik weet intussen dat hij wel de allerlaatste is voor wie ik me hoef te schamen.

Even later lig ik halfnaakt op de vloer van de badkamer. Ik draai me op mijn buik zodat Doran de wonde in mijn linkerbil kan onderzoeken. Gelukkig is het niet meer dan een oppervlakkige snee, dus schoonmaken en een eenvoudig kleefverband zijn ruim voldoende. Ik klem mijn tanden op elkaar wanneer Doran de snee ontsmet en ik de desinfecterende vloeistof in mijn vlees voel prikken. Maar een ontsteking op die plaats zou me ongetwijfeld nog een stuk meer last bezorgen. Daarna plakt Doran de wonde af met een speciale pleister die vanzelf loslaat zodra de huid volledig genezen is.

"Zo, dat is in orde," zegt hij nadat hij de vier hoeken van het kleefverband nog eens extra heeft aangedrukt. "Je kan je weer aankleden."

Doran gaat de toiletruimte binnen en ik maak van de gelegenheid gebruik om mijn bruine rok en T-shirt uit district 10 weer aan te trekken. Daar ben ik net mee klaar wanneer ik de WC hoor doorspoelen. Voorlopig hebben we niets meer te doen, maar aan Dorans gezicht kan ik zien dat hij nog even met mij wil praten.

"Wat is er eigenlijk gebeurd?" vraagt hij nadat we allebei in kleermakerszit tegen de muur zijn gaan zitten. "En waar is je mes gebleven?"

"Ik heb met een vredebewaker gevochten," geef ik eerlijk toe. Het heeft weinig zin om dat geheim te willen houden, en er is geen enkele reden waarom Doran het niet zou mogen weten. Dus vertel ik hem gewoon het hele verhaal. Tijdens het praten lijkt het wel alsof ik alles weer opnieuw beleef. De regeringssoldaat die vlak bij mijn wachtplek een dakloze vrouw bedreigde, de woede die ik voelde toen ik zonder nadenken aanviel en mijn vijand uiteindelijk in de valstrik deed lopen die ik vooraf had klaargezet. Zelfs over het gesprek tussen mij en de bewaker zwijg ik niet. Daarna leg ik uit hoe ik na het fluitsignaal te voet door de poort gevlucht ben, in het bos Amalthea ontmoette en tegengehouden werd door de rebellen die een hevig bloedende Darvo bij zich hadden. Ik eindig met het moment waarop hij naar de operatiezaal gedragen werd en de dokter mij vroeg om een zak kunstbloed te halen.

"Volgens mij is ze nog altijd bezig met opereren," zeg ik. "Ik hoop maar dat het in orde komt."

Terwijl ik die laatste zin zeg, denk ik terug aan de gapende wonde in Darvo's rechterarm. Zouden de artsen van district 13 die nog kunnen genezen? Of moeten we morgen tegen Darvo zeggen dat hij misschien voor de rest van zijn leven invalide zal zijn?

"Jij hebt alles gedaan wat je kon doen," onderbreekt Doran mijn gedachten. "Maar heb ik goed begrepen dat je zelf naar de kazerne van district 6 telefoneerde om hulp te sturen?"

"Ja," stamel ik aarzelend. "Was dat verkeerd van mij? Dennis heeft eens gezegd dat je nooit zo slecht mag worden als je eigen vijanden," voeg ik er een beetje verdedigend aan toe.

"De meeste andere rebellen zouden gewoon weggelopen zijn of hem doodgeschoten hebben. Maar eigenlijk ben ik blij dat jij zo niet in elkaar zit," antwoordt Doran. "Na de oorlog gaan we jouw manier van denken nog nodig hebben. De Hongerspelen zijn er vroeger ook gekomen omdat mensen elkaar bleven haten."

Het duurt even voordat ik echt volledig begrijp wat Doran daarmee bedoelt. Maar dan herinner ik me weer hoe ik tot vorige zomer over de Spelen dacht. Voor mij hadden de districten het zelf gezocht door de opstand van de Donkere Dagen te beginnen. Pas na Kivo's dood ben de fouten in mijn redenering gaan zien.

"En toch was ik echt kwaad toen ik die vredebewaker neerstak," zeg ik na een paar seconden stilte. "Misschien vergis ik me, maar ik dacht eigenlijk dat hij haar wou verkrachten."

"Dat valt natuurlijk nooit helemaal te bewijzen. Al zou het best wel kunnen zoals jij het daarnet hebt uitgelegd. Bij de andere daklozen in het Capitool gingen er af en toe geruchten rond, maar vraag me niet of die ook echt waar zijn. Er wordt zoveel verteld."

Die opmerking doet me wel een paar seconden zwijgen. Ik kan me niet herinneren dat ik hier in de Garage iets over gehoord heb, en wilde verhalen zijn hoe dan ook onbetrouwbaar. Maar ik weet goed genoeg wat ik daarstraks met mijn eigen ogen heb gezien. Net zoals ik het incident in de Transfer nooit uit mijn geheugen zal kunnen wissen.

"Hebben ze met Rana ook zoiets gedaan?" De vraag is eruit voordat ik het zelf besef. Meteen krijg ik spijt van mijn reactie, want ergens ben ik wel bang voor het antwoord. Stel je voor dat mijn vermoeden klopt.

"Dat weet ik niet," zegt Doran eerlijk. "Ze heeft nooit met ons over haar verleden willen praten. Zelfs niet met Dennis en Alcyone. En we kunnen haar ook niet dwingen om het te vertellen."

Mijn gedachten dwalen af naar de laatste keer dat ik in de Garage geweest ben, op de dag van het Bloedbad. Nu herinner ik me weer hoe Alcyone zei dat Rana een leeg blad had teruggegeven. Als avox kan ze alleen over haar problemen praten door ze op te schrijven. Maar zelfs dat lukte toen blijkbaar niet. Heel waarschijnlijk zullen we nooit te weten komen wat er precies met haar gebeurd is. En misschien is het beter zo.

Net op dat moment wordt er op de deur van de badkamer geklopt. Doran duwt de klink naar beneden en laat de dokter uit district 13 binnen die Darvo moest opereren. Ik kijk naar de klok aan de muur en zie nu pas dat we hier al bijna een uur zitten. Mijn verhaal over het gevecht met de vredebewaker in 6 en de terugrit naar het basiskamp heeft langer geduurd dan ik dacht.

"Ik ben net klaar met Darvo's operatie," zegt de dokter. "Het is mij gelukt om het bloeden te stoppen en de wonde weer dicht te naaien, al zal er later nog een tweede ingreep nodig zijn om er voor te zorgen dat hij zijn arm weer kan gebruiken. Maar hij is nu in ieder geval buiten levensgevaar."

Onmiddellijk heb ik het gevoel dat er een zware last van mijn schouders valt. Ook al hebben Darvo en ik elkaar pas voor het eerst ontmoet toen ik in het schoolgebouw ging werken, geen enkele verpleegster hoort graag dat één van haar patiënten gestorven is. Zeker niet als het iemand is die je persoonlijk kent. Dat is een deel van ons werk waar ik zelf eigenlijk nog altijd wat moeite mee heb.

"Hij ligt in de ziekenboeg te slapen totdat de verdoving uitgewerkt is," gaat de dokter verder. "Ik moet nu meehelpen met een andere operatie, dus ik zou graag willen dat één van jullie over een kwartiertje bij Darvo langsgaat voor een controle."

"Dat zal ik wel doen," bied ik aan. "Daarstraks heb ik hem ook verzorgd."

"Meet zijn bloeddruk en geef hem de aangeduide dosis van dit medicijn," legt de dokter uit terwijl ze mij een papier aangeeft. "Dat staat al klaar naast zijn bed. Als hij afwijkende bloeddrukwaarden heeft of je ziet nog iets dat volgens jou niet in orde is, kom het mij dan zo snel mogelijk zeggen. Anders mag je daarna meteen gaan slapen."

Ik lees snel even de instructies door om er zeker van te zijn dat ik alles juist begrijp. De naam van het medicijn herken ik, hoewel het in de rebellenziekenhuizen van district 10 nooit in voorraad is geweest. Maar Lucas en Morgan hebben ons geleerd dat dit een sterk infectiewerend middel is. Darvo zal het nu inderdaad nodig hebben, want de andere soldaten en ikzelf konden zijn wonde natuurlijk niet in steriele omstandigheden verzorgen. Eigenlijk is het al een mirakel dat we hem in die heen en weer slingerende terreinwagen levend tot hier hebben gekregen. Daaronder staat genoteerd tussen welke minimale en maximale waarden Darvo's bloeddruk nu - kort na de operatie en transfusie - normaal gezien moet liggen. Als ik cijfers meet die hoger of lager zijn, dan klopt er iets niet en is het mijn taak om de dokter te verwittigen.

"Kan je alles goed lezen?"

"Ja hoor," zeg ik terwijl ik het papier opgevouwen in de achterzak van mijn rok steek.

"Dan weet ik dat ik op je kan rekenen," antwoordt de dokter terwijl ze de deur van de badkamer openduwt. Maar net wanneer ze de gang in wil stappen, draait ze zich nog even om.

"Deze keer moet je de spuit gewoon weggooien. Ik weet dat jullie het tijdens de rebellenopleiding anders geleerd hebben, maar Lyme heeft al bevestigd dat één van die treinwagons bomvol kisten met injectienaalden zit. En eigenlijk mag je een spuit nooit meer dan één keer gebruiken."

"Ik zal eraan denken," beloof ik.

"O ja, nog iets," voegt de dokter er aan toe. "Daarstraks heb ik gezien dat jij ook gewond was. Is dat al verzorgd?"

"Ik heb het grondig ontsmet en er een zelfloslatend kleefverband overheen geplakt," legt Doran uit. "Het was geen diepe snee, waarschijnlijk gewoon van een stuk glas of iets anders scherps dat in district 6 op de grond lag."

"In dat geval moeten we opletten dat je geen tetanus krijgt," antwoordt de dokter. "Die bacterie zit vaak in straatvuil en zo'n infectie is gevaarlijk."

"Ik ben vorig jaar nog gevaccineerd," zeg ik snel.

"Dan kan je nu niet meer ziek worden. Ik was even vergeten dat je uit het Capitool komt. Maar nu moet ik echt gaan, want de assistenten zullen mijn patiënt al wel verdoofd hebben."

De dokter verdwijnt en Doran - die voorlopig geen nieuwe opdracht heeft - laat weten dat hij eigenlijk erg moe is en graag wil gaan slapen. Zodra ik alleen in de badkamer ben, besluit ik om toch nog eens een laatste keer mijn handen te wassen voordat ik bij Darvo langsga. Pas dan zie ik de korsten geronnen bloed die nog steeds onder mijn nagels zitten. Gelukkig vind ik in één van de kastjes al snel een speciaal borsteltje waarmee ik mijn vingertoppen grondig schoon kan schrobben. Morgan en Lucas hebben vaak genoeg benadrukt dat we altijd ons best moeten doen om zo hygiënisch mogelijk te werken, hoewel dat in een primitief rebellenziekenhuis als het onze vaak allesbehalve eenvoudig was. En om één of andere reden vind ik het ook gewoon een akelig idee om nog langer met vuile nagels rond te blijven lopen. Natuurlijk kan ik tegen bloed, want anders zou ik nooit aan die cursus verpleging begonnen zijn. Op tv heb ik vroeger vaak genoeg expliciete beelden uit de arena gezien zonder daar 's avonds nog van wakker te liggen. Maar sinds ik tegen de Hongerspelen ben, lijkt het toch alsof er bij mij iets veranderd is.

Ik houd mijn schone handen onder de heteluchtblazer totdat ze helemaal droog zijn. Dan ga ik naar het kleine keukentje dat pal naast de badkamer ligt om wat water voor mezelf uit te schenken. Het is al van voor de overval geleden dat ik nog iets gedronken heb en nu begin ik mijn droge mond toch echt te voelen. Even later zet ik mijn lege glas weg en besluit ik om meteen bij Darvo te gaan kijken. Dat kwartier zal intussen wel om zijn. Ik loop de gang in en volg de rode pijlen aan de muur die aangeven waar de ziekenboeg van deze hovercraft is. Darvo heeft als zwaargewonde waarschijnlijk een aparte kamer gekregen. Eén voor één bekijk ik alle deuren totdat ik inderdaad een handgeschreven papiertje met zijn naam zie. Hier moet ik zijn.

Darvo blijft roerloos liggen wanneer ik de kamer binnen kom, maar ik weet dat de verdoving natuurlijk nog lang niet uitgewerkt is. Zijn rechterarm zit vanaf de pols tot een eind voorbij de elleboog ingepakt in een dik, wit verband. Het flesje met infectiewerend medicijn en de bijbehorende injectiespuit staan al klaar op het tafeltje naast zijn bed. Nadat ik de voorgeschreven dosis heb gegeven, gooi ik de spuit in het stevig afgesloten vuilbakje dat bedoeld is voor medisch afval. Dit is de eerste keer dat ik het hygiënische protocol echt correct kan volgen. En dat is volledig te danken aan onze geslaagde treinroof. Doran en ik hebben de juiste beslissing genomen toen we Fulvia beloofden om mee te doen.

Daarna controleer ik Darvo's bloeddruk. Ik heb nog nooit eerder een digitaal toestel gebruikt, want in het ziekenhuis van district 10 hadden we alleen zo'n ouderwetse meter die met de hand wordt opgepompt. Maar gelukkig werkt dit exemplaar bijna volledig automatisch en staan zowel de onderdruk als de bovendruk duidelijk aangegeven. Zorgvuldig lees ik de getallen op het schermpje. Ze liggen netjes tussen de minimale en maximale waarden die de dokter voor mij heeft genoteerd. Dat is dus in orde. Nu moet ik alleen nog een algemene controle doen. Ik zet een stap achteruit en neem enkele ogenblikken de tijd om naar Darvo te kijken. Maar er is niets verontrustend te zien. Heel even vraag ik me af waarom zijn infuus nog bijna vol is, om dan te beseffen dat de dokter natuurlijk zelf al een nieuwe bloedzak heeft opgehangen toen ze net klaar was met opereren. Daar hoef ik me dus geen zorgen over te maken. Wat betekent dat ik eindelijk kan gaan slapen. Pas nu voel ik hoe moe ik ben. De trein met medicijnen is ergens rond middernacht het Zuidstation binnengereden en we zijn nu alweer twee uur verder.

Ik slof naar de werktafel die tegen de muur staat en begin in één van de laden te zoeken totdat ik een balpen en een rol kleefpleister heb gevonden. Snel schrijf ik in grote letters het woord 'OK' en mijn eigen naam onder de instructies die de dokter mij heeft gegeven. Dan hang ik het papier vast aan de buitenkant van de kamerdeur. Zo kan ze straks - als ze terugkomt van die tweede operatie - zelf zien dat bij mijn controle alles in orde was. Mijn werk zit erop. En daar ben ik eigenlijk wel blij om. Ook al hebben we tijdens de heenreis voldoende kunnen rusten, het kost me nu echt moeite om mijn ogen open te houden.

Ik sluit zachtjes de deur van Darvo's kamer en keer dan terug naar de gewone passagiersruimte van de hovercraft. Doran ligt al in zijn stoel te slapen. Hoog tijd om hetzelfde te doen. Ik draai mijn rugleuning naar achteren en trek een dun deken over me heen. Maar al na een paar minuten besef ik dat er van slapen waarschijnlijk niet veel zal komen. Daarvoor is er vandaag gewoon veel te veel gebeurd. President Snow die live op tv een luchtaanval op district 13 aankondigt, een vredebewaker die een vrouw wil aanranden gewoon omdat ze dakloos is, het slagveld bij het Zuidstation, de sprint naar de poort terwijl we door een groep schietende regeringssoldaten achternagezeten werden. En dan natuurlijk ook nog Darvo die bijna is doodgebloed. Het maakt weinig uit of ik mijn ogen sluit of naar het dak van de passagiersruimte blijf staren. Ik zie de beelden steeds opnieuw voor me, en ik weet nu al dat ik ze nooit zal kunnen vergeten. Net zoals de winnaars die altijd aan hun Spelen herinnerd worden, besef ik ineens. Sommige districtsinwoners beweren dat je als winnaar eigenlijk niet veel beter af bent dan de dode tributen. Pas nu begin ik voor de eerste keer echt te begrijpen wat ze daarmee bedoelen.

Wanneer ik na meer dan veertig minuten nog steeds klaarwakker ben, geef ik het op. Ik schuif mijn deken weg en sluip op blote voeten door de verlaten gangen van de hovercraft. Op het voortdurende geronk van de motoren na is alles stil. Waarschijnlijk ligt bijna iedereen nu in bed. Ik kijk nog eens naar het grondplan dat aan de muur hangt en prent zorgvuldig de juiste weg in mijn hoofd. Twee keer naar links, één keer rechtsaf en dan via een luik naar de lagergelegen verdieping.

Gelukkig is er niemand te zien wanneer ik de deur naar de grote laadruimte openduw. Ik wandel langs de zakken en kisten die tegen de wand opgestapeld zijn en lees aandachtig alle opschriften. Verbandrollen, steriel gaas, koortsremmers, injectienaalden, morfling, en nog een hele reeks andere medicijnen waarvan we tijdens de opleiding geleerd hebben dat ze vaak gebruikt worden. Ook al had het ziekenhuis van district 10 ze lang niet altijd in voorraad. Onze treinoverval was een succes. Zeker als je bedenkt dat dit maar een klein deel van de buit is.

Na een paar minuten zoeken vind ik uiteindelijk een pakket met slaappillen. Ik heb zelf nog nooit eerder dit soort medicatie genomen, maar anders zullen mijn gedachten me de hele nacht wakker houden. Ik weet nu al wat mijn vader zal zeggen als hij hoort dat ik een vredebewaker heb neergestoken. Zelfs al zou ik na de oorlog weer naar huis kunnen, komt het dan ooit nog echt goed tussen hem en mij? vraag ik me af terwijl ik tranen achter mijn oogleden voel prikken. Ik weet het niet. Het enige wat ik nu wel weet, is dat ik het onmogelijk aankan om daar nu urenlang over te piekeren.

Met een zucht maak ik één van de kartonnen doosjes in het pakket open en laat ik twee tabletten in mijn hand vallen. Heel even aarzel ik, want ik heb hiervoor geen toestemming gevraagd. Maar er zijn nu toch meer dan genoeg medicijnen en natuurlijk heeft niemand nu al de tijd gehad om een volledige inventaris op te maken. Ze zullen het heus niet merken als er twee pilletjes verdwenen zijn. Gelukkig zijn het kauwtabletten en kan ik dus ze zonder water doorslikken.

Daarna ga ik direct terug naar de passagiersruimte. Het lijkt me beter om terug in mijn stoel liggen voordat ik het effect van deze medicijnen begin te voelen. Doran beweegt zich niet wanneer ik zo stil mogelijk weer onder mijn deken kruip. Waar Andromeda is, weet ik niet. Misschien zit ze nog steeds te overleggen met de piloten van onze hovercraft. Hoe dan ook heeft niemand mijn korte afwezigheid opgemerkt. Gelukkig maar, denk ik nog vaagjes voordat mijn ogen dichtvallen.


Ik hoop dat het niet te pretentieus klinkt, maar dit was voor mij een heel bijzonder hoofdstuk om te schrijven en ik ben dan ook zeer blij dat het nu eindelijk online staat. Om heel eerlijk te zijn: dit is zelfs uitgegroeid tot mijn persoonlijke favoriete hoofdstuk over mijn drie verhalen heen! Vooral omdat er deze keer best wel veel gebeurd is. Het gevecht tussen Aludra en de vredebewaker, Aludra's woorden wanneer hij ondersteboven in haar valstrik hangt, de terugtocht door het bos, de verzorging van Darvo en uiteindelijk het gesprek tussen Doran en Aludra wanneer alles achter de rug is … ik ben echt benieuwd naar jullie mening hierover als lezer!

We hebben hier ook een personage teruggezien dat - behalve een korte vermelding in hoofdstuk 7 - heel lang uit beeld verdwenen was. Eigenlijk konden jullie het al weten toen Lyme tijdens de vergadering zei dat de treinbestuurder mee in het complot zat, want Amalthea is als verzetslid en treinbestuurder natuurlijk de ideale persoon om de rebellen te helpen bij deze overval. Toch heb ik haar naam met opzet pas voor het eerst vermeld wanneer zij en Aludra elkaar in het bos tegenkomen. Dit leek mij leuker, omdat er voor de lezers die het nog niet geraden hadden dan een soort van verrassingseffect zou zijn. Vinden jullie dat een goede keuze?

De scène die mij het meeste tijd en moeite gekost heeft, was die waarin Aludra Darvo's zwaargewonde arm moet verzorgen. Zelf heb ik nooit geneeskunde gestudeerd of een echt uitgebreide cursus EHBO gevolgd. Daarom heb ik deze keer geprobeerd om er wat informatie over te verzamelen. In tegenstelling tot mijn opzoekingswerk over spionage (waar ik echt teleurgesteld was in de meeste zoekresultaten) heb ik deze keer wel degelijk een aantal nuttige dingen gevonden die ik concreet kon gebruiken in mijn verhaal. Verder heb ik de scène nog eens laten nalezen door iemand die meer van EHBO kent dan ikzelf, en deze persoon was tevreden over wat ik geschreven had. Eén en ander wordt natuurlijk mee bepaald door het feit dat Aludra een beperkte ervaring van slechts enkele weken heeft en ze dus eigenlijk geen professioneel opgeleide hulpverlener is! Wat zij doet, zal dus meer op EHBO voor 'gewone' mensen lijken dan op echt specialistenwerk. Ik hoop dan ook dat jullie hier rekening mee houden bij het beoordelen van deze scène.

Daarnaast nog een korte opmerking over het gebruik van drukpunten om een bloeding te stelpen. Toen ik mijn informatie verzamelde, had ik het gevoel dat men hier in recentere EHBO-cursussen stilaan vanaf aan het stappen is, en dat men nu eerder aanraadt om op de wonde zelf te drukken. Dus heb ik besloten om het in mijn verhaal ook zo te beschrijven.

Tot slot nog twee kleine details die ik graag wil verduidelijken. Het woord 'rafelmes' verwijst niet naar een bestaand wapen, maar is iets dat ik speciaal voor dit hoofdstuk zelf heb verzonnen. Ik had namelijk een mes nodig dat groot en scherp genoeg is om zo'n zware verwonding te veroorzaken. Daarnaast heb ik hier ook gesproken over universeel kunstbloed dat voor alle mensen geschikt is. Uiteraard bestaat dit vandaag nog niet! Maar ik heb wel eens gelezen dat men in de medische wereld hoopt om ooit echt zoiets te kunnen maken. Een interessant idee, al vrees ik dat het nog niet meteen voor morgen zal zijn … Toch leek het mij geloofwaardig om in dit hoofdstuk kunstbloed te gebruiken. Ik situeer de wereld van de Hongerspelen ongeveer 400 à 500 jaar in de toekomst, en tegen die tijd heeft men misschien inderdaad universeel bloed uitgevonden dat je onmiddellijk aan een patiënt kan geven zonder dat er nog verder controles nodig zijn.

En zo zijn we ongeveer aan het einde van deze lange author's note gekomen. De treinoverval zelf is dus geslaagd, maar in de volgende twee hoofdstukken zullen jullie meer te lezen krijgen over de nasleep ervan. Vergeet ook niet om mijn Tumblr-pagina te bezoeken. Hier heb ik een kaartje van het Zuidstation geplaatst.

Azmidiske